Gherualke, cranohari met gër

Al enkele jaren vroeg ik mij af welke roofvogel de schrijver van het wetboek van de Beieren, de Lex Baiuwariorum uit de jaren veertig van de achtste eeuw, zou hebben bedoeld met cranohari. Volgens Köbler betekent dit woord ‘Kranichadler’. Arend moet echter in het Oudhoogduits aro zijn, want geen van de n-stammen heeft een -i in de nominatief enkelvoud in het Oudhoogduits. Het ligt daarom voor de hand om hier uit te gaan van een afleiding van Oudhoogduits kranuh met het suffix –āri, ontleend aan Latijn –ārius. Daarmee worden nog steeds nomina agentis gevormd met de uitgang –er, –aar. Ik zou cranohari daarom interpreteren als ‘kraanvogelvanger’, zoals het Franse lévrier ‘hazenvanger’ en ons sperwer ‘mussenvanger’ moet betekenen.

Lees verder “Gherualke, cranohari met gër”

Lind

De meeste Germaanse namen zijn van oudsher een samenstelling van twee naamstammen, oftewel woorden die uit gewoonte gebruikt worden voor het samenstellen van een naam.  Zo is de naam Herman niets anders dan een (licht verbasterde) samenstelling van heer ‘heerschare, leger’ en man, en betekent Herman zoveel als ‘krijger, soldaat’. Van de meeste naamstammen is de betekenis vrij duidelijk, maar in sommige gevallen tasten we ietwat in het duister.

Een van die geheimzinnige naamstammen is lind, die tegenwoordig jammer genoeg bijna uitsluitend nog voorkomt in Linde en Linda, vleivormen van namen die op -lind eindigen. Wat betekent lind nu eigenlijk als we het tegenkomen in een naam?

Lees verder “Lind”

De wedewees

In het jaar van Onze Heer 1393 maakt Karel VI van Frankrijk de blits op het bal. De koning, niet geheel onterecht bekend als Karel de Waanzinnige, voert met vijf edelen een bijzonder vermakelijke dans op, want de heren zijn verkleed als wilde bosmannen. Geheel gehuld in pakken van linnen, hars en vlas lijken ze van top tot teen behaard. Zelfs het gezicht is bedekt, en zo weten de toeschouwers niet dat de koning zelf daar huilend als een wolf opgaat in zijn rol. Omdat de pakken zeer brandbaar zijn worden toortsen op afstand gehouden. Doch één toorts komt toch te dichtbij en binnen enkele tellen vatten alle zes dansers vlam. De koning wordt gered door de vijftienjarige hertogin van Berry die schielijk haar grote rok over hem werpt. Een andere danser weet zich te doven in een ton met water, maar voor de overige vier is het gauw te laat: zij worden levend verbrand. Het toch al schamele vertrouwen van het volk in de koning wordt er niet groter op, na dit bal des ardents (‘bal der brandenden’).

Lees verder “De wedewees”

Nibelungenlied – een bespreking

Wee uw vrije uren in dit najaar, want het Nibelungenlied is opnieuw vertaald; ditmaal door Jaap van Vredendaal, die eerder voor zijn rekening nam de Heliand, het vermaarde Oudsaksische heldendicht over Jezus.

Het Nibelungenlied, voor wie zich nu achter de oren krabt, is een Duits heldendicht dat rond het jaar 1200 door een onbekende is opgeschreven in het Middelhoogduits, de voorloper van het hedendaags Hoogduits. Het bijna tienduizend regels tellende rijmwerk wordt gezien als een van de pronkstukken van het Duitse erfgoed; het is een zeer voornaam voorbeeld van de christelijk ingegeven hoofse letterkunde van de middeleeuwen. Doch evenwel is het een nagalm van de Germaans-heidense houding van genadeloze en volstrekte wraak binnen een reeks van lotswendingen die leiden tot de doem van menig ziel. Het Nibelungenlied eindigt niet met “en zij leefden nog lang en gelukkig.”

Lees verder “Nibelungenlied – een bespreking”

Gársecg

Hoe’n ontzag zou de grote, open zee bij onze ere voorouders hebben gewekt, in een tijd dat schepen bijna niet van boten te onderscheiden waren? Hoe vreselijk en verschrikkelijk moet de zee wel niet zijn geweest in hun voorstelling. Roerend als de baren van dit onvergeeflijke en onmetelijke ruim zullen de geruchten zijn geweest over hetgeen voorbij. Niet groot kan dan de verrassing zijn dat men vroeger menig naam had voor de zee, voor het wilde haf.

Lees verder “Gársecg”

De spinnende godin

De godinnennaam Tanfana blijft mijn gemoed beheersen. Ontevreden met de twee duidingen die ik in mijn vorige stuk gaf ben ik andere mogelijkheden gaan overwegen. En zo ben ik op een duiding gekomen die mij aannemelijker voorkomt. Waar ik de naam aanvankelijk voor een afleiding hield, gelijk velen voor mij, houd ik er nu rekening mee dat hij eerder een samenstelling is. Dat verandert de zaak.

Lees verder “De spinnende godin”

Bij volle maan gevierd

In de negende maand van het jaar 9 na Christus leden de Romeinen een verpletterende nederlaag tegen een groot verbond van Germaanse stammen. In een slag die drie dagen duurde werden drie legioenen tezamen met hun hulptroepen volledig vernietigd na een verrassingsaanval in het Teutoburgerwoud. Naast meer dan twintig duizend Romeinse soldaten waren ook de drie adelaars, de veldtekens van de legioenen, verloren gegaan. Het was voor Rome een ramp en een vernedering.

Lees verder “Bij volle maan gevierd”

Als een hobber verholen

It was on a summer’s day, and he was sitting by the window in the study at Northmoor Road, laboriously marking School Certificate exam papers. Years later he recalled: ‘One of the candidates had mercifully left one of the pages with no writing on it (which is the best thing that can possibly happen to an examiner) and I wrote on it: “In a hole in the ground there lived a hobbit”. Names always generate a story in my mind. Eventually I thought I’d better find out what hobbits were like. But that’s only the beginning.’

(Uit: J.R.R. Tolkien: A Biography, door Humphrey Carpenter)

Lees verder “Als een hobber verholen”

Over het wilde haf

Overvloedig in zeemansspraak is onze taal. Veel uitdrukkingen die men daags en onbewust gebruikt stammen uit de beste tijd van zeilen en masten en golven. Hoe kan het dan dat onze taal maar anderhalf woord voor ‘zee’ kent? Er is zee en er is meer, welk zijn oude deelbetekenis ‘zee’ thans nagenoeg heeft verloren. Er is uiteraard nog oceaan, maar dat is, hoe mooi een woord het ook mag zijn, niet eigen. En er zijn nog verbindingen als het ruime sop, die flink aan dichterlijkheid hebben ingeboet, voor zover ze die ooit bezaten. Soms wordt de zee nog wel het blauw genoemd, maar zo’n benaming zal altijd een afgeleide blijven.

Lees verder “Over het wilde haf”