Dit daverende dier

Aan paarden hebben wij onze taal te danken. Niet dat er ooit ergens in een weide een wijze hengst of merrie het woord schonk aan stomme tweevoeters. Wel dat het Indo-Europees –de voorloper van het Nederlands en de meeste andere Europese talen– zich zo wijd kon verbreiden omdat diens oorspronkelijke sprekers waarschijnlijk krijgshaftige, bekwame ruiters waren. Deze woonden aanvankelijk als veehoeders op het westereinde van de Steppe, waar zij wel als eerste mensen ooit op de ruggen van rossen waren geklommen, zo’n zesduizend jaar geleden.

Lees verder “Dit daverende dier”

Tijdeman

Er zijn van die namen die me lang dwarszitten. Niet vanwege de klank, maar omdat de gangbare duiding me niet kan overtuigen en ik het nalaat met een betere op de proppen te komen. Eén zo’n dwarse naam is Tijmen. Tot overmaat van ramp ken ik meerdere Tijmens om me hieraan te herinneren. Er bestaat in elk geval geen twijfel over dat Tijmen een samentrekking is van Tijdeman, een naam die alleen nog maar als achternaam voorkomt en zelf een samenstelling is met Tijde. Maar wat heeft Tijde te betekenen?

Lees verder “Tijdeman”

Finn

In de Oudengelse overlevering wordt verhaald van de Friese koning Finn, die meer dan anderhalf duizend jaar geleden ergens in de Friese landen zijn burcht heeft. Hij is gehuwd met Hildeburh, zuster van de Deense vorst Hnæf, die haar op een dag komt opzoeken met een gevolg van zo’n zestig man. Er breekt, kennelijk door oud zeer, een gevecht uit waarin zowel Hnæf als Finns zoon en de meeste van de Friezen worden gedood. Finn weet de boel te sussen en de Denen, nu onder het bevel van Hengest, hebben geen keuze behalve te blijven voor de winter. In de lente vertrekken ze, maar Hengest zint op wraak: ze keren terug en doden Finn en wat hij nog aan mannen had.

Dit is slechts een geringe samenvatting, maar er is zo veel te vragen over de volle toedracht en achtergrond van dit ooit beroemde gebeuren dat de Engelse schrijver en professor J.R.R. Tolkien er een heel boek mee kon vullen. In dit stuk zal ik echter kijken naar de naam Finn.

Lees verder “Finn”

De kosmische orde

De Oppergod van het uitspansel is de schepper van de aarde en van de mens. Hij is de “vormer van alle dingen” en “Vader”. Hij schiep dingen zichtbaar en onzichtbaar, en hij is het die nog altijd de aarde vruchtbaar maakt. (…) Het begrip van de schepping is nauw verbonden met het begrip van een kosmische wet. Het uitspansel is het oerbeeld van alomvattende orde. De hemelgod waarborgt de voortzetting en ongrijpbaarheid van zowel de kosmische ritmes als de duurzaamheid van menselijke samenlevingen.

Lees verder “De kosmische orde”

Han

Kwiek zij de mens die in mei de mooie plekken kent, waar het wast en woekert met zalig jong groen, waar een volle vacht van mals gras, fluitenkruid en wat niet al de hellingen hult en heerlijke, koele lucht door het lover stroomt. Glimpen van de oude noorder-oerwouden, die misschien ooit herleven in verlaten steden – over eeuwen of eerder. Het is met zoveel groen in onze wereld wat karig dat wij alleen vormen van groen hebben en geen andere woorden. Geen behoorlijk woord voor net dit levenslustige, frisse groen dat zo anders is dan het moeë, matte groen van de nazomer. En dus bedacht ik het woord han.

Lees verder “Han”

Dure spullen

Kostbaar en kunstig vervaardigd als ze waren, wapenrustingen waren in den ouden dagen aan weinig stervelingen besteed. Wie er niet een gesmeed kon krijgen of van zijn heer of vader mocht ontvangen moest er maar een van het slagveld zien te plukken of op andere wijze van een arme drommel overnemen. Een wapenrusting was ook niet slechts voor gebruik begeerd, om de zege te behalen, zij diende ook ter eer en weelde. Denk aan de beroemde held Béowulf, die weliswaar zijn koning en strijdmakkers verloor in een mislukte rooftocht in Friesland, maar volgens het verhaal wel mooi met dertig wapenrustingen in zijn armen naar zijn schip wist te ontsnappen. Voor dergelijk waardevol goed bestonden in het Oudgermaans meerdere woorden, zoals *hrustiz, *brunjōn en *gatawōz, maar wortelkundig het meest boeiend ware toch wel *sarwą.

Lees verder “Dure spullen”

Wij twee

Na een woelig leven van duizenden winters waren ze op het laatst waargenomen op de Noordfriese Waddeneilanden, waar ze halverwege de vorige eeuw een eenzame, stille dood stierven – vergeten en niet gemist, maar best een verlies. Ik heb het uiteraard over de Germaanse tweevoudsvormen. De taal van onze voorouders, zoals verwante en andere talen, had namelijk voornaamwoorden voor niet alleen enkele personen en meerdere personen, maar ook tweetallen, in dit geval voor ‘wij twee’ en ‘jullie twee’.

Lees verder “Wij twee”

De rode haan, in de hens

Met het doven van de Germaanse dichtkunst zijn er in de Middeleeuwen naast verhalen en heerlijk klankenspel ook allerhande oude woorden verdwenen. Woorden die niet in alledaagse spraak gebruikt werden en daarom bijdroegen aan een gevoel van verheven ernst in de vertelling. Zo had het Oudnoords nog tientallen woorden voor ‘vuur’, maar heeft het Nederlands naast vuur en brand inmiddels alleen het wat platte fik, het merkwaardige hens en verbindingen als in vlammen en in lichterlaaie. Minder bekend, voor jongelui althans, is de rode haan.

Lees verder “De rode haan, in de hens”

Het kenmerk van kranen

Rank en zwierig beweegt de kraanvogel zich door Middenaarde, al wadend door waterig land en welbevlogen ter lucht, met onmiskenbare klanken en een dans als zulk een schouwspel dat men er vroeger voorbeeld aan nam. Grote wijsheid is hem toegedicht, en sluwheid evenzeer. Maar zijn eigenlijke naam kraan is hij jammerlijk kwijtgeraakt aan de levenloze dingen die naar hem vernoemd zijn. Hij moet het nu al jaren met de overbodige samenstelling kraanvogel doen.

Lees verder “Het kenmerk van kranen”

Daken in het drasland

Wie de weergoden niet wenst te verzoeken komt een heel eind met stro. Maar vooral met riet. Flans een flinke laag riet kundig op de spanten & gordingen en je blijft lang genoeg droog om je huis een heus heem te mogen noemen. Het sterke gestengelte houdt bovendien goed de warmte binnen des winters – en buiten des zomers. Te meer, als een blonde en later bruine vacht voegt het zich alleraardigst in het landschap. En zo is het al duizenden jaren gegaan, van Drenthe tot Japan.

Lees verder “Daken in het drasland”