Anderbode

De lente mijn liefste is volop in gang en ik verheug mij op de malse groene wereld waarin ik mij straks weer bevinden zal. Het zijn zalige dagen voor ieder die de tijd neemt om werkelijk met aandacht te zien hoe bloem en blad tevoorschijn komen, ontvouwend als kunstige kleinoden volgens de regelmaat van de tauw. Met dat wonderbare schouwspel in de geest is ooit heel dichterlijk Anderbode bedacht, een jongensnaam die zoveel als ‘bloeiende knop’ of ‘bottende knop’ betekent. Lees verder “Anderbode”

Blank, wit en de greep op taal

Een woordenschat verandert gelijk de samenleving verandert met de komst van nieuwe zaken en mensen, het keren van zienswijzes en de voeling met andere talen. Het gaat allemaal vanzelf in de grote menselijke wisselwerking. Zo’n verloop valt nauwelijks te sturen en verzet tegen leenwoorden is al helemaal hopeloos. Dat is ongeveer de gedachtegang die heden heerst. Ze wordt echter gelogenstraft door een opmerkelijk gegeven: de inruiling van blank voor wit bij alle grote Nederlandse bladen en omroepen in zeer korte tijd. Lees verder “Blank, wit en de greep op taal”

Hoe het groeit

De werking van het wild is schoon en verschrikkelijk en—in wijde spannen—van de hoogste betrouwbaarheid. Volgens het alomwezige schikkende beginsel, de onderliggende orde die wij de tauw mogen noemen, gaat elke dag de zon over, kabbelt er zoet water in beken en richt bij rust een rijzige beuk zich op uit een nietige noot. Zo is het ook dat uit de aarde groen gras groeit en zo is het geen toeval dat die woorden op elkaar lijken. Want met groeien bedoelde men vroeger niet zomaar ‘groter worden’, maar iets dat vooral blad en spriet doen. Lees verder “Hoe het groeit”

Houd afstand van elkaar

De afgelopen dagen is bekend gemaakt hoe Nederland naar raad van het RIVM het coronavirus het hoofd gaat bieden. En dat is gebeurd in niet mis te verstane bewoordingen, zodat de ouderen onder ons het ook begrijpen. We gaan flatten the curve (de kromme afvlakken): ervoor zorgen dat het aantal besmettingen niet zo snel stijgt dat ons zorgstelsel overbelast raakt of zelfs bezwijkt onder ernstige gevallen. Naast goed en vaak de handen wassen bereiken we dit vooral—en het kan niet vaak genoeg gezegd worden—met social distancing (wijde omgang), oftewel afstand bewaren zodat we elkaar niet aansteken. Lees verder “Houd afstand van elkaar”

Bráhman en de Arische dichters

Het eeuwige, onveranderlijke, onvoorwaardelijke en immer in alles aanwezige beginsel van het bestaan—het zuivere bewustzijn als diepste en hoogste werkelijkheid—wordt in India al drieduizend jaar begrepen onder de naam Bráhman. In de oudste bronnen sloeg het woord echter op een zekere bezigheid van dichters, en over de eigenlijke betekenis zijn de meningen dan ook verdeeld, maar er lijkt in elk geval verband met het een en ander in de Germaanse talen, verre verwanten van het Oudindisch. Lees verder “Bráhman en de Arische dichters”

Reuen van weleer

Tegenwoordig bedoelen we er mannetjeshonden mee, maar vroeger sloeg reu op speurhonden en krachtige honden in het algemeen. Speurhonden—zij die met reuk jagen—waren dan ook een stuk groter en sterker dan nu en vermoedelijk zo gefokt om tegen oerossen, herten, beren en wilde zwijnen hun mannetje te kunnen staan en tevens als waak- en krijgshond te dienen. Een van deze kenmerken zal dan ook in het woord reu besloten liggen. Lees verder “Reuen van weleer”

Koorts

Hertenvlees—vroeg en vaak gegeten—verdrijft de koorts. Dat was de raad die Jacob van Maerlant zijn middeleeuwse lezers te bieden had in Der naturen bloeme. Deze Brugse geleerde bezat tevens enige kennis van woorden, dus wellicht had hij ons ook kunnen vertellen waar koorts nu eigenlijk vandaan komt. Voor zover bekend was hij de eerste die het te schrift stelde, ruim zeven eeuwen geleden, waarna het nog lange tijd alleen in het Nederlands en westelijk Nederduits bestond. Later is het door het Fries overgenomen, maar elders lijkt het nooit in gebruik te zijn geweest. Lees verder “Koorts”

Van de ziener en de woede

Gelijk de sjamanen van Siberië leefden er onder onze eigen voorouders zij die goddelijke kennis verwierven—ook over de toekomst—door het wild met diens vele tekenen waar te nemen en zich gebeurlijk in een toestand van vervoering te werken. Bij alle Indo-Europese volkeren waren zulke zieners en waarzeggers van groot belang en bovendien vaak in dichtkunst bedreven. De beste van deze was voor de oude Germanen niemand minder dan de eenoogde god Woen. Zijn naam, beter bekend in de oude vorm Wódan en de Oudnoordse evenknie Óðinn, is verwant aan woede doch heeft maar zijdelings met razernij te maken. Lees verder “Van de ziener en de woede”

Droevig verlangen

Het is jammer dat het edele jammer thans weinig meer dan een tussenwerpsel is. Eertijds verwees het als zelfstandig naamwoord naar verdriet, leed en ellende, maar ook naar het geweeklaag daarbij, zoals jammeren nog toont. Zo kon men zeggen dat iets een groot jammer is en zo noemde Vondel de heidense onderwereld eens de poel des jammers. Door verbindingen als dat is jammer kon het als een bijvoeglijk naamwoord opgevat worden en een tussenwerpsel worden, zoals Duits schade vanuit das ist Schade. Over de herkomst is te zeggen, in weerwil van sommige woordenboeken, dat jammer niet uit klanknabootsing maar uit schone beeldspraak is ontstaan. Lees verder “Droevig verlangen”

Een oud woord voor woest drasland

Met vormen als broel, bruul en briel in de Lage Landen en Brühl in Duitsland bestond er vroeger een woord dat verwees naar drassig laagland begroeid met kreupelhout, en ook oeverweiden waar bijvoorbeeld hout verhandeld werd—plekken die later marktpleinen werden. Volgens de gangbare opvatting gaat het woord langs het middeleeuws Latijn terug op Gallisch *brogilos en is dat afgeleid van brogis ‘gebied, land’. Een Keltisch woord dus, waarmee overigens ook de oordnaam Breugel verklaard zij. Doch bij nader inzien ligt de herkomst elders. Lees verder “Een oud woord voor woest drasland”

De groene troost

De winter met zijn natte kou is nog maar net op gang en ik kijk al reikhalzend uit naar mei, daar ik het groen verlang. De wisseling der jaargetijden is mij weliswaar duurbaar, doch de beste regen valt op een volte van verse bladeren, met de hemelse geur en klank van dien. Gelukkig is er altijd nog mos, dat zich in barre dagen wildzaam weert als een nesse vacht op alles roerloos. Op een bed van mos in het bos zou ik echt kunnen rusten. Lees verder “De groene troost”