Gelijk een vuist
Vuist is een hard woord gebleken. Zoals de gebalde hand zelve is het krachtig samengepakt, moeilijk uit elkaar te halen en heeft het voor de nodige hoofdpijn gezorgd. Voor diens herkomst zijn er uiteindelijk twee duidingen die om-en-om de bovenhand hebben in een gevecht om winst en waarheid. Nu is het wachten op die ene zet die de doorslag zal geven.
Een jas om het lijf
Ooit moesten onze verre voorouders in deze koele delen van Middenaarde genoegen nemen met grove dierenhuiden tegen het akel van kou en neerslag. Deze wat lompe en soms te warme bekledingen werden in latere tijden, bij kunste van naaien en weven, ingeruild voor hulsels fijner en fraaier, te weten jassen en mantels. Wanneer de eerste echte jassen in onze streken werden gebruikt is niet te zeggen –in elk geval in de Oudheid al– maar ons woord ervoor duikt pas laat op in de schriftelijke overlevering: jas in de vroege achttiende eeuw en het meer oostelijke, Nederduitse jes in de Late Middeleeuwen.
Wijkingen!
Hamar en Hađumund kijken op. Het zo kunstig gekorven schegbeeld van hun vaders schip steekt boven hun blonde koppen uit. Naast hen kraken de planken van de pier onder de voeten van ruwe mannen die één voor één aan boord gaan. De wind is gunstig en de tocht naar het zuiden kan beginnen, voor roof en roem en sterke verhalen bij de haard. Misschien dat de jongens volgend jaar mee mogen. Het jaar is 450 na Chr. en ze zijn Saksen.
Die bliksemse ekster
Het dierenrijk telt de nodige donderstenen, en eksters met hun bevallige verenkleed behoren daar stellig toe. Ze zijn nieuwsgierig op het drieste af, vormen jeugdbendes, pesten katten, kletsen zonder einde, doen soms stemmen na en worden al eeuwen gezien als dieven van alles glimmend en kostbaar. Hoewel dat laatste waarschijnlijk onterecht is stelen ze wel voedsel, ook van boeren en ook eieren uit de nesten van andere vogels. Een middeleeuws gezegde was dan ook de ekster een ei nemen (dan wel de ekster haar ei ontstelen), wat neerkomt op ‘de dief bestelen’. Tegenwoordig luidt het eenvoudiger stelen als een ekster. En het is die eigenschap die wellicht ook in hun naam besloten ligt.
De kleur van verstilling
In andere talen is het nooit aangetroffen, maar tot in de zeventiende eeuw bestemden dichters en schrijvers in de Lage Landen het geheimzinnige woord deluw voor een kleur die het midden houdt tussen vaal, flets, geelbleek, lijkbleek en loodkleurig. Het is in het bijzonder de onzalige tint van het verstillende gelaat en van ebbend leven uit mensen en bloemen.
Roet, maskers en geesten
Maskers, ze worden sinds mensenheugenis om verschillende redenen gedragen: van de struikrovers die tijdens hun bezigheden niet herkend wilden worden tot de edele krijgers die met een uitdrukkingsloos kunstgelaat hun gezicht beschermden en hun vijanden op het slagveld de stuipen op het lijf joegen. Maskers hebben algauw een vrij demonisch opzicht –zo betekent Latijn larva zowel ‘masker’ als ‘spook’– en men kan er zo de doden mee vertolken, of boze geesten. Hiervoor was een oude en eenvoudige wijze van maskering het zwart smeren van het gezicht met roet. Het is dan ook geen toeval dat de woorden mascara en masker zoveel op elkaar lijken.
Een oude taalgrens
Net als de volken die hen spreken kunnen de talen van onze wereld onopvallend van elkaar gescheiden zijn, dwars door het landschap als het gevolg van vele staatkundige spelingen van het lot, maar ook op nadrukkelijke, grootse wijze: door hoge bergen, brede wateren, wijde moeren en venen, en vooral vroeger ook uitgestrekte wouden vol wilde struikrovers en boze geesten, zoals het duistere Merkwede uit de Germaanse oudheid.
In het groene zuidoosten van Friesland is het al eeuwen een bescheiden stroom die enige afstand vrij keurig het Fries van het Nedersaksisch scheidt. Zijn naam laat dit ook mooi zien, want aan de ene kant heet hij de Tsjonger en aan de andere kant de Kuunder. Het ligt misschien niet voor de hand, maar eigenlijk is het één en dezelfde naam, stammend uit een tijd toen deze twee zustertalen nog niet vertakt waren uit het Oudgermaans en de stroom dus nog helemaal geen taalgrens was.
Ot
Na de Tweede Wereldoorlog, toen de ooit zo geliefde verhalen van Scheepstra en Ligthart over de speelmaatjes Ot en Sien het mikpunt van spot werden, raakte de naam Ot jammerlijk uit de gratie. Maar zoals dat vaker gaat met “ouderwetse” namen werd hij jaren later, in dit geval rond de eeuwwisseling, weer opgepikt door ouders die enig onderscheid voor hun kind zochten. Waarlijk weg is hij echter nooit geweest, versteend als hij is in de achternamen Otten en Ottens, eigenlijk ‘(zoon) van Ot’, terwijl de oudere vorm Otto al die tijd volop in trek is gebleven. En hoewel hij doorgaans wordt gezien als een wat gemangelde koosvorm van oudere, samengestelde Germaanse namen, gaat het hier waarschijnlijk om een geheel eigen naam – en woord! Dat wil zeggen, het betekent daadwerkelijk iets om een Ot te zijn.
Grommel
Wee de sterveling die overvallen wordt door onweer: een ontzagwekkende vertoning van mateloos hemelgeweld, een oerkracht gehuld in de mooiste wolken, druisend met druppen, beklonken met de klappen van het felste licht. Naar de volksverhalen van onze voorouders zijn deze donder & bliksem geboren uit de hamerslagen van een razende en krachtige god – zelf zonder omhaal ook Donder geheten. Doch algemeen als donder is, in delen van Groningen en Drenthe is een ander woord in gebruik, te weten grommel.
Verlossing
Het was een mooie ochtend toen ik mijn voordeur achter mij dichtdeed en op mijn gemak met het kettingslot van mijn fiets begon te klungelen. Ik had meer dan genoeg tijd om mijn bestemming te bereiken. Toch voelde ik plots enige haast, want in mijn ooghoek zag ik twee jongemannen aan komen lopen – beide keurig gekleed en met net kapsel. Bij elk hing een tas om de schouder. Mormonen! In een praatje had ik geen zin en ik probeerde sneller mijn slot eraf te krijgen, zodat ik mij uit de wielen kon maken. Maar het lukte niet en ik werd aangesproken.
De stapels die reuzen wrochten
Gestaag was de regen, steil de wandeling, in dit koele woudland vol beken en vallen en ranke sparren. Er klonk een spel van ruisend water en kwelende vogels die zich bezigden in de vroege lente. En toch leek het stil, zij het door vrede of voorbode. Na een uur of wat kwamen we uit bij een opener oord, mijn makker en ik. Een mist hing daar dik over de mossige rotsenbodem en het pad leidde verder opwaarts langs struiken en berken en ander jong loof. Al na enige stappen vonden we hetgeen we voor gekomen waren. De eerste stapel van geweldige stenen doemde op door de sluier. Hadden we een zonderling gezang gehoord, zacht en helder als uit een ander rijk, het had ons niet verbaasd. Maar het bleef stil en ik vroeg me af wat het volk hier in vroegere eeuwen over deze stapels dacht en had gehoord. En waarom men besloten had hen Käste te noemen.