In de brand

Gim, hörfir, búði, dusill, feykir, bál, brísingr – het zijn slechts enkele van de tientallen dichterlijke woorden voor ‘vuur’ en ‘brand’ waar een IJslandse skáld in de Middeleeuwen over kon beschikken. Sommige waren toen al stokoud, kostbaar als edelstenen en al die eeuwen bewaard voor een welgeweven lied. Andere waren vermoedelijk nog niet zo lang voordien bedacht door dichters om in hun rijm te slagen. Zeldzaam onder deze vuurnamen is nertill, en bijzonder, want hetzelfde woord bestaat –of bestond– mogelijk ook in een enkele Nederlandse streektaal.

Lees verder “In de brand”

Gelijk een boom

Al hun kracht en pracht ten spijt, er is iets droefs aan het stille, gedragen bestaan van bomen. Ze hebben alles maar te harden, van rot en dorheid tot storm en strengheid, en zijn ten slotte weerloos als de bijlen komen bijten en de zagen komen rijten. De meesten met een kroon van bladeren zijn gedoemd die ieder jaar te verliezen, zij het waardig in weelde van kleuren. Hoe roerig het ook achter hun basten mag zijn, waar hun sappen vloeien, ze lijken maar lijdzaam te leven. Bomen treuren, is met enig recht te zeggen, en een treurend mens is als een boom gestemd.

Lees verder “Gelijk een boom”

Maf

Geloof het of niet, maar het zo gemeenzame maf behoort tot die ongelukkige rij woorden waar wortelkundigen weinig over te zeggen hebben. Het komt pas vanaf de vroege zeventiende eeuw op schrift voor en eerst in de betekenis ‘slap, flauw, krachteloos, suf’. Het is vandaar dat maffen ‘slapen’ is afgeleid, net zoals slap en slapen bij elkaar horen. Het werd vroeger ook zelfstandig gebruikt, voor sullen en dwazen, zoals in de uitdrukking iemand voor een/de maf houden. Uit lichte wanhoop –of misschien juist met overgroot vertrouwen– is wel voorgelegd dat maf een nevenvorm ware van muf, en anders een vermenging van laf met moe of mat. Een blik op de streektalen, aan beide zijden van de Noordzee, maakt dat weinig aannemelijk. Eerder is het van een geheel eigen stamboom.

Lees verder “Maf”

Takken

Al is het een van de grovere grepen uit onze grote woordenschat, takkewijf spreekt toch wel tot de verbeelding. Ik stel mij zo voor: een kraakstemmig, krom bosvrouwtje dat heel de dag hout sprokkelt en al porrende met takken nieuwsgierige kinderen van haar gammele, mosbedekte huisje verjaagt en dan zuchtend en steunend de stenen paadjes weer hemelt met haar heksenbezem.

Wijf is al een weinig gunstige benaming, hoewel het ooit het gewone woord voor ‘vrouw’ was, maar het toevoegen van takke- maakt het des te vinniger. Het is ook te vinden in bijvoorbeeld takkemens en takkeweer en aldus zo goed als een voorvoegsel, vergelijkbaar met pokke- en grover spul. Van Dale stelt dat het een verbastering is van Frans attaque ‘aanval, beroerte’, maar dat valt te betwijfelen.

Lees verder “Takken”

Lummelen bij de haard

Van de vele volksverhalen die de Noren rijk zijn gaan enkele van de bekendsten over een jonge knul genaamd Askeladden – av det han støtt satt og grov og raket i asken ‘omdat hij almaar zat te wroeten en rakelen in de as’. Er wordt van hem maar weinig verwacht, in tegenstelling tot zijn oudere broers Per en Pål, die beide op hun eigen wijze zeer bekwaam zijn. Maar als het erop aankomt blijkt juist hij de vernuftigste en moedigste te zijn en weet hij onder meer trollen te verslaan en de hand van de koningsdochter te winnen. Ook de Denen en Zweden kennen hem vanouds en verhalen zoals de zijne waren tevens bekend in de rest van de Germaanse wereld en daarbuiten.

Lees verder “Lummelen bij de haard”

Engels boy & Nederlands bui

Also available in English.

Er is in de Lage Landen geen ziel die niet bekend is met het Engelse woord boy ‘jongen’. Maar de meeste mensen zullen niet weten dat het vanouds ook bestond op het vasteland en bewaard is gebleven in onder meer het Gronings en het Fries. Daar is het dus niet ontleend aan het Engels, let u wel, maar meegekregen van de gemeenschappelijke, voorouderlijke taal: het Oudgermaans.

