Het heeft zijn beste tijd had

Het voorvoegsel ge- is geen lang leven meer beschoren. Het is binnen het Germaanse taalgebied al eeuwen over zijn hoogtepunt heen en zal uiteindelijk ook grotendeels verdwijnen uit het Nederlands. Dat is althans wat ik al enige jaren verwacht. Dus toen Steven Hagers onlangs aan enkele mede-taalkundigen vroeg hoe het Nederlands over vijf eeuwen zal klinken en kennelijk geen van hen de teloorgang van dit voorvoegsel opperde, was ik ietwat verbaasd. Nu is mij geen lopend onderzoek naar de fut van ge- bekend en heden lijkt het nog immer stevig geworteld in onze taaltuin en die van onze oosterburen, maar het lijkt mij al met al een redelijke voorspelling. Hier volgen dan enkele redenen.

Lees verder “Het heeft zijn beste tijd had”

Toen het Nederlands wat Noorser klonk dan nu

Of: het verlies van lange medeklinkers in de Lage Landen

Wie eens aandachtig naar het Noors (of Zweeds) luistert zal niet alleen merken hoe zangerig het kan klinken, maar ook dat het wemelt van de lange medeklinkers. Noorse spelling sluit in dat opzicht beter bij uitspraak aan dan Nederlandse spelling dat doet. In Nederlands vallen bijvoorbeeld wordt de /l/ kort uitgesproken. In Noors falle daarentegen wordt de /l/ ook echt lang aangehouden. Luister maar. Duizend jaar geleden kende de voorloper van het Nederlands nog wel zulke lange medeklinkers: Oudnederlands fallan werd ook echt uitgesproken als fal-lan.

Lees verder “Toen het Nederlands wat Noorser klonk dan nu”

Stuivende draken of het draaien van betekenis

Ik zal iets van zestien zijn geweest toen mijn zussen en ik bij onze grootouders op bezoek waren in hun rietgedekte huisje op het Drentse land. Mijn lieve oma, een statige lange vrouw met ouderwetse opvattingen, kwam de keuken uitlopen en speurde om zich heen. “Heeft iemand mijn sletje gezien?” Mijn ogen werden groot en dwaalden af naar mijn zussen, hoewel ze niet aan de beschrijving voldeden. “Ik kan mijn sletje nergens vinden!”

Lees verder “Stuivende draken of het draaien van betekenis”

De zin en onzin van het zinwoord

Er zijn wonderlijke vragen en zaken die een wakend mens plagen. Zoals: Waar verblijven slakken des winters? Hoe maakt men eigenlijk spiegels? Wat beweegt mensen tot snelwandelen? En waarom zeggen wij waaghals, dwingeland en brekebeen, en niet halswager, landdwinger en beenbreker? De eerste drie raadsels kunnen wij in Taaldacht (nog) niet oplossen. Maar die schaamteloos omgedraaide woorden, dat zijn zogenaamde zinwoorden, en daar valt misschien wat over te zeggen.

Lees verder “De zin en onzin van het zinwoord”

Wattan?

Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan? Dat zij een van de leuzen van taal, als taal leuzen had. Zolang het de boodschap niet schaadt kan er in uitspraak en zelfs op schrift vaak wat weggelaten of vereenvoudigd worden, want taal wendt zich vaak over de weg van de minste weerstand. Zo heeft het Nederlands zijn naamvallen verloren en zo kunnen wij ook de zogenaamde samentrekking begrijpen. Veel mensen zeggen of schrijven bijvoorbeeld niet volledig hoe is het, maar hoest. In sommige gevallen heeft men niet in de gaten dat een woord eigenlijk een samentrekking is, laat staan waaruit. Een bekend voorbeeld is misschien, eigenlijk mag schien ‘kan gebeuren’. (De -d- in geschieden is een latere invoeging.) Andere voorbeelden zijn vreten, eigenlijk vereten, en verorberen, eigenlijk veroorbaren.

Lees verder “Wattan?”

Zijdigheden

Enkele jaren geleden had ik in een kroeg een redetwist met zuster en zwager. Onderwerp was het woord hamster. Ik meende zo uit het achterhoofd te weten dat dit onzijdig is, dus: het hamster. De een bestreed dit, de ander viel mij bij. Op het einde liep het uit de hand: glazen en stoelen gingen over en weer, tafels werden gekanteld en rode hoofden spraken vloeken uit. Of zo had het kunnen gaan. Wel heb ik na de bewuste avond mijn ongelijk erkend: het is de hamster, want vrouwelijk. Mogelijk dat woorden als konijn mij hadden behekst.

Lees verder “Zijdigheden”

Meer soals froeger

Een van de eigenaardigheden van het Nederlands is het schrijven van v- en z- waar de zustertalen f- en s- hebben. Onze taal heeft bijvoorbeeld zoeken en vinden, tegenover Fries sykje en fine, Noors søke en finne, Engels seek en find en Duits suchen en finden. Onze spelling volgt daarmee een klankverschuiving die zich in de Middeleeuwen in delen van de Lage Landen heeft voltrokken: toen de oorspronkelijke Germaanse klanken [f] en [s] aan het begin van veel woorden veranderden in [v] en [z]. Maar deze ontwikkeling is de laatste eeuw weer aan het omdraaien, waardoor het niet onredelijk zij om binnen afzienbare tijd, hoe gek het nu ook mag lijken, over te gaan op spellingen als soeken en finden.

Lees verder “Meer soals froeger”

Heimwee naar gisteren

Jungfrau door Albert Bierstadt (1830-1902)

Het woord nostalgie danken we aan een Zwitserse arts. Patiënten van Johann Jakob Harder (1656-1711) leden aan een vorm van heimwee. In veldtochten ver van de Alpen kwijnden ze weg; ze genazen pas weer in het aanzicht van hun geliefde bergen. Omdat een beetje geleerde zijn termen uit het Grieks haalde, smeedde Harder nóstos ‘behouden thuiskomst’ en álgos ‘pijn’ samen tot nostalgie. Later weekte het woord los van de medische wereld en kreeg het onze betekenis: heimwee naar gisteren.

Lees verder “Heimwee naar gisteren”

Te ontsnappen

Wat rest de ziel die zich alleen en ontheemd en vervreemd voelt in deze nieuwe wereld? Wat noodt de mens die nu genoegen moet nemen met slechts glimpen van zijn ware thuis, die bitterzoete aandenkens? Hoