Tongel

Weinig dingen zijn ouder dan de sterren. Zo oud zijn zij, dat al het leven in Middenaarde letterlijk van sterrenstof is gemaakt: de meeste hoofdstoffen, zoals de voor levensvormen zo belangrijke koolstof, zijn ooit ontstaan in de kern van sterren die inmiddels allang zijn vergaan. Het is dan ook betamelijk dat ster een van de oudste woorden is die we kennen en hebben.

Lees verder “Tongel”

Mijn en dijn

Telkens wanneer ik iemand de uitdrukking mijn en dijn hoor zeggen of zie schrijven vuurt mijn gemoed. Dijn ‘jouw’ is mij namelijk een welbemind oud woord, stammend uit een tijd dat du/dou ‘jij’ in het algemeen Nederlands nog niet door gij/jij was vervangen. De Scandinavische talen, het Duits, het Fries en ook het Gronings en het Limburgs gebruiken allemaal nog een vorm van du/dou en dijn.

Lees verder “Mijn en dijn”

Bondig

Waarom geniet het Engels bij Nederlanders zo vaak de voorkeur, in zang en handel en wat niet al, boven de eigen taal? Afgezien van het aanzien en de klanken komt dit misschien doordat het Nederlands doorgaans meer lettergrepen vergt dan het Engels. Alleen al het voltooid deelwoord met zijn ge- maakt het Nederlands betrekkelijk lang: vergelijk geboren met born.

De bondigheid van het Engels komt ook door het alleraardigste achtervoegsel -ed, dat zoveel betekent als ‘beschikkend over, in het bezit van, behept met’, terwijl wij het moeten zien te redden met aanvoegsels als ge–(d/t), be–(d/t) en -ig om datzelfde uit te drukken. Zo zeggen de Engelsen bijvoorbeeld horned waar wij gehoornd zeggen. Zij zeggen bearded en blue-eyed, wij gebaard/bebaard en blauwogig.

Lees verder “Bondig”

Lief

Vraag hier te lande iemand of deze een kleine zin in het Zweeds of Noors kent en al gauw klinkt er jeg elsker deg (Noors) of jag älskar dig (Zweeds)  – ‘Ik hou van jou.’ Die Scandinaviërs zouden zich ongetwijfeld een slechter visitekaartje kunnen voorstellen. Maar waarom onthouden Nederlanders vooral die zin? Het Hoge Noorden is voor de meesten hier toch niet echt het land van liefde en hartstocht. Al zullen velen zo’n kenmerkende Noorse hytte på fjellet –‘huisje in de bergen’– verdraaid romantisch vinden. Of wil de Nederlander domweg zijn beste zin gereed hebben, mocht hij ooit een mooie vrouw uit die streken tegen het lijf lopen?

Lees verder “Lief”

Een nieuwe Groninger spelling

De trouwe lezer weet dat ik mij het afgelopen jaar heb verdiept in het Gronings, oftewel het geheel van de Groninger streektalen. Mijn hoop is dat ik uiteindelijk zelf ook vloeiend Gronings zal kunnen. Waarom is dat, afgezien van mijn algemene belangstelling voor taal en talen? Wel, omdat ik in Groningen ben getogen en woon, en omdat mijn wortelen in deze streken liggen – die wil ik niet verloochenen. Doch ook omdat ik heb ontdekt dat ik het Gronings domweg aangenaam en bijzonder vind, zowel in klank als in woordenschat, al bestaan er wat mij betreft mooiere en minder mooie vormen van Gronings.

Lees verder “Een nieuwe Groninger spelling”

Saksemarken, land van de hoge helm en het rode schild

Ák skilu wí úse lond wera mith egge and mith orde and mith thá brúna skelde with thena stápa helm and with thene ráda skeld and with thet unriuchte hêrskipi.

(Ook zullen wij ons land verdedigen met zwaard en met speer en met het bruine schild tegen de hoge helm en tegen het rode schild en tegen de onrechte heerschappij.)

Deze koene belofte vinden wij in een wettelijk stuk uit Middeleeuws Friesland, in de Oudfriese tong. Een opmerkelijk dichterlijke benaming is de hoge helm en het rode schild, waarmee de Saksische ridders worden bedoeld, naar hun wapenrusting. Het waren de Saksen die van jaren her macht zochten te winnen over de Friese landen. Oude vijanden waren zij, zoals naburen vaak plegen te zijn. Het is niet de enige keer dat we deze benaming treffen. Zo lezen we in een ander stuk uit Laat-Middeleeuws Friesland het volgende:

Lees verder “Saksemarken, land van de hoge helm en het rode schild”

Òlle vörms

Een van de redenen waarom ik zo geboeid kan raken door de streektalen is omdat deze vaak vormen uit het Oudgermaans hebben bewaard die in de standaardtaal –het Algemeen Beschaafd Nederlands– inmiddels niet of nauwelijks meer voorkomen. Een voorbeeld hiervan zijn de meervoudsvormen in het Gronings.

Hoe verschilt het Groningse meervoud van het Nederlandse? Meer nog dan in het Nederlands krijgen Groningse woorden die –na een stomme e– eindigen op een l, r, m of n een s-meervoud. Zo heeft het Gronings steevast (eerd)appels, waar het Nederlands zowel (aard)appels als (aard)appelen kan hebben. En het Gronings heeft bijvoorbeeld moatregels waar het Nederlands enkel maatregelen kent. Maar het Gronings onderscheidt zich in meervoudsvormen vooral bij woorden die op -rm en -lm eindigen. Vergelijk Gronings in mien aarms met Nederlands in mijn armen, en met Engels in my arms(!). In het noorden woeden störms en geen stormen, en draagt men helms en geen helmen.

Lees verder “Òlle vörms”

Gewestelijke woorden

Een van de wijzen waarop een taal verandert is hoe haar klanken verschuiven in de uitspraak van haar sprekers. Zo is de welbekende Nederlandse tweeklank -ij- voortgekomen uit de oudere, lange eenklank ī van het Oudgermaans. Zegt men tegenwoordig rijmen, wijs en tijd, vroeger zei men rīmen, wīs en tīd. In sommige streektalen, zoals het Gronings, is die oude eenklank nog onveranderd gebleven.

Lees verder “Gewestelijke woorden”