Adders zijn nadders
Op het Dwingelderveld in Drenthe zijn alweer de eerste mannetjesadders van het jaar verschenen, ontwaakt uit hun winterslaap om te warmen in de zon. In tegenstelling tot die andere twee inheemse slangen—de ringslang en de gladde slang—is de adder giftig en zo nog ietwat gevaarlijk voor zwakkere mensen. De naam is ook bijzonder, want hoort eigenlijk nadder te luiden en is verwant aan naaien. Lees verder “Adders zijn nadders”
Het varen van de ziel
Toen de zendelingen in de Germaanse wereld te werk gingen zochten zij in de volkstaal een woord ter vertaling van het Griekse psūkhḗ en het Latijnse anima voor dat onstoffelijke en onsterfelijke deel van de mens volgens de blijde boodschap. Het werd *saiwalō, de voorloper van ziel, een woord dat kennelijk vrij van al te heidense voorstellingen was. Over de diepere oorsprong is lang getwist, maar nieuwe overwegingen zijn onthullend. Lees verder “Het varen van de ziel”
Onder hoede van de hemelse tweeling
Hoe zou hier heden een heidendom in hoge beschaving eruitgezien hebben, als het herontstaan ware of nooit verdwenen? Licht voorstelbaar zijn vredig omboste hoven van kunstige houten wijhuizen met gulden smuk onder rieten dak—waardige tegenhangers van zulke plechtige doch eenvoudige oorden als Ise Jingū in Japan. En wellicht zou op veel gevels een opvallend beeld prijken: een tweetal gekruiste paardenkoppen. Lees verder “Onder hoede van de hemelse tweeling”
Te voet naar heilige oorden
Niet alleen zie ik uit naar herstel van heilige ruimten tussen hoge bomen, maar ook naar hun verbinding met lange wandelwegen door het landschap, de paden waar toegewijden met staf in hand over togen kunnen. Die zielen heten er geen bedevaarders, alsof zij enkel om te bidden komen, noch pelgrims, om met een geleend woord te spreken. Zij worden walders genoemd vanuit de oude taal. Lees verder “Te voet naar heilige oorden”
Het snuwt!
Ja, er valt sneeuw, maar het “sneeuwt” niet. Het snuwt. De weergoden zijn verbolgen—boos in hun wolken—hoe wij jammerlijk een afleiding van een afleiding gebruiken en niet het oorspronkelijke sterke werkwoord. Dat is het edele snuwen, sneeuw, gesnuwen. Het heeft een vervoeging als geen ander en daar is een reden voor. Lees verder “Het snuwt!”
Engelen en Saksen in de Friese landen
Bij het dagen van de Middeleeuwen maken Engelen en Saksen in groten getale de overtocht naar Brittannië vanuit hun thuislanden aan de oostelijke Waddenzee. Anderen van hen vestigen zich dichter bij huis, in het dan nagenoeg verlaten uiterste noorden van de Lage Landen. Een schitterende getuige van dit verleden zijn wel de namen van twee naburige oorden in het ooit Friese deel van Groningen: Englum en Saaksum. Lees verder “Engelen en Saksen in de Friese landen”
Dorestad
Na een lange reeks slagen en de kwaaldood van hun koning Redbad in 719 delven de Friezen dan eindelijk het onderspit tegen de machtige Franken. Die krijgen daarmee voorgoed die belangrijke handelshaven weer in hun greep: Dorestad, gelegen op de waard waar Rijn en Lek uiteengaan. Heinde en ver is deze plek dan reeds geruime tijd bekend als verbinding tussen twee werelden. Er wordt vaak gesteld dat Dorestad eigenlijk een Keltische naam is of minstens ten dele, als een Gallo-Romaans overblijfsel, maar of dat werkelijk zo is… Lees verder “Dorestad”
Het Hollandse eiland naast Kopenhagen
Koning Christiaan II van Denemarken deed wenkbrauwen ophalen in 1519 toen hij besloot bijna heel het eiland Amager voor de kust van Kopenhagen aan Hollandse boeren te geven. Alle Deense inwoners, behalve die van een dorp in het zuidoosten, werden bevolen het veld te ruimen voor deze inwijkelingen, die bovendien de nodige voorrechten ontvingen. Waar in Holland of elders in de Lage Landen deze boeren vandaan kwamen is lang betwist, maar nieuw onderzoek heeft de zaak beslecht. Lees verder “Het Hollandse eiland naast Kopenhagen”
Schiermonnikoog en andere ogen in de Waddenzee
Tegen het einde van de Middeleeuwen wordt vanuit het klooster Klaarkamp bewesten Dokkum een uithof gesticht op een Waddeneiland dat dan te boek staat als Werner oge. De monniken maken het meer bewoonbaar en de kappen die ze dragen zijn schier, oftewel lichtgrijs, zodat het heden algemeen bekend staat als Schiermonnikoog. Dat maakt het eerste deel van de naam duidelijk, maar waarom heet het een oog net als enkele andere eilanden verder naar het oosten? Lees verder “Schiermonnikoog en andere ogen in de Waddenzee”
Hete vuren te Uden in de vroege ijzertijd
Eind 1922 weet de schilder en geneesheer Hendrik “de Wieger” Wiegersma een duizenden jaren oud grafveld bij Uden in Noord-Brabant van de vernietiging te redden: hij koopt het onderhavige heideland en laat het onderzoek beginnen in het volgende jaar. Sindsdien zijn daar heel wat urnen en bijgiften uit de vroege ijzertijd opgegraven. Uden, als een naam van hoge ouderdom, zou er wel eens een verwijzing naar kunnen zijn. Lees verder “Hete vuren te Uden in de vroege ijzertijd”
Brabant en andere banten
Geleerden hebben zich lang verwonderd over het bestaan van Brabant. De naam dan. Het is duidelijk een verbastering van wat in volle vorm Braakbant zou luiden, kennelijk met braak in de zin van ‘onbebouwd, onbeploegd’ en daarmee een herinnering aan een tijd van leegloop toen het Romeinse Rijk aftakelde. Maar bant is niet helemaal duidelijk, behalve dat het in en om de Lage Landen naar een streek of gebied van een wisse aard kon verwijzen. Lees verder “Brabant en andere banten”