Staven

wulfaharijaz

Ruim tweeduizend jaar geleden werd er in de Germaanse wereld een schrift ontwikkeld naar voorbeeld van dat wat bezuiden de Alpen in gebruik was. Onder de Germanen, die een zeer godsdienstig doch heidens wereldbeeld hadden, beschikten slechts enkelen over kennis van dit wonderlijke schrift en was het vandaar omgeven met voorstellingen van macht en toverkracht. Het enige schrift was ook gelijk een geheimschrift.

Een teken in dit schrift noemde men een *stabaz, terwijl de geheime gedachte of toverspreuk die men vast wou leggen een *rūnō heette. Het kerven van zo’n boodschap in deze tekens was het *wrītaną. Dat wil zeggen: de ingewijde was in staat een ruin in de vorm van staven (soms één enkele staf) in hout, steen of metaal te wrijten. Om verwarring met de nerven in het hout te voorkomen bevatte geen van de staven een liggende lijn. Bovendien waren ze zelfs bij draaiing en spiegeling niet met elkaar te verwarren, in tegenstelling tot bijvoorbeeld p en d of d en b.

Lees verder “Staven”

Advertenties

Haastige spoed – Over Tolkiens ‘The Fall of Arthur’

fallofarthur

Onze taal is haastig geworden: soepel en lenig, maar ook leeg van klank en niet zelden vaag en nietszeggend. Zeker in dichtvorm was de taal van onze voorouders langzaam, niet lenig. Zij was diep van klank en van een rijke, bondige zeggingskracht.

Zo sprak J.R.R. Tolkien eens in een lezing over het stafrijm, nu als slotstuk opgenomen in The Fall of Arthur. In het titelgedicht zet Tolkien zijn eigen woorden kracht bij: in gedragen stafrijm vertelt hij hoe de schemer viel over het rijk van koning Arthur.

Lees verder “Haastige spoed – Over Tolkiens ‘The Fall of Arthur’”

Dan nu het nieuws

Om mijn vermoeden te toetsen dat de Nederlandse taal zich bij uitstek voegt naar de cadans van het stafrijm, heb ik vanmorgen eens een eenvoudig experiment gedaan. Naar het voorbeeld van W.H. Audens Age of Anxiety – in het bijzonder de passage die inzet met ‘Now the news. Night-raids on.’ – stelde ik me de opgave om de hoofdpunten uit de ochtendkranten in deze vorm te gieten. Haar dreunende ritme is namelijk, zoals Audens verzen laten zien, bijzonder geschikt voor de bondigheid van nieuwsberichten. Vooral de mogelijkheid om lidwoorden weg te laten en een ‘telegramstijl’ te hanteren, biedt veel handvatten om de krachtige cadans van Oudengelse of Oudnoorse gedichten te benaderen. In combinatie met het gebruik van enkel de tegenwoordige tijd kun je bovendien een verre nagalm opvangen van het soort apocalyptische en visionaire verzen dat in de Völuspá (onderdeel van de Edda) overgeleverd is. Of mijn experiment geslaagd is laat ik aan de lezer over, maar ikzelf zou ‘s morgens de krant graag openslaan ware zij in deze vorm gesteld – al wordt het wereldgebeuren er bepaald niet vrolijker op.

Lees verder “Dan nu het nieuws”

Nibelungenlied – een bespreking

Wee uw vrije uren in dit najaar, want het Nibelungenlied is opnieuw vertaald; ditmaal door Jaap van Vredendaal, die eerder voor zijn rekening nam de Heliand, het vermaarde Oudsaksische heldendicht over Jezus.

Het Nibelungenlied, voor wie zich nu achter de oren krabt, is een Duits heldendicht dat rond het jaar 1200 door een onbekende is opgeschreven in het Middelhoogduits, de voorloper van het hedendaags Hoogduits. Het bijna tienduizend regels tellende rijmwerk wordt gezien als een van de pronkstukken van het Duitse erfgoed; het is een zeer voornaam voorbeeld van de christelijk ingegeven hoofse letterkunde van de middeleeuwen. Doch evenwel is het een nagalm van de Germaans-heidense houding van genadeloze en volstrekte wraak binnen een reeks van lotswendingen die leiden tot de doem van menig ziel. Het Nibelungenlied eindigt niet met “en zij leefden nog lang en gelukkig.”

Lees verder “Nibelungenlied – een bespreking”

Somber stafrijm

I suspect that it is a metre which is only suitable to rather sombre subjects.

Met deze woorden typeerde de Engelse dichter W.H. Auden eens de versvorm die de Engelsen alliterative verse noemen en bij ons stafrijm heet. Auden goot zijn lange verhalende gedicht The Age of Anxiety in deze vorm, die hij tot in de details beheerste. Dat het stafrijm hem juist voor zwaarmoedige onderwerpen geschikt leek, heeft ongetwijfeld te maken met haar oorsprong in de verhalenwereld van de Germanen. Met de zware cadans van het stafrijm lijkt iets van de heroïsche somberheid van de Germaanse ziel vervlochten, van de gemoedsstemming die Tolkien zo ontroerde in Oudengelse gedichten als Beowulf; het is de blik die het vallen ziet van de laatste nacht en toch door blijft strijden, de krijger die zijn trotse verzet niet laat breken door tegenstand, hoe onoverwinnelijk ook.

Lees verder “Somber stafrijm”

Eil en Alruin

In de negentiende eeuw werd in Frankrijk een hoogst belangwekkend walvisbenen kistje gevonden. Hoewel het toentertijd door een familie als naaidoos werd gebruikt, is het in de achtste eeuw na Christus in Northumbria (Engeland) gemaakt, ongetwijfeld voor meer plechtige doeleinden. Het kistje, thans bekend als de Franks Casket, is een en al versieringen, met taferelen die verwijzen naar verhalen uit de Germaanse, Romeinse en Bijbelse overlevering. Zo is op de voorkant de legende van Wieland de Smid uitgebeeld.

Lees verder “Eil en Alruin”

Dacht aan het diepe

Hwílum híe gehéton     æt hærg-trafum
wíg-weorþunga     wordum bædon,
þæt him gást-bona     géoce gefremede
wið þéod-þréaum.     Swylc wæs þǽw hyra,
hǽþenra hyht;     helle gemundon
in mód-sefan,     Metod híe ne cúþon,
dǽda Dēmend,     ne wiston híe Drihten God…

Bij wijlen boden zij    in gewijde huizen
eer aan afgoden,     uitten in woorden,
dat hen de zieldoder     hulp zou brengen
tegen het zeer des volks.     Zulks was hun gebruik,
hoop der heidenen;     hel bewaarden zij
in diep gemoed.     De Maker kenden zij niet,
de Dadenrechter,     ze wisten niet van Here God…

(Uit Beowulf, regels 175-81; eigen vertaling.)

Lees verder “Dacht aan het diepe”