Wat zijn Vlaanderen en Vlamingen nu eigenlijk?
Tegenwoordig verwijst Vlaanderen naar het gehele Nederlandstalige deel van België. Vroeger was het de naam van het graafschap dat ruwweg de huidige provincies West- en Oost-Vlaanderen omvatte, alsook Zeeuws- en Frans-Vlaanderen. Maar in de oudste geschriften die wij kennen, uit de achtste eeuw, sloeg het op een gouw die volgens de geschiedkundige Georges Declercq strekte van de IJzermonding in het zuidwesten tot net voorbij Brugge in het noordoosten. Deze pagus Flandrensis was, in de woorden van Declercq, een reusachtige schorrenvlakte die vooral voor schapenteelt geschikt was. Ook ertoe gerekend werd de zoom van de hogere zandstreek die eraan grensde, alwaar de meeste bewoning was.
Lees verder “Wat zijn Vlaanderen en Vlamingen nu eigenlijk?”
De herkomst van dog
Also available in English
De herkomst van het Engelse woord dog is al tijden een groot raadsel. Het heeft zich langs Middelengels dogge ontwikkeld uit Oudengels docga, waarna het spoor dood lijkt te lopen. Aanvankelijk verwees het vooral naar honden van grovere aard en werd het vaak geringschattend gebruikt, ook als een belediging naar mensen. Uiteindelijk verdrong het hound, dat in de zustertalen –zoals IJslands hundur, Noors hund, Duits Hund en Nederlands hond– nog steeds het algemene woord voor onze trouwe viervoeter is, en verspreidde het zich naar andere talen. Waar komt deze Engelse benaming vandaan? Een mogelijk antwoord ligt in de vergelijking met enige Nederlandse woorden.
Verborgen onder water, verborgen onder de grond
Toen Alarik, koning der Wisigoten, in 410 na Christus stierf tijdens zijn veldtocht, verlegden zijn mannen de loop van een stroom en lieten zij hun gevangenen in diens bedding een graf graven. Aldaar werd Alarik met veel eer en schatten te aarde besteld. Nadien werd de stroom hersteld en de delvers gedood, opdat het rustoord van hun heer geheim zou blijven. Zo werd anderhalve eeuw later verhaald door Jordanes, een Romein die zelf ook van Gotische afkomst was. Hij voegde toe dat een uitvaart als deze naar het gebruik van hun volk was. Wie weet wat er allemaal nog meer verstopt ligt onder de wateren van Middenaarde.
Lees verder “Verborgen onder water, verborgen onder de grond”
Staven

Ruim tweeduizend jaar geleden werd er in de Germaanse wereld een schrift ontwikkeld naar voorbeeld van dat wat bezuiden de Alpen in gebruik was. Onder de Germanen, die een zeer godsdienstig doch heidens wereldbeeld hadden, beschikten slechts enkelen over kennis van dit wonderlijke schrift en was het vandaar omgeven met voorstellingen van macht en toverkracht. Het enige schrift was ook gelijk een geheimschrift.
Een teken in dit schrift noemde men een *stabaz, terwijl de geheime gedachte of toverspreuk die men vast wou leggen een *rūnō heette. Het kerven van zo’n boodschap in deze tekens was het *wrītaną. Dat wil zeggen: de ingewijde was in staat een ruin in de vorm van staven (soms één enkele staf) in hout, steen of metaal te wrijten. Om verwarring met de nerven in het hout te voorkomen bevatte geen van de staven een liggende lijn. Bovendien waren ze zelfs bij draaiing en spiegeling niet met elkaar te verwarren, in tegenstelling tot bijvoorbeeld p en d of d en b.
Luisteren naar de baas
Het woord baas is een baas onder woorden: menig wortelkundige heeft er na enige worsteling zijn meerdere in moeten erkennen en de meeste woordenboeken houden het thans op “onbekende oorsprong” of “herkomst duister”. Het helpt ook niet dat het woord oorspronkelijk in een betrekkelijk klein taalgebied voorkwam, namelijk Holland, Friesland en Noord-Duitsland. Een verband met bazelen en verbazen behoort wel tot de mogelijkheden, maar de betekenissen lijken niet gemakkelijk te verzoenen. Misschien dat we baas kunnen verslaan en het raadsel ontwarren als we vergelijken hoe Fries heit ‘vader’ is ontstaan.