In het Gronings komt het voor in de vormen bòi, bui en buie. Het Fries kent boai, boi en boie, verkleind ook boaike en boike, en bovendien met verscherping poai, poaike en poike – die laatste drie niet alleen voor jongens maar ook kleine kinderen in het algemeen en zelfs veulens. Wat is de achtergrond van dit woord? En hoe verhoudt het zich tot Zweeds pojke ‘jongen’? Een lezer legde mij laatst deze vragen voor en ik doe graag een poging om het uit te zoeken.

Lees verder “Engels boy & Nederlands bui

Feng kold

Hoewel de wortelkundige graag van ieder woord de herkomst achterhaalt, kan het toch wel heel mooi zijn als er meer dan één mogelijkheid is en het raadsel nooit echt ontrafeld kan worden. Het woord behoudt dan een voller vermogen en is daarmee rijker van betekenis, met alle dichterlijke deugd van dien. Een mooi voorbeeld hiervan is Drents feng, dat wel te begrijpen is als ‘fel’ en ‘scherp’ en ook ‘doordringend’. Licht en ogen bijvoorbeeld kunnen feng zijn, de bek van een snoek is het zeker. En als land en lijf door vorst gebonden worden is het feng kold.

Lees verder “Feng kold”

Saai

De klanken van woorden passen vaak goed bij hun betekenis. Of dat lijkt zo, want de geest kan de twee uiteraard maar moeilijk los van elkaar bedenken en ze hebben vandaar vanzelf invloed op elkaar. Dat is ook de reden waarom liefde zo vaak tot ‘mooiste woord’ wordt uitgeroepen, hoewel het –laten we wel wezen– niet bijzonder welluidend is. Maar in saai hebben klank en betekenis toch wel een goed huwelijk. Dat komt vast ook doordat het zo gemakkelijk gerekt kan worden om de verveling en Langeweile nog eens goed te benadrukken: saaaaaai… Is het dan zoals dat heet een klankschilderend woord? Nee, waarschijnlijk niet. Maar de herkomst die de woordenboeken voorstellen is ook niet overtuigend.

Lees verder “Saai”

Lytse Brintasêge

Er was eens een boer in Friesland en zijn naam was Brint, zoon van Bronger. Kloek en hardwerkend was hij, maar de winters waren bitter en zijn leven bescheiden. Brint kreeg een zoon en noemde hem Brint, en deze was net als zijn vader, maar had meer geluk en vergaarde grote weelde in zijn leven. Zo goed ging het hem af dat iedereen in de wijde omtrek het huis der Brinta kende. Hun telgen wonnen invloed en land, maar vielen in scherp geschil met de mannen van het huis Jorna, over het recht op enkele lappen grond.

Lees verder “Lytse Brintasêge”

Laat u niet goken

Weinig dieren zijn zo doortrapt als de koekoek. De vrouwtjes, vaak met hulp van de mannetjes, leggen ongezien hun eieren in de nesten van andere (soorten) vogels. Hun jongen komen eerder uit het ei dan die van de ‘pleegouders’ en ze groeien ook nog eens sneller. Vervolgens eisen ze de meeste aandacht om zich goed vol te laten stoppen. De meeste koekoeksjongen volgen bovendien de aangeboren neiging om de echte eieren of jongen uit het nest te werken. Het is allemaal zeer listig en gemeen en het is dan ook geen toeval dat de oudere naam van de koekoek, gook, verwant is aan woorden voor verberging en bedrog.

Lees verder “Laat u niet goken”

O dennenboom

Wie een kerstboom in huis haalt kiest meestal voor een fijnspar. Deze kaarsrechte naaldboom wordt al meer dan een eeuw gekweekt in de Lage Landen, maar is van nature beperkt tot de koudere en hogere delen van het Avondland, waaronder Noorwegen, Zweden, Rusland en de Alpen. Het is enkel in de ruimste zin van het woord een den of dennenboom: wel lid van de famílie der dennen, niet van het kleinere geslácht der dennen, dat we vooral kennen van de inheemse, vaak kromme grove den.

Nu wil het dat de naam fijnspar vrij jong is en als samenstelling bovendien wat kleurloos. En dat terwijl onze oosterburen het duizenden jaren oude Fichte gebruiken. Gelukkig bestaat er vanouds een Nederlandse evenknie die wij zo weer op kunnen pikken: vucht. Dit woord duikt in de zestiende eeuw voor het eerst op in Nederlandse geschriften.

Lees verder “O dennenboom”