Burenspraak

Onlangs heb ik met genoegen het tweede deel gekeken van Bron / Broen (‘De brug’), een pakkende misdaadreeks waarin de Deense Martin Rohde en de Zweedse Saga Norén noodgedwongen samenwerken om ijverige moordenaars op te sporen in het gebied van Kopenhagen en Malmö en op de brug daartussen. Opvallend in deze en dergelijke beeldverhalen: de Denen spreken Deens tegen de Zweden en de Zweden spreken Zweeds tegen de Denen. En dat gaat best goed. Ik vraag me dan ook af waarom wij Nederlanders en Vlamingen er geen gewoonte van maken Nederlands te spreken tegen Duitsers en zij Duits tegen ons.

Lees verder “Burenspraak”

Oen

Van alle scheldwoorden in onze taal is oen toch wel een van de mildsten. Diens klank is al weinig dreigend, eerder vertederend, maar belangrijker nog: bij oen weten de meeste mensen behalve de lading ‘sufferd, dwaas’ niet waar ze eigenlijk voor worden uitgemaakt. De meeste scheldwoorden hadden immers oorspronkelijk een eigen betekenis voordat ze als scheldwoord gebruikt werden. Wat mag een oen dan wel niet wezen?

Lees verder “Oen”

Dijzen

Karel de Grote, zo schreef zijn dienaar Einhard, toog zijn telgen naar de zeden der Franken: zodra hun leeftijd het toestond oefenden zijn zoons het rijden, voor strijd en jacht. Zijn dochters daarentegen namen voor nijverheid spoel en spinrokken op. Zo onlosmakelijk verbonden waren vrouwen, ook koningsdochters, met spinnen en weven, dat het spingerei sinds mensenheugenis hier en elders hun zinnebeeld was. Wie dan woorden vorst die met deze bezigheden van doen hebben kan aldra het hart van een oud wereldbeeld raken.

Lees verder “Dijzen”

Van zwaardzijde en spilzijde

Het is niet boud om te stellen dat onze middeleeuwse en vroegere voorouders dichterlijker van taal waren dan wij hedenvolk zijn. Overdracht en zinnebeeld bezielden hun spraak te meer, al waren zij zich daar wellicht niet eens zo van bewust. Een mooi getuige hiervan is dat zij spraken van hun zwaardzijde en spilzijde wanneer zij de mannelijke en vrouwelijke lijn der verwantschap bedoelden, welke wij thans minder bekoorlijk vaderszijde en moederszijde noemen, en dat zij verwanten aan weerszijden ook wel zwaardmagen en spilmagen noemden.

Lees verder “Van zwaardzijde en spilzijde”

Das

Een das stelt ons in staat om met stijl de deur uit te gaan, voor een warme wandeling door woud of stad in kille dagen, voor hoogst belangrijke zaken en voor minder belangrijke zaken. Maar hoe vertrouwd en zwierig zij ook kan zijn om onze halzen –hetzij als winterdas, hetzij als stropdas– de herkomst van het woord zelf is toch iets van een raadsel. De meeste zustertalen moeten het zelfs geheel ontberen.

Lees verder “Das”

Joe

De laatste maanden heb ik mij verwonderd over joe, dat wel gebruikt wordt naast het bekendere ja. Taaljournalist Gaston Dorren bracht dit tussenwerpsel laatst ter sprake als een van de gemeenzamere antwoorden die men op dankbetuigingen kan geven. Inderdaad, ik zeg vaak “joe” als iemand mij bedankt voor een bewezen dienst. Maar ik gebruik het ook om aan te geven dat ik iets gehoord heb of goed vind of zal doen: “Ik bel je later.” – “Joe.” “Kun je me hiermee helpen?” – “Joe.” Het is een zachtere, vriendelijkere vorm van ja en misschien ook wel te beschouwen als de Nederlandse weerga van het alomtegenwoordige Engelse okay.

Lees verder “Joe”

Op de schaats, op de scheuvel

Nederland is een beetje de bullebak van het wereldwijde wedstrijdschaatsen geworden. Dat hoeft geen verrassing te zijn, want onze schaatsers zijn gescherpt door geweldige wedijver in eigen land. Al eeuwen gaat men hier des winters in groten getale het ijs op, zoals mooi getoond door menig schilderij. Opmerkelijk is dan dat het woord schaats aan een Romaanse taal is ontleend, terwijl er aan eigen woorden geen gebrek was. Eén woord in het bijzonder, het noordoostelijke scheuvel, is vermoedelijk minstens 1500 jaar oud.

Lees verder “Op de schaats, op de scheuvel”

Met valen mennen

Er bestond in het Middelnederlands (1200-1500) een merkwaardige uitdrukking die gebruikt werd door onder meer de dichters Willem van Hildegaersberch en Jacob van Maerlant: met valen mennen. Hiermee werd zo veel bedoeld als ‘kwaad doen, onrecht doen, slinks bezig zijn, bedriegen’ maar ook ‘van de goede weg afdwalen’. Wie ment (rijdt) met valen is onbetrouwbaar, voor anderen en voor zichzelf. Maar wat is nu de letterlijke bedoeling?

Lees verder “Met valen mennen”