Skanomodu
Op een gulden munt uit ongeveer 600 na Christus is in fraaie Germaanse ruinstaven het woord skanomodu te lezen. Over de betekenis zijn de meeste geleerden het wel eens en algemeen wordt aangenomen dat het hier om een Friese eigennaam gaat, waarmee het ook gelijk een van de oudste sporen van de Friese taal ware. Het is om deze reden dat onder andere de studievereniging van de opleiding Friese Taal en Cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen ernaar vernoemd is. Maar met het gevaar dit vriendelijke volk te grieven: met enig recht mogen we twijfelen aan de duiding van de naam en ons afvragen of hij ook echt Fries is.
Daam
Een daam is iedere hoedanigheid die de wereld voor een ervarende mens kan aannemen door een samenspel van beelden, klanken, geuren, smaken, gevoel, kennis, overtuigingen, herinneringen, verwachtingen, voorkeuren en gezelschap. Hij kan van tijd tot tijd en van ziel tot ziel verschillen en is vergelijkbaar met een sfeer of stemming, maar wordt des te inniger ervaren. Hoewel een daam niet hetzelfde is als een cultuur is hij wel cultuurgebonden, in de zin dat het ervaren van een beduidend andere cultuur vanzelf leidt tot het ervaren van een of meer andere damen.
Bottijd
Het is ieder voorjaar weer een groots en uitbundig schouwspel in de nog koele buitenlucht. Overal aan de stengels van bomen en andere gewassen ontvouwen en ontwikkelen zich op wonderlijke wijze bloemen en bladeren en ook nieuwe stengels, tot heel het land weer fris in groene schik is. En al deze pracht vindt haar oorsprong in die kleine, bescheiden knoppen – de beginselen van groei, van ontstaan en bestaan in het licht van deze oude Middelgaard.
Men pleegt ieder zulk bol buideltje ook wel een bot te noemen, of met een vergeten vorm van verkleining een bottel, zoals nog in rozenbottel. En dit bot is een waar kleinood, want met recht is te zeggen dat het hoort bij een zeer oude groep woorden die ook alles te maken hebben met het leven in de zuiverste zin, waaronder (ik) ben en Engels to be en body en ook Grieks phúsis ‘oorsprong, natuur’.
In de brand
Gim, hörfir, búði, dusill, feykir, bál, brísingr – het zijn slechts enkele van de tientallen dichterlijke woorden voor ‘vuur’ en ‘brand’ waar een IJslandse skáld in de Middeleeuwen over kon beschikken. Sommige waren toen al stokoud, kostbaar als edelstenen en al die eeuwen bewaard voor een welgeweven lied. Andere waren vermoedelijk nog niet zo lang voordien bedacht door dichters om in hun rijm te slagen. Zeldzaam onder deze vuurnamen is nertill, en bijzonder, want hetzelfde woord bestaat –of bestond– mogelijk ook in een enkele Nederlandse streektaal.
Gelijk een boom
Al hun kracht en pracht ten spijt, er is iets droefs aan het stille, gedragen bestaan van bomen. Ze hebben alles maar te harden, van rot en dorheid tot storm en strengheid, en zijn ten slotte weerloos als de bijlen komen bijten en de zagen komen rijten. De meesten met een kroon van bladeren zijn gedoemd die ieder jaar te verliezen, zij het waardig in weelde van kleuren. Hoe roerig het ook achter hun basten mag zijn, waar hun sappen vloeien, ze lijken maar lijdzaam te leven. Bomen treuren, is met enig recht te zeggen, en een treurend mens is als een boom gestemd.
Maf
Geloof het of niet, maar het zo gemeenzame maf behoort tot die ongelukkige rij woorden waar wortelkundigen weinig over te zeggen hebben. Het komt pas vanaf de vroege zeventiende eeuw op schrift voor en eerst in de betekenis ‘slap, flauw, krachteloos, suf’. Het is vandaar dat maffen ‘slapen’ is afgeleid, net zoals slap en slapen bij elkaar horen. Het werd vroeger ook zelfstandig gebruikt, voor sullen en dwazen, zoals in de uitdrukking iemand voor een/de maf houden. Uit lichte wanhoop –of misschien juist met overgroot vertrouwen– is wel voorgelegd dat maf een nevenvorm ware van muf, en anders een vermenging van laf met moe of mat. Een blik op de streektalen, aan beide zijden van de Noordzee, maakt dat weinig aannemelijk. Eerder is het van een geheel eigen stamboom.
