Waar de ulven aarden

Een “verdwenen oude boomnaam” schuile in Ulft en Ulvenhout. Mijn ogen lichten op. Gelijk een draak die nog niet genoeg kostbaarheden heeft vergaard ben ik bijna verbolgen dat mijn woordenschat al die tijd dit kleinood heeft ontbeerd. Het staat in de nieuwste uitgave van Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018) van Van Berkel & Samplonius, maar om welke boom het moet gaan zeggen ze er niet bij. Wat zijn ulven en waar zijn ze te vinden?

Lees verder “Waar de ulven aarden”

Fricco

In de elfde eeuw na Christus heeft de Duitse geestelijke Adam van Bremen wat opmerkelijke dingen te zeggen over de zeden van de Zweden, die dan nog heidens zijn en beoogd voor kerstening. In Uppsala, zo heeft hij vernomen, staat een beroemde tempel met vergulde wanden en een grote gouden ketting eromheen. Ernaast staan onder meer uiterst heilige bomen aan wier takken op gezette tijden mannen en mannetjesdieren worden opgehangen. Hun bloed geldt als zoenoffer aan de goden.

Lees verder “Fricco”

Een joon te water

Tot ver in de Middeleeuwen werden in grote delen van Holland, Zeeland en West-Vlaanderen streektalen gesproken die meer op het toenmalige Fries leken dan wat er elders in de Lage Landen werd gesproken. Een duidelijke herinnering aan deze tijd is West-Friesland, de naam van een gebied ten noordoosten van Alkmaar. Maar het Friesachtige taalverleden van deze streken langs de Noordzee blijkt vooral uit de afwijkende klanken van menig woord en oordnaam. Eén daarvan zij joon, een eigenaardig visserswoord dat wel eens heel oud kon zijn.

Lees verder “Een joon te water”

Hauwer in de hoormaand

Aan namen voor de maanden is in de volkstaal van de Lage Landen geen gebrek geweest en december is misschien wel het meest gezegend, met onder meer hardmaand, heilmaand, hoormaand, windmaand, wintermaand en wolfmaand. Sommige daarvan hebben ook naar andere maanden verwezen en over het algemeen zijn ze doorzichtig en meteen te begrijpen, geen stokoude samenstellingen met onbekende woorden die door de eeuwen heen zo verbasterd zijn dat we enkel kunnen gissen naar hun betekenis en herkomst. Hier is alleen hoormaand het raadsel.

Lees verder “Hauwer in de hoormaand”

Amer

Zeer tevreden aanschouwde ik mijn vuur in de open herfstlucht. De haard was in dit geval de stronk van een omgezaagde dode berk in de tuin. In uitgraven had ik geen zin gehad. Opbranden zou het! Het vatte niet gemakkelijk vlam, want de wind was straf en ik spotte met brandbare vloeistoffen, maar mijn geduld werd uiteindelijk beloond met de hete gloed van één grote amer, om te spreken met een oud woord voor gloeiende houtskool en hete as – goed mogelijk een van de laatste Germaanse overblijfselen van een bijzondere, lang verloren vervoeging.

Lees verder “Amer”

Het god

God is voor velen een woord dat onlosmakelijk verbonden is met het christendom, maar het stamt uit de voorchristelijke, Germaanse wereld, toen het nog de vorm *gudą had. Tijdens de kerstening was het een van meerdere mogelijkheden die geestelijken hadden ter vertaling van Grieks theós. Van alle was het kennelijk het minst beladen met ongewenste heidense voorstellingen en opmerkelijk genoeg was het eerst een onzijdig woord. Zo wekt het bij terugblik gemakkelijk de indruk van een Germaanse tegenhanger van Latijn numen ‘het goddelijke’ en Japans kami ‘iets ontzagwekkends, goddelijks’. Lees verder “Het god”

Es ten hemel

Van een afstand zijn ze vaak niet bijster opvallend, maar kijk onder essen omhoog op een mooie lentedag en je ziet hun frisse geveerde bladeren tegen het licht afgetekend. Hoe kwalijk is het dan dat juist deze vertrouwde inheemse bomen sinds enkele jaren worden geteisterd door een genadeloze schimmel, met de akelige essentaksterfte als gevolg. We hoeven niet te wijzen op hun nut voor andere schepsels om met het ongeluk van essen begaan te zijn –hun innerlijke waarde is reden genoeg– maar het is nu meer dan ooit goed om na te gaan wat zij voor onze voorouders hebben betekend en waarom ze heten hoe ze heten. Lees verder “Es ten hemel”

De hemelse stam der Anzen

Het zijn de Anzen die volgens het oude Germaanse volksgeloof als godengeslacht en hoeders van de kosmische orde over Middenaarde heersen. In vroegere tijden, toen de verering van Woedan nog niet haar vlucht had genomen, werden zij beschouwd als de afgezanten en telgen van Tuw de Vader, die gehuld is in de diepblauwe mantel van het onmetelijke uitspansel. Van zulke aanzienlijke wezens verdient de naam, die vooral bekend is in zijn Oudnoordse vorm æsir, nu eens alle aandacht. En dat mag de nodige vruchten afwerpen. Lees verder “De hemelse stam der Anzen”

Een Germaanse winter

Also available in English.

Van alle takken aan de Indo-Europese taalboom beschikt de Germaanse als enige over een geheel eigen woord voor het koude jaargetijde. Waar de anderen een vorm van het oude hei-m- hebben, zoals Grieks kheîma ‘winter, winterweer, storm’, Oudiers gaim ‘winter’ en Oudindisch himá- ‘vorst, sneeuw, winter’ (ook in Himālaya), gebruiken de Germaanse talen allemaal een vorm van winter. Wat is hier aan de hand? Waar komt het vandaan? Hier volgt een frisse, nieuwe blik op een eigenaardig woord. Lees verder “Een Germaanse winter”