Regen
De Hemel (Dyáus), het geweldige uitspansel, is een van de oudste godheden van de Indo-Europeanen. De Hemel is de Vader en, met de Aarde, de oorsprong van alles. Alle goden, Zon, Maan, Wind, Regen, Bliksem, Dageraad, en de rest, zijn kinderen van de Hemel. Dyáus omhult de Aarde en bevrucht haar met zijn zaad, dat wil zeggen, met regen.
Appels vallen
Er is een hoop wetenschappelijke vooruitgang geboekt met de buitengewoon scherpe waarneming dat appels vallen. Of beter gezegd: met het besef dat ze altijd recht omlaag vallen. Eind zeventiende eeuw vroeg de Engelse geleerde Isaac Newton zich namelijk af waarom ze niet evengoed zus of zo vielen. Wat was nu eigenlijk de aard van deze regelmatige ‘zwaartekracht’? Hij werkte daarop de nodige wetten uit en werd daarmee de grondlegger van de klassieke mechanica. Een sappig aanhangsel van dit verhaal is evenwel dat het vallen der appels mogelijk besloten ligt in het woord appel zelf.
Trouwe viervoeter
Also available in English.
Lang geleden, in een burcht in middeleeuws Frankrijk, leefde er een edel stel met hun pasgeboren zoon. Op een dag moesten zij kort op pad en lieten zij hem thuis achter onder de hoede van hun hond Guinefort. Toen de vrouwe terugkeerde was de schrik groot: de wieg was omgevallen en Guinefort besmeurd met bloed rond zijn bek. Op haar gillen kwam de heer binnengerend. De hond had hun kindje verslonden! De man trok zijn zwaard in razernij en hieuw in op Guinefort tot zijn laatste jank en adem. Maar het was daarna dat zij hun kleine zoon aantroffen, slapend en wel achter de wieg, en verderop een dode slang, verscheurd door Guinefort de beschermer.
Met groot berouw van deze daad begroeven ze hem in de waterput onder een grote hoop stenen en plantten ze daarnaast bomen ter nagedachtenis. Het duurde niet lang eer er mensen uit de omgeving het graf kwamen opzoeken en Guinefort als heilige zagen, hopend op wonderen.
Dit daverende dier
Aan paarden hebben wij onze taal te danken. Niet dat er ooit ergens in een weide een wijze hengst of merrie het woord schonk aan stomme tweevoeters. Wel dat het Indo-Europees –de voorloper van het Nederlands en de meeste andere Europese talen– zich zo wijd kon verbreiden omdat diens oorspronkelijke sprekers waarschijnlijk krijgshaftige, bekwame ruiters waren. Deze woonden aanvankelijk als veehoeders op het westereinde van de Steppe, waar zij wel als eerste mensen ooit op de ruggen van rossen waren geklommen, zo’n zesduizend jaar geleden.
Een mol komt op
De mol delft en verrijst waar het hem blieft, met zijn grote voorpoten. Hij is zich van geen kwaad bewust terwijl hij grasvelden ondermijnt en verminkt met gangen en hopen. Hij zal toch ergens moeten wonen en overtollige aarde ruilen voor frisse lucht? Het is me er eentje, en zijn naam ook. Hoezo heet hij eigenlijk mol?
Tijdeman
Er zijn van die namen die me lang dwarszitten. Niet vanwege de klank, maar omdat de gangbare duiding me niet kan overtuigen en ik het nalaat met een betere op de proppen te komen. Eén zo’n dwarse naam is Tijmen. Tot overmaat van ramp ken ik meerdere Tijmens om me hieraan te herinneren. Er bestaat in elk geval geen twijfel over dat Tijmen een samentrekking is van Tijdeman, een naam die alleen nog maar als achternaam voorkomt en zelf een samenstelling is met Tijde. Maar wat heeft Tijde te betekenen?
Finn
In de Oudengelse overlevering wordt verhaald van de Friese koning Finn, die meer dan anderhalf duizend jaar geleden ergens in de Friese landen zijn burcht heeft. Hij is gehuwd met Hildeburh, zuster van de Deense vorst Hnæf, die haar op een dag komt opzoeken met een gevolg van zo’n zestig man. Er breekt, kennelijk door oud zeer, een gevecht uit waarin zowel Hnæf als Finns zoon en de meeste van de Friezen worden gedood. Finn weet de boel te sussen en de Denen, nu onder het bevel van Hengest, hebben geen keuze behalve te blijven voor de winter. In de lente vertrekken ze, maar Hengest zint op wraak: ze keren terug en doden Finn en wat hij nog aan mannen had.
Dit is slechts een geringe samenvatting, maar er is zo veel te vragen over de volle toedracht en achtergrond van dit ooit beroemde gebeuren dat de Engelse schrijver en professor J.R.R. Tolkien er een heel boek mee kon vullen. In dit stuk zal ik echter kijken naar de naam Finn.
De kosmische orde
De Oppergod van het uitspansel is de schepper van de aarde en van de mens. Hij is de “vormer van alle dingen” en “Vader”. Hij schiep dingen zichtbaar en onzichtbaar, en hij is het die nog altijd de aarde vruchtbaar maakt. (…) Het begrip van de schepping is nauw verbonden met het begrip van een kosmische wet. Het uitspansel is het oerbeeld van alomvattende orde. De hemelgod waarborgt de voortzetting en ongrijpbaarheid van zowel de kosmische ritmes als de duurzaamheid van menselijke samenlevingen.
Han
Kwiek zij de mens die in mei de mooie plekken kent, waar het wast en woekert met zalig jong groen, waar een volle vacht van mals gras, fluitenkruid en wat niet al de hellingen hult en heerlijke, koele lucht door het lover stroomt. Glimpen van de oude noorder-oerwouden, die misschien ooit herleven in verlaten steden – over eeuwen of eerder. Het is met zoveel groen in onze wereld wat karig dat wij alleen vormen van groen hebben en geen andere woorden. Geen behoorlijk woord voor net dit levenslustige, frisse groen dat zo anders is dan het moeë, matte groen van de nazomer. En dus bedacht ik het woord han.
Dure spullen
Kostbaar en kunstig vervaardigd als ze waren, wapenrustingen waren in den ouden dagen aan weinig stervelingen besteed. Wie er niet een gesmeed kon krijgen of van zijn heer of vader mocht ontvangen moest er maar een van het slagveld zien te plukken of op andere wijze van een arme drommel overnemen. Een wapenrusting was ook niet slechts voor gebruik begeerd, om de zege te behalen, zij diende ook ter eer en weelde. Denk aan de beroemde held Béowulf, die weliswaar zijn koning en strijdmakkers verloor in een mislukte rooftocht in Friesland, maar volgens het verhaal wel mooi met dertig wapenrustingen in zijn armen naar zijn schip wist te ontsnappen. Voor dergelijk waardevol goed bestonden in het Oudgermaans meerdere woorden, zoals *hrustiz, *brunjōn en *gatawōz, maar wortelkundig het meest boeiend ware toch wel *sarwą.
Wij twee
Na een woelig leven van duizenden winters waren ze op het laatst waargenomen op de Noordfriese Waddeneilanden, waar ze halverwege de vorige eeuw een eenzame, stille dood stierven – vergeten en niet gemist, maar best een verlies. Ik heb het uiteraard over de Germaanse tweevoudsvormen. De taal van onze voorouders, zoals verwante en andere talen, had namelijk voornaamwoorden voor niet alleen enkele personen en meerdere personen, maar ook tweetallen, in dit geval voor ‘wij twee’ en ‘jullie twee’.