Takken
Al is het een van de grovere grepen uit onze grote woordenschat, takkewijf spreekt toch wel tot de verbeelding. Ik stel mij zo voor: een kraakstemmig, krom bosvrouwtje dat heel de dag hout sprokkelt en al porrende met takken nieuwsgierige kinderen van haar gammele, mosbedekte huisje verjaagt en dan zuchtend en steunend de stenen paadjes weer hemelt met haar heksenbezem.
Wijf is al een weinig gunstige benaming, hoewel het ooit het gewone woord voor ‘vrouw’ was, maar het toevoegen van takke- maakt het des te vinniger. Het is ook te vinden in bijvoorbeeld takkemens en takkeweer en aldus zo goed als een voorvoegsel, vergelijkbaar met pokke- en grover spul. Van Dale stelt dat het een verbastering is van Frans attaque ‘aanval, beroerte’, maar dat valt te betwijfelen.
Lummelen bij de haard
Van de vele volksverhalen die de Noren rijk zijn gaan enkele van de bekendsten over een jonge knul genaamd Askeladden – av det han støtt satt og grov og raket i asken ‘omdat hij almaar zat te wroeten en rakelen in de as’. Er wordt van hem maar weinig verwacht, in tegenstelling tot zijn oudere broers Per en Pål, die beide op hun eigen wijze zeer bekwaam zijn. Maar als het erop aankomt blijkt juist hij de vernuftigste en moedigste te zijn en weet hij onder meer trollen te verslaan en de hand van de koningsdochter te winnen. Ook de Denen en Zweden kennen hem vanouds en verhalen zoals de zijne waren tevens bekend in de rest van de Germaanse wereld en daarbuiten.
Engels boy & Nederlands bui
Also available in English.
Er is in de Lage Landen geen ziel die niet bekend is met het Engelse woord boy ‘jongen’. Maar de meeste mensen zullen niet weten dat het vanouds ook bestond op het vasteland en bewaard is gebleven in onder meer het Gronings en het Fries. Daar is het dus niet ontleend aan het Engels, let u wel, maar meegekregen van de gemeenschappelijke, voorouderlijke taal: het Oudgermaans.
In het Gronings komt het voor in de vormen bòi, bui en buie. Het Fries kent boai, boi en boie, verkleind ook boaike en boike, en bovendien met verscherping poai, poaike en poike – die laatste drie niet alleen voor jongens maar ook kleine kinderen in het algemeen en zelfs veulens. Wat is de achtergrond van dit woord? En hoe verhoudt het zich tot Zweeds pojke ‘jongen’? Een lezer legde mij laatst deze vragen voor en ik doe graag een poging om het uit te zoeken.
Feng kold
Hoewel de wortelkundige graag van ieder woord de herkomst achterhaalt, kan het toch wel heel mooi zijn als er meer dan één mogelijkheid is en het raadsel nooit echt ontrafeld kan worden. Het woord behoudt dan een voller vermogen en is daarmee rijker van betekenis, met alle dichterlijke deugd van dien. Een mooi voorbeeld hiervan is Drents feng, dat wel te begrijpen is als ‘fel’ en ‘scherp’ en ook ‘doordringend’. Licht en ogen bijvoorbeeld kunnen feng zijn, de bek van een snoek is het zeker. En als land en lijf door vorst gebonden worden is het feng kold.
Saai
De klanken van woorden passen vaak goed bij hun betekenis. Of dat lijkt zo, want de geest kan de twee uiteraard maar moeilijk los van elkaar bedenken en ze hebben vandaar vanzelf invloed op elkaar. Dat is ook de reden waarom liefde zo vaak tot ‘mooiste woord’ wordt uitgeroepen, hoewel het –laten we wel wezen– niet bijzonder welluidend is. Maar in saai hebben klank en betekenis toch wel een goed huwelijk. Dat komt vast ook doordat het zo gemakkelijk gerekt kan worden om de verveling en Langeweile nog eens goed te benadrukken: saaaaaai… Is het dan zoals dat heet een klankschilderend woord? Nee, waarschijnlijk niet. Maar de herkomst die de woordenboeken voorstellen is ook niet overtuigend.