Maf
Geloof het of niet, maar het zo gemeenzame maf behoort tot die ongelukkige rij woorden waar wortelkundigen weinig over te zeggen hebben. Het komt pas vanaf de vroege zeventiende eeuw op schrift voor en eerst in de betekenis ‘slap, flauw, krachteloos, suf’. Het is vandaar dat maffen ‘slapen’ is afgeleid, net zoals slap en slapen bij elkaar horen. Het werd vroeger ook zelfstandig gebruikt, voor sullen en dwazen, zoals in de uitdrukking iemand voor een/de maf houden. Uit lichte wanhoop –of misschien juist met overgroot vertrouwen– is wel voorgelegd dat maf een nevenvorm ware van muf, en anders een vermenging van laf met moe of mat. Een blik op de streektalen, aan beide zijden van de Noordzee, maakt dat weinig aannemelijk. Eerder is het van een geheel eigen stamboom.
“Kom, boet!” zegt een van de slechteriken –een ruwe Zuid-Afrikaanse huurling genaamd Kruger– op een gegeven ogenblik vals-vriendelijk in het Afrikaans wanneer hij iemand zijn ruimteschip in wenkt. Ik denk: ha, boet, dat moet hetzelfde woord zijn als Gronings buit, een vriendelijk woord voor ‘jongen’. Tegelijkertijd hoor ik ook enkele rijen achter mij iemand zeggen: “haha, buit!” Niet veel later begint de huurling zachtjes Jan Pierewiet zingen.