Fiets – een woord met diepe wortels
Er is over de herkomst van het woord fiets veel te doen geweest sinds de eerste betuigingen in 1870 te Apeldoorn en 1871 te Leeuwarden, in de vormen viets en fiets. Het zou een verbastering zijn van Frans vélocipède, het voordien gangbare woord in de Lage Landen; het zou om een klanknabootsing gaan; het zou van de achternaam van rijwielverhuurder Viets komen. Nee, enkele jaren geleden kwam dan de verlossing en zou het raadsel eindelijk zijn opgelost: fiets ware ontleend aan een korte vorm van een verloren gewestelijk Duits Vize-pferd ‘plaatsvervangend paard’. Hiermee werd algauw korte metten gemaakt, onder andere door de taalkundige Jan Stroop. De meest waarschijnlijke duiding werd honderd jaar geleden al gegeven en er valt nog altijd meer te vertellen over dit bijzondere, eigenzinnig-Nederlandse woord.