Wij twee

Na een woelig leven van duizenden winters waren ze op het laatst waargenomen op de Noordfriese Waddeneilanden, waar ze halverwege de vorige eeuw een eenzame, stille dood stierven – vergeten en niet gemist, maar best een verlies. Ik heb het uiteraard over de Germaanse tweevoudsvormen. De taal van onze voorouders, zoals verwante en andere talen, had namelijk voornaamwoorden voor niet alleen enkele personen en meerdere personen, maar ook tweetallen, in dit geval voor ‘wij twee’ en ‘jullie twee’.

Lees verder “Wij twee”

De rode haan, in de hens

Met het doven van de Germaanse dichtkunst zijn er in de Middeleeuwen naast verhalen en heerlijk klankenspel ook allerhande oude woorden verdwenen. Woorden die niet in alledaagse spraak gebruikt werden en daarom bijdroegen aan een gevoel van verheven ernst in de vertelling. Zo had het Oudnoords nog tientallen woorden voor ‘vuur’, maar heeft het Nederlands naast vuur en brand inmiddels alleen het wat platte fik, het merkwaardige hens en verbindingen als in vlammen en in lichterlaaie. Minder bekend, voor jongelui althans, is de rode haan.

Lees verder “De rode haan, in de hens”

Het kenmerk van kranen

Rank en zwierig beweegt de kraanvogel zich door Middenaarde, al wadend door waterig land en welbevlogen ter lucht, met onmiskenbare klanken en een dans als zulk een schouwspel dat men er vroeger voorbeeld aan nam. Grote wijsheid is hem toegedicht, en sluwheid evenzeer. Maar zijn eigenlijke naam kraan is hij jammerlijk kwijtgeraakt aan de levenloze dingen die naar hem vernoemd zijn. Hij moet het nu al jaren met de overbodige samenstelling kraanvogel doen.

Lees verder “Het kenmerk van kranen”

Daken in het drasland

Wie de weergoden niet wenst te verzoeken komt een heel eind met stro. Maar vooral met riet. Flans een flinke laag riet kundig op de spanten & gordingen en je blijft lang genoeg droog om je huis een heus heem te mogen noemen. Het sterke gestengelte houdt bovendien goed de warmte binnen des winters – en buiten des zomers. Te meer, als een blonde en later bruine vacht voegt het zich alleraardigst in het landschap. En zo is het al duizenden jaren gegaan, van Drenthe tot Japan.

Lees verder “Daken in het drasland”

Een jas om het lijf

Ooit moesten onze verre voorouders in deze koele delen van Middenaarde genoegen nemen met grove dierenhuiden tegen het akel van kou en neerslag. Deze wat lompe en soms te warme bekledingen werden in latere tijden, bij kunste van naaien en weven, ingeruild voor hulsels fijner en fraaier, te weten jassen en mantels. Wanneer de eerste echte jassen in onze streken werden gebruikt is niet te zeggen –in elk geval in de Oudheid al– maar ons woord ervoor duikt pas laat op in de schriftelijke overlevering: jas in de vroege achttiende eeuw en het meer oostelijke, Nederduitse jes in de Late Middeleeuwen.

Lees verder “Een jas om het lijf”

Die bliksemse ekster

Het dierenrijk telt de nodige donderstenen, en eksters met hun bevallige verenkleed behoren daar stellig toe. Ze zijn nieuwsgierig op het drieste af, vormen jeugdbendes, pesten katten, kletsen zonder einde, doen soms stemmen na en worden al eeuwen gezien als dieven van alles glimmend en kostbaar. Hoewel dat laatste waarschijnlijk onterecht is stelen ze wel voedsel, ook van boeren en ook eieren uit de nesten van andere vogels. Een middeleeuws gezegde was dan ook de ekster een ei nemen (dan wel de ekster haar ei ontstelen), wat neerkomt op ‘de dief bestelen’. Tegenwoordig luidt het eenvoudiger stelen als een ekster. En het is die eigenschap die wellicht ook in hun naam besloten ligt.

Lees verder “Die bliksemse ekster”

Roet, maskers en geesten

Maskers, ze worden sinds mensenheugenis om verschillende redenen gedragen: van de struikrovers die tijdens hun bezigheden niet herkend wilden worden tot de edele krijgers die met een uitdrukkingsloos kunstgelaat hun gezicht beschermden en hun vijanden op het slagveld de stuipen op het lijf joegen. Maskers hebben algauw een vrij demonisch opzicht –zo betekent Latijn larva zowel ‘masker’ als ‘spook’– en men kan er zo de doden mee vertolken, of boze geesten. Hiervoor was een oude en eenvoudige wijze van maskering het zwart smeren van het gezicht met roet. Het is dan ook geen toeval dat de woorden mascara en masker zoveel op elkaar lijken.

Lees verder “Roet, maskers en geesten”

Ot

Na de Tweede Wereldoorlog, toen de ooit zo geliefde verhalen van Scheepstra en Ligthart over de speelmaatjes Ot en Sien het mikpunt van spot werden, raakte de naam Ot jammerlijk uit de gratie. Maar zoals dat vaker gaat met “ouderwetse” namen werd hij jaren later, in dit geval rond de eeuwwisseling, weer opgepikt door ouders die enig onderscheid voor hun kind zochten. Waarlijk weg is hij echter nooit geweest, versteend als hij is in de achternamen Otten en Ottens, eigenlijk ‘(zoon) van Ot’, terwijl de oudere vorm Otto al die tijd volop in trek is gebleven. En hoewel hij doorgaans wordt gezien als een wat gemangelde koosvorm van oudere, samengestelde Germaanse namen, gaat het hier waarschijnlijk om een geheel eigen naam – en woord! Dat wil zeggen, het betekent daadwerkelijk iets om een Ot te zijn.

Lees verder “Ot”

Skanomodu

Op een gulden munt uit ongeveer 600 na Christus is in fraaie Germaanse ruinstaven het woord skanomodu te lezen. Over de betekenis zijn de meeste geleerden het wel eens en algemeen wordt aangenomen dat het hier om een Friese eigennaam gaat, waarmee het ook gelijk een van de oudste sporen van de Friese taal ware. Het is om deze reden dat onder andere de studievereniging van de opleiding Friese Taal en Cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen ernaar vernoemd is. Maar met het gevaar dit vriendelijke volk te grieven: met enig recht mogen we twijfelen aan de duiding van de naam en ons afvragen of hij ook echt Fries is.

Lees verder “Skanomodu”

Bottijd

Het is ieder voorjaar weer een groots en uitbundig schouwspel in de nog koele buitenlucht. Overal aan de stengels van bomen en andere gewassen ontvouwen en ontwikkelen zich op wonderlijke wijze bloemen en bladeren en ook nieuwe stengels, tot heel het land weer fris in groene schik is. En al deze pracht vindt haar oorsprong in die kleine, bescheiden knoppen – de beginselen van groei, van ontstaan en bestaan in het licht van deze oude Middelgaard.

Men pleegt ieder zulk bol buideltje ook wel een bot te noemen, of met een vergeten vorm van verkleining een bottel, zoals nog in rozenbottel. En dit bot is een waar kleinood, want met recht is te zeggen dat het hoort bij een zeer oude groep woorden die ook alles te maken hebben met het leven in de zuiverste zin, waaronder (ik) ben en Engels to be en body en ook Grieks phúsis ‘oorsprong, natuur’.

Lees verder “Bottijd”