De bever in de weer

Ze knagen om, slepen aan en bouwen buitengewoon indrukwekkende werken in en aan het water. Er zijn weinig dieren in Middelgaard die zo duidelijk hun verstand en nijverheid tonen als bevers. En er zijn weinig dieren met een naam als de hunne, want bever, van Oudgermaans *beburaz, is een van de zeldzame gevallen in onze taal van woordvorming door klankherhaling.

Het is jammer dat bevers geen grotere plek in ons bewustzijn hebben en er geen volksverhalen aan hen gewijd zijn. Het is een grove schande dat ze in de negentiende eeuw uitgeroeid waren in de Lage Landen. Gelukkig is hun herintrede vooralsnog voorspoedig verlopen, al blijven hun aantallen laag vergeleken bij de almaar aanzwellende mensenmenigte en haar immer uitbreidende bouw. Ze zijn hier slechts met enkele duizenden, dus het is goed nieuws dat er onlangs een jong is gezien in een tot voor kort beverloos gebied in het noorden van Nederland.

De bevers in het Avondland en Rusland zijn net als zwanen, raven en wolven monogaam oftewel eengadig: ze blijven hun gade trouw tot de dood hen scheidt. In die tijd brengen ze heel wat nakomelingen groot en leren ze die alles over dambouw en waterhuishouding. Hun burchten lijken ondertussen misschien niet meer dan een hoop takken en modder maar zijn alleen van onderwater te betreden en bieden aldus een tamelijk veilig onderkomen, dat ook nog eens koel is in de zomer en warm in de winter.

Enige oordnamen in de Lage Landen herinneren ons aan het vroege voorkomen van bevers. Bekend zijn Beverlo in Belgisch-Limburg, Bevermeer in Gelderland en Beverwijk (vroeger Bevorhêm) in Noord-Holland. Daarnaast zijn enkele Vlaamse oorden vernoemd naar een oude stroom met de naam Bever, die mogelijk weer naar het dier is vernoemd maar ook van andere herkomst kan zijn.

Opvallend—en blijk van de lange afwezigheid van bevers aldaar—is dat het Fries geen eigen vorm van het woord (meer) heeft en bever aan het Nederlands heeft ontleend. Gezien de Oudgermaanse vorm *beburaz zouden we in die dochtertaal immers klankwettig *bjouwer verwachten, zoals *eburaz ‘ever, wild zwijn’ zich ontwikkelde tot jouwer, althans in de oude eigennaam Jouwer (en verkort jor- in verholen samenstellingen als Jorrit/Jort, Jorn en Jornd, de evenknieën van Nederlands Evert/Everhard, Everwijn en Evernand).

Een vorm van bever komt evenwel niet voor in Germaanse namen. Anders dan arenden, raven, beren, wolven en wilde zwijnen waren deze zwemmende bouwers kennelijk geen grote voorbeelden voor onze krijgshaftige voorouders. En we hoeven voorlopig ook niet te verwachten dat er kinderen naar bevers vernoemd worden en bijvoorbeeld Bever, Beverling of Beverwijs heten.

Zoals gezegd luidde het woord *beburaz in het Oudgermaans. Dat kunnen we vaststellen op grond van de overgeleverde vormen in de dochtertalen, waaronder Oudhoogduits bibur en Oudnoords bjórr. Evenknieën van *beburaz in andere Indo-Europese talen zijn bijvoorbeeld Latijn fiber, Litouws bẽbras, Tsjechisch bebrъ en Jongavestisch baβra-, allemaal met dezelfde betekenis.

In het verleden is aangenomen dat het woord is afgeleid van een oude kleurnaam die alleen als Oudindisch babhrú- ‘(roodachtig) bruin’ is overgeleverd, maar zoals de taalkundige Guus Kroonen aangeeft was het eerder andersom. In het Indo-Europees werden immers wel vaker kleurnamen gemaakt door afleiding met het achtervoegsel *-u-. Bovendien zou een naam als ‘bruine’ weinig onderscheidend zijn voor dit dier.

Wel duidelijk is dat ons woord is ontstaan door wat algemeen reduplicatie wordt genoemd maar hier voor de duidelijkheid klankherhaling. Hiermee werd oorspronkelijk herhaling, hevigheid, veelvoud of hogere mate uitgedrukt, maar gaandeweg ging men het meer algemeen voor afleiding of vervoeging gebruiken. Een bekend voorbeeld van dit verschijnsel is hoe ooit van de wortel *kwelh1 ‘draaien’ het woord *kwé-kwl- ‘rad’ is afgeleid. Het is de voorloper van onder meer Oudindisch cakrá-, Grieks kúklos en Oudgermaans *hwehlą en *hweulą, vanwaar Nederlands wiel.

