De waternamen van België

Hoe ver noordelijk reikte de Keltische wereld in de Lage Landen? Over dat vraagstuk is veel te doen geweest, met geen tekort aan boude beweringen. Het is onder geleerden niet ongewoon te menen dat heel België ooit Keltisch was, eigenlijk wel al het land tot aan de Rijn, en het wordt de laatste jaren weer betoogd dat zelfs de oude Friezen oorspronkelijk Kelten waren. Daartoe worden de namen van rivieren—de oudste en belangrijkste aanwijzingen die we hebben over de talen die er gesproken werden—al te gemakkelijk aangewend. Lees verder “De waternamen van België”

Een telg als borg

Wanneer de Hunnen onder hun heer Attila grote delen van het Avondland onder de voet lopen, tot grote schrik alom, zijn enkele Germaanse koningen genoopt hun trouw en vrede te bewijzen door hem edele jeugd als onderpand te geven. De jonge Walthari, Hiltgunt en Hagano worden door zijn hof ontvangen en opgevoed als zijn eigen. Zo ging het volgens het tiende eeuwse gedicht Waltharius, en zo was het wijdverbreide gebruik dat sinds mensenheugenis bestond. Het was een wijze waarop de machtigen hun tegenstrevers in bedwang zochten te houden. Lees verder “Een telg als borg”

Lof der lijsterbes

Hij was er als een van de eersten, toen de ijstijd eindelijk voorbij was en de Lage Landen veranderden van een grote toendra naar de groene streken die ons zo vertrouwd zijn. De lijsterbes is een ware, winterharde spil in het wild: zijn lover, knoppen, bloemen en vermiljoene bessen zijn een weldaad voor menig voedsel zoekend dier, beslist niet slechts de vogels waar hij naar vernoemd is. En dat is niet zo lang geleden gebeurd. Vroeger heette hij namelijk anders—en beter: kwikboom en everes.

Lees verder “Lof der lijsterbes”

Hauwer in de hoormaand

Aan namen voor de maanden is in de volkstaal van de Lage Landen geen gebrek geweest en december is misschien wel het meest gezegend, met onder meer hardmaand, heilmaand, hoormaand, windmaand, wintermaand en wolfmaand. Sommige daarvan hebben ook naar andere maanden verwezen en over het algemeen zijn ze doorzichtig en meteen te begrijpen, geen stokoude samenstellingen met onbekende woorden die door de eeuwen heen zo verbasterd zijn dat we enkel kunnen gissen naar hun betekenis en herkomst. Hier is alleen hoormaand het raadsel.

Lees verder “Hauwer in de hoormaand”

Amer

Zeer tevreden aanschouwde ik mijn vuur in de open herfstlucht. De haard was in dit geval de stronk van een omgezaagde dode berk in de tuin. In uitgraven had ik geen zin gehad. Opbranden zou het! Het vatte niet gemakkelijk vlam, want de wind was straf en ik spotte met brandbare vloeistoffen, maar mijn geduld werd uiteindelijk beloond met de hete gloed van één grote amer, om te spreken met een oud woord voor gloeiende houtskool en hete as – goed mogelijk een van de laatste Germaanse overblijfselen van een bijzondere, lang verloren vervoeging.

Lees verder “Amer”

Het god

God is voor velen een woord dat onlosmakelijk verbonden is met het christendom, maar het stamt uit de voorchristelijke, Germaanse wereld, toen het nog de vorm *gudą had. Tijdens de kerstening was het een van meerdere mogelijkheden die geestelijken hadden ter vertaling van Grieks theós. Van alle was het kennelijk het minst beladen met ongewenste heidense voorstellingen en opmerkelijk genoeg was het eerst een onzijdig woord. Zo wekt het bij terugblik gemakkelijk de indruk van een Germaanse tegenhanger van Latijn numen ‘het goddelijke’ en Japans kami ‘iets ontzagwekkends, goddelijks’. Lees verder “Het god”

De hemelse stam der Anzen

Het zijn de Anzen die volgens het oude Germaanse volksgeloof als godengeslacht en hoeders van de kosmische orde over Middenaarde heersen. In vroegere tijden, toen de verering van Woedan nog niet haar vlucht had genomen, werden zij beschouwd als de afgezanten en telgen van Tuw de Vader, die gehuld is in de diepblauwe mantel van het onmetelijke uitspansel. Van zulke aanzienlijke wezens verdient de naam, die vooral bekend is in zijn Oudnoordse vorm æsir, nu eens alle aandacht. En dat mag de nodige vruchten afwerpen. Lees verder “De hemelse stam der Anzen”