Beun
In het Noordnederlandse spraakgebied, en dan vooral in de Saksische streektalen, gebruikt men vanouds een vorm van het wonderschone woord beun. Afhankelijk van streek en tijd kan het naar allerhande verhogingen verwijzen –vaak van hout– zoals zolders, steigers, balkwerken en planken vloeren, maar ook naar zolderingen en het gehemelte. In delen van Drenthe is het tevens het woord voor de bultige, groene strook tussen de wagensporen, en de Drentse plaatsnaam Bunne zal op een verhoging in het land slaan. Ook in Duitsland bestaat het, in de Saksische streektalen van het noorden en in de algemene, Hoogduitse vorm Bühne. Wat valt er over de herkomst te zeggen?
Eerste vichtel Taaldacht
Er is enige reden tot vreugde, want Taaldacht bestaat sinds kort vijf jaar en heeft inmiddels aardig wat op haar kerfstok. Op de 26e van de 5e maand van 2010 verschenen hier de eerste, bescheiden stukjes over allerhande spraakzaken. Sindsdien is het een afwisseling geweest van drukke en minder drukke tijden en is de aandacht –ja taaldacht– meer en meer verschoven naar het wroeten tussen … Lees verder Eerste vichtel Taaldacht
Helinium, Elinium
Bijna tweeduizend jaar geleden, van 77 na Christus tot aan zijn dood twee jaar later, schreef de Romeinse geschiedkundige Plinius de Oudere zijn Naturalis Historia. In dit grote werk wist hij onder meer te vertellen dat het grote mondingsgebied van de Maas en de Waal in de Noordzee in zijn tijd Helinium heet. Dit was geen Latijnse naam, zoals u wellicht zou vermoeden, maar een gelatiniseerde vorm van een inheemse naam. Omdat er om en nabij deze streek zowel Kelten als Germanen woonden is het de vraag uit wier taal de naam kwam en wat hij betekende.
Het heeft zijn beste tijd had
Het voorvoegsel ge- is geen lang leven meer beschoren. Het is binnen het Germaanse taalgebied al eeuwen over zijn hoogtepunt heen en zal uiteindelijk ook grotendeels verdwijnen uit het Nederlands. Dat is althans wat ik al enige jaren verwacht. Dus toen Steven Hagers onlangs aan enkele mede-taalkundigen vroeg hoe het Nederlands over vijf eeuwen zal klinken en kennelijk geen van hen de teloorgang van dit voorvoegsel opperde, was ik ietwat verbaasd. Nu is mij geen lopend onderzoek naar de fut van ge- bekend en heden lijkt het nog immer stevig geworteld in onze taaltuin en die van onze oosterburen, maar het lijkt mij al met al een redelijke voorspelling. Hier volgen dan enkele redenen.
Fiets – een woord met diepe wortels
Er is over de herkomst van het woord fiets veel te doen geweest sinds de eerste betuigingen in 1870 te Apeldoorn en 1871 te Leeuwarden, in de vormen viets en fiets. Het zou een verbastering zijn van Frans vélocipède, het voordien gangbare woord in de Lage Landen; het zou om een klanknabootsing gaan; het zou van de achternaam van rijwielverhuurder Viets komen. Nee, enkele jaren geleden kwam dan de verlossing en zou het raadsel eindelijk zijn opgelost: fiets ware ontleend aan een korte vorm van een verloren gewestelijk Duits Vize-pferd ‘plaatsvervangend paard’. Hiermee werd algauw korte metten gemaakt, onder andere door de taalkundige Jan Stroop. De meest waarschijnlijke duiding werd honderd jaar geleden al gegeven en er valt nog altijd meer te vertellen over dit bijzondere, eigenzinnig-Nederlandse woord.
Toen het Nederlands wat Noorser klonk dan nu
Of: het verlies van lange medeklinkers in de Lage Landen
Wie eens aandachtig naar het Noors (of Zweeds) luistert zal niet alleen merken hoe zangerig het kan klinken, maar ook dat het wemelt van de lange medeklinkers. Noorse spelling sluit in dat opzicht beter bij uitspraak aan dan Nederlandse spelling dat doet. In Nederlands vallen bijvoorbeeld wordt de /l/ kort uitgesproken. In Noors falle daarentegen wordt de /l/ ook echt lang aangehouden. Luister maar. Duizend jaar geleden kende de voorloper van het Nederlands nog wel zulke lange medeklinkers: Oudnederlands fallan werd ook echt uitgesproken als fal-lan.