Juten
Al ruim een eeuw wordt mijnheer diender met enige regelmaat en weinig vriendelijk juut genoemd, als eerste door schoffies in Amsterdam en Rotterdam. Het zou om een klanknabootsend woord gaan, verwijzend naar het fluitje waar de man vroeger op blies als de wet weer eens onmiddellijke handhaving vergde. Hij heeft immers ook tuut geheten. Heel overtuigend is deze duiding niet, alleen al omdat juut niet bijster goed de klank nabootst en kennelijk nergens in die hoedanigheid is opgeschreven. Maar waar komt het woord dan wel vandaan? Lees verder “Juten”
Winst met Engels
Nederland is groot geworden met handel en ontvankelijkheid en moet daarom niet te moeilijk doen over de verengelsing van het hoger onderwijs. Er valt immers goed geld mee te verdienen. Aldus werd onlangs betoogd door Jan Paternotte en Alexander Rinnooy Kan in NRC Handelsblad. Lees verder “Winst met Engels”
Herrend met de heerlijke stem
Hij was “de beroemdste zanger uit de Germaanse Oudheid”, een man wiens heldere stem als toonbeeld gold in de landen om de Oostzee en Noordzee tot ver in de heuvels van Beieren. Herrend luidt zijn naam in onze taal, ook wel Harrend, en naar hem is nog vele eeuwen menig man vernoemd in Zuid-Holland en Zeeland, waar hij volgens een van de overgeleverde verhalen gevochten heeft voor zijn oom en heer, op het inmiddels lang verdronken eiland Wulpen. Lees verder “Herrend met de heerlijke stem”
Alvader
In een ver, heidens verleden vereerden onze voorouders *Di̯ḗus ph2tḗr ‘Vader Hemel’, de Hoge God door wien de wereld geschikt wordt en wiens oog niets ontgaat. In latere, Germaanse dagen luidt zijn naam *Tīwaz en wordt hij vooral met recht en oorlog in verband gebracht. Na verder verloop van tijd en taal is hij als Týr bij de Scandinaviërs op de achtergrond geraakt en wordt Óðinn het voornaamst geacht, doch met de nodige hoedanigheden die eigenlijk bij Vader Hemel horen. Eén daarvan ligge besloten in de bijnaam Alfǫðr, die ogenschijnlijk ‘Alvader’ betekent, maar volgens de Amerikaanse geleerde Jackson Crawford ook anders te duiden is. Lees verder “Alvader”
Een stavenschat voor onze taal
Worden de oude ruinstaven niet uit schrik verloochend, dan drijven ze wel door gebrek aan nut uit ons bewustzijn. Dit schrift hoort in verschillende gedaanten nu eenmaal bij talen die hier niet meer leven. Wie het Oudgermaans machtig wordt kan er gelijk mee aan de slag, maar voor het Nederlands met diens afwijkende klanken zijn deze tekens niet geschikt. Daarvoor moeten ze eerst bijgewerkt worden, zoals de oude Engelsen en Friezen ooit deden. En zo is hier een Nederlandse stavenschat gewrocht. Lees verder “Een stavenschat voor onze taal”
Tekens, truien en treurige buien

Met klamme handen heeft de hema deze week ijlings een trui uit haar rekken getrokken vanwege een opdruk van runen, de Germaanse schrifttekens die tot in de middeleeuwen gangbaar waren in de Lage Landen en omstreken. Het taboe rust in dit geval met name op de ᛟ, omdat die kennelijk als zinnebeeld wordt gebruikt door slechte mensen. Wie dat mogen wezen doet er niet toe, want het mag nooit een reden zijn om dit kostbare talige erfgoed in de ban te doen. Lees verder “Tekens, truien en treurige buien”
Volk in vroegere dagen
Verreweg de meeste westerlingen belijden thans—al dan niet bewust—een vorm van staatsnationalisme, dat inhoudt dat staatsburgerschap bepaalt tot welk volk iemand behoort. Deze overtuiging deed haar intrede tijdens de bloedige Franse Revolutie vanuit de geest van vooruitgang. Voordien was volk gelijk aan afkomst en konden vorsten over (delen van) verschillende volkeren heersen. Die vorsten waren de nazaten van krijgsheren die in de oudheid macht hadden vergaard ten koste van stambelangen. En uit die eerdere tijd komen de twee Germaanse woorden voor volk: *þeudō en *leudiz. Lees verder “Volk in vroegere dagen”
Zwart goud
Vele, zo niet de meeste talen op Aarde danken gas aan de Vlaamse geleerde J.B. van Helmont, die het in de zeventiende eeuw vereenvoudigde uit chaos. Dat oorspronkelijk Griekse woord werd ruim een eeuw tevoren al door zijn grote Zwitserse voorbeeld Paracelsus gebruikt voor hetzelfde begrip. De vorm van gas maakt evenwel dat het gemakkelijk te verheemduiden is, in dit geval als ware het afkomstig van de wortel van gist, zoals dan ook een tijdje gemeend is. Met olie daarentegen valt niets te beginnen—als duidelijke ontlening blijft het een vlek op het water. Maar wat zouden we anders zelf bedacht kunnen hebben voor dit vettige spul? Lees verder “Zwart goud”
Een eigen spraak
Mensen hebben altijd in meerdere of mindere mate woorden uit andere talen overgenomen. We zijn een beetje als spreeuwen, die er goed in zijn andere vogels na te doen. Maar spreeuwen bewaren ondertussen wel gewoon hun eigen spraak, terwijl de onzen steeds meer op elkaar beginnen te lijken. Weliswaar groeit het verzet tegen het Engels, maar hoe zit het met al dat Grieks, Latijn en Frans in onze taal? Wat hebben we eraan poster te weren omwille van affiche? Hoezo hebben we voor veel zaken geen woord uit eigen borst? Daarom worden op Taaldacht voortaan gangbare, veelal onbetwiste leenwoorden verzameld en voorzien van bestaande of voorgestelde tegenhangers. Lees verder “Een eigen spraak”
Wild en zijn tegendeel
Kon ik twee woorden uit onze taal verbannen, dan zou ik tweemaal natuur kiezen. In het Latijn is het nagenoeg vanzelf ontstaan als nātūra naast onder meer nātus ‘geboren’ en nātiō ‘afkomst, stam, volk’, maar binnen het Nederlands is het een gekunstelde inlassing van elders, geheel niet in de geest van het begrip zelf. En dat terwijl we reeds over onze eigen, diepgewortelde woorden beschikken: de aard in de zin van het aangeborene, en het wild voor al dat zonder menselijk ingrijpen bestaat en gebeurt. Dat tweede woord helpt ons bovendien in het bedenken van een vervanging voor cultuur. Lees verder “Wild en zijn tegendeel”
Verering tussen de bomen
Het is nu nauwelijks voorstelbaar, maar ooit was heel het Avondland rijk aan heilige bossen en gewijde open plekken in wouden. Grieken, Romeinen, Kelten, Germanen, Balten en Slaven, allen vereerden zij goden te midden van de bomen, zoals de Japanners nog immer doen. Dus toen de Engelse zendelingen in de vroege middeleeuwen hun broedervolkeren de Friezen en Saksen kwamen kerstenen, hadden ze die ook weg te houden van sacrīs silvārum quae nimidas vocant, oftewel ‘woudheiligdommen die ze nimidas noemen’. Zo staat het geschreven in een achtste-eeuws lijstje van bijgeloven en heidense gebruiken, de zogenaamde indiculus superstitiōnum et pāgāniārum. Lees verder “Verering tussen de bomen”