Dijzen

Karel de Grote, zo schreef zijn dienaar Einhard, toog zijn telgen naar de zeden der Franken: zodra hun leeftijd het toestond oefenden zijn zoons het rijden, voor strijd en jacht. Zijn dochters daarentegen namen voor nijverheid spoel en spinrokken op. Zo onlosmakelijk verbonden waren vrouwen, ook koningsdochters, met spinnen en weven, dat het spingerei sinds mensenheugenis hier en elders hun zinnebeeld was. Wie dan woorden vorst die met deze bezigheden van doen hebben kan aldra het hart van een oud wereldbeeld raken.

Lees verder “Dijzen”

Van zwaardzijde en spilzijde

Het is niet boud om te stellen dat onze middeleeuwse en vroegere voorouders dichterlijker van taal waren dan wij hedenvolk zijn. Overdracht en zinnebeeld bezielden hun spraak te meer, al waren zij zich daar wellicht niet eens zo van bewust. Een mooi getuige hiervan is dat zij spraken van hun zwaardzijde en spilzijde wanneer zij de mannelijke en vrouwelijke lijn der verwantschap bedoelden, welke wij thans minder bekoorlijk vaderszijde en moederszijde noemen, en dat zij verwanten aan weerszijden ook wel zwaardmagen en spilmagen noemden.

Lees verder “Van zwaardzijde en spilzijde”

Das

Een das stelt ons in staat om met stijl de deur uit te gaan, voor een warme wandeling door woud of stad in kille dagen, voor hoogst belangrijke zaken en voor minder belangrijke zaken. Maar hoe vertrouwd en zwierig zij ook kan zijn om onze halzen –hetzij als winterdas, hetzij als stropdas– de herkomst van het woord zelf is toch iets van een raadsel. De meeste zustertalen moeten het zelfs geheel ontberen.

Lees verder “Das”

Joe

De laatste maanden heb ik mij verwonderd over joe, dat wel gebruikt wordt naast het bekendere ja. Taaljournalist Gaston Dorren bracht dit tussenwerpsel laatst ter sprake als een van de gemeenzamere antwoorden die men op dankbetuigingen kan geven. Inderdaad, ik zeg vaak “joe” als iemand mij bedankt voor een bewezen dienst. Maar ik gebruik het ook om aan te geven dat ik iets gehoord heb of goed vind of zal doen: “Ik bel je later.” – “Joe.” “Kun je me hiermee helpen?” – “Joe.” Het is een zachtere, vriendelijkere vorm van ja en misschien ook wel te beschouwen als de Nederlandse weerga van het alomtegenwoordige Engelse okay.

Lees verder “Joe”

Met valen mennen

Er bestond in het Middelnederlands (1200-1500) een merkwaardige uitdrukking die gebruikt werd door onder meer de dichters Willem van Hildegaersberch en Jacob van Maerlant: met valen mennen. Hiermee werd zo veel bedoeld als ‘kwaad doen, onrecht doen, slinks bezig zijn, bedriegen’ maar ook ‘van de goede weg afdwalen’. Wie ment (rijdt) met valen is onbetrouwbaar, voor anderen en voor zichzelf. Maar wat is nu de letterlijke bedoeling?

Lees verder “Met valen mennen”

Smid

De smid zal vanouds met verwondering en zelfs enige argwaan zijn aanschouwd. Wat voor een bijzondere en raadselachtige krachten vergt het wel niet om in de heetste haard een goed zwaard uit stukken metaal te hameren? Wat is dit voor een scheppingskracht? In Germaanse legenden waren smeden dan ook vaak niet mensen, maar elven of dwergen. Wijdvermaard was Wieland – hem werd menig beroemd en kostbaar zwaard toegeschreven en hij werd ook wel als elf beschouwd. Volgens de Oudnoordse overlevering wrocht hij Gram (‘toorn’), het zwaard waarmee de held Sigurðr uiteindelijk de draak Fáfnir velde. Wielands werk is ook het heergewaad van de koene Béowulf in het gelijknamige Oudengelse heldendicht.

Lees verder “Smid”

Imerix

De bogen van Burnum

Hij is een van de eerste Nederlanders die wij bij naam en afbeelding kennen: Imerix zoon van Servofredus. Tot de Betuwen behoorde hij, de stam wiens uiterst vaardige ruiters lange tijd zonder meer de keur van het Romeinse leger vormden. In het vermaarde legerkamp Burnum, in wat nu Kroatië is, had hij omstreeks 100 na Christus zijn standplaats en zijn laatste rustplaats – daar is zijn grafsteen opgericht en weer gevonden. Hij is afgebeeld met de uitrusting die kenmerkend was voor Germaanse ruiters van zijn tijd: een speer en een langwerpig, zeshoekig schild.

Lees verder “Imerix”