De voorloper van Oudgermaans *beburaz is dus een vorm van *bhé-bhr-, een klankherhaling bij een wortel *bher- of *bherH-. Wat betekende die wortel en kenmerkte bevers in de ogen van onze verre voorouders? Voor de hand ligt dat hij dezelfde is als de wortel *bherH-, waarvan de oorspronkelijke betekenis door het gezaghebbende Lexikon der indogermanischen Verben wordt vastgesteld als ‘mit scharfem Werkzeug bearbeiten’. Hiertoe geleid worden bijvoorbeeld ook Oudgermaans *burōjaną ‘boren’ en *barjaną, vanwaar Oudnoords berja ‘slaan, stoten’ en Vlaams beren ‘kneden; landbouwgrond opentrekken; onkruid lostrekken met een spitvork’.

Inderdaad, bewerken met een scherp werktuig is uitgerekend wat bevers doen wanneer zij takken wegrijten en bomen omknagen met die grote oranje tanden van ze.

Als werkwoord ontwikkelde de wortel *bher- ‘dragen, brengen’ zich tot Oudgermaans *beraną en vandaar tot onder meer Engels to bear ‘dragen’, Westvlaams beren ‘wegdragen’ en Nederlands baren ‘ter wereld brengen’. Het voltooid deelwoord geboren betekent dus letterlijk ‘gedragen, (ter wereld) gebracht’. Andere verwanten zijn bijvoorbeeld (draag)baar en baar ‘golf’ en Middelnederlands baren, Noors barn, Schots bairn en Fries bern, allen ‘kind’.

Niettemin, in een vakkundige uitleg van klankherhaling heeft de Poolse taalkundige Piotr Gąsiorowski enkele jaren geleden een ander, even aannemelijk voorstel gedaan: bever hoort bij de wortel *bher- ‘dragen, brengen’. Hij meent: eerst was er een afleiding *bhé-bhr- ‘hoop’, het gevolg van het herhaalde aandragen van takken en dergelijke, en daarvan is vervolgens het woord voor het verantwoordelijke dier zelf afgeleid. Anders is het nog mogelijk dat de diernaam rechtstreeks van de wortel is afgeleid, in de zin van de ‘telkens aandragende’.

Maar of zij nu de bewerkers of de aandragers bij uitstek zijn, de oorspronkelijke klankherhaling van hun naam betaamt de onvermoeibare vlijt waarmee bevers hun wereld schikken, met alle wildse rijkdom van dien.

Verwijzingen

Beekes, R.S.P., Comparative Indo-European Linguistics: An Introduction (Amsterdam/Philadelphia, 1995)

Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018)

Bo, L. De, Westvlaamsch Idioticon (Gent, 1892)

Gąsiorowski, P., Reduplication: A Map (webuitgave)

Gysseling, M., Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) (1960)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Pauw, T., De & E. Wille, Dialectwoordenboek Zuidwest-Meetjesland en omstreken (Aalter, 2013)

Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)

Ringe, D., From Proto-Indo-European to Proto-Germanic (Oxford, 2006)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Winker, J., Friesche Naamlijst (Leeuwarden, 1898)

6 gedachtes over “De bever in de weer

  1. Castricum is in dit geval ook een aardige plaatsnaam. Die zal wel weer gewoon van een persoonsnaam komen (Kastrik-heem of zoiets), al heb ik best sympathie voor de wat avontuurlijke suggestie dat het eigenlijk een geestnaam is (dus gâst > gast > kast; g>k is natuurlijk wel problematisch), maar de spelling moet toch zijn beïnvloed door het Latijnse “castor”, bever, omdat de scribenten het met Beverwijk dachten te verbinden.

    1. Dat is een mooi raadsel…

      Gezien Latijn castor ‘bever’ zou je inderdaad denken het geen toeval is dat Castricum en Beverwijk zo dicht bij elkaar liggen. Beïnvloeding van de eerste naam door de tweede lijkt me dan niet waarschijnlijk, want Castricum is bij mijn weten nooit zonder r overgeleverd. Verschuiving van cast- uit gast- vind ik ook niet aannemelijk en laat de r onverklaard.

      De oudere vorm Castringhem (met hêm ‘heem, thuis’) wijst op samenstelling met een oude bewoners- of geslachtsnaam *Kastringa. Het is dan verleidelijk te denken dat deze is afgeleid van Latijn castrum ‘legerkamp, versterking’, maar ik kan geen andere voorbeelden bedenken van zo’n -ing-afleiding van een Latijns zelfstandig naamwoord. Bovendien begrijp ik dat het oord nog wel een eind benoorden de oude rijksgrens ligt.

      Dan zie ik het eerder afgeleid van een Latijnse mansnaam Castor, een vernoeming naar ofwel onze zwemmende bouwer ofwel de broer van Pollux. In het laatste geval is er wellicht sprake van vereenzelviging met een van de vermaarde tweelingbroers die in de Angelsaksische overlevering Hengest en Horsa heetten.

      Ondertussen vinden we in Limburg echter de opmerkelijke oordnaam Castert, zo te zien een Germaanse verzamelafleiding met -t (zoals Ulft bij ulve ‘zwarte populier’), dus bezwaarlijk van Latijn castrum ‘legerkamp, versterking’, castor ‘bever’ of Castor van Pollux. Limburg heeft verderop ook Castenray (vroeger Casterlo). In Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018) melden Van Berkel & Samplonius dat er in beide gevallen geen sporen van een Romeinse vesting gevonden zijn. Ze opperen dat hier sprake is van afleiding van een oude boomnaam *kaster en dat dit een nevenvorm van kastanje is. Ze zeggen alleen niet waar die r dan vandaan moet komen. Aanpassing aan andere boomnamen op -ter? Niet aantrekkelijk.

      In Noord-Brabant vinden we Casteren (vroeger Casterlo, Kyrcasterle, Kirkastele) en Castelré (vroeger Casterlee, waarin het tweede lid mogelijk lee, leeuw ‘(graf)heuvel’ is). Verder naar het noorden aan de Rijn in Gelderland ligt een oord genaamd Kesteren (vroeger Castra), waar kennelijk wel Romeinse sporen gevonden zijn, zodat castrum aannemelijk wordt, al moeten we daar dan een meervoudsvorm van aannemen en dat wringt.

      Hier en daar speelt dus kennelijk een vergeten inheems woord *kaster, waarvan de betekenis duister blijft. Mogelijk is afleiding van het Oudgermaanse werkwoord *kesaną (Zwitsers kesen, käsen ‘slepen’, gewestelijk Zweeds kesa ‘zich met moeite optrekken’, kesa sig ‘zich slepen’). Daartoe behoren anderszins bijvoorbeeld ook *kasō (Oudnoords kǫs ‘ophoping’) en *kastuz (Oudnoords kǫstr ‘stapel’, Noors kast ‘steenhoop’, Oudengels stáncystel ‘steenhoopje’, Nederduits Käste mv. ‘steenhopen’).

      Anders valt het wellicht te verbinden met Zaans kassen mv., waarmee bepaalde stukken land werden aangeduid, en kes in de oude veldnamen Kesakker en Kesven. Vergelijk verder Westvlaams kassen ‘bijzondere wijze van voren delven’ en Duits Kesse ‘spleet’ (bijv. de voeg tussen vloerplanken).

      Ten slotte is er nog een andere Germaanse wortel *kas-, *kōs-, die ten grondslag ligt aan onder meer Veluws kastig ‘vurig’, Vlaams-Brabants kaster(!) ‘vonk’ (te Opwijk), gewestelijk Zweeds kasa ‘verhitten, warmen’, Noors kose med ‘knuffelen met’en Nederlands koesteren ‘bakeren’. Dat betekenisveld is alleen wat lastiger te verzoenen met de hier besproken oordnamen.

      Zo bezien lijkt Castricum me niet samengesteld met (of beïnvloed door) Latijn castor ‘bever’, ook al ligt het vlakbij Beverwijk.

  2. Dank voor deze uitgebreide verkenning!

    Ik ga er ook niet van uit dat de naam zélf door de suggestie van bevers beïnvloed is, maar denk dat de spelling ervan dat wel kan zijn. De naam heeft daardoor ten onrechte een Latijns aanzien gekregen.

    1. Ah, je bedoelt dat het niet bijvoorbeeld Kastrikum is! Ja, ik kan me voorstellen dat dat vanwege castor is.

Laat een reactie achter op Olivier van Renswoude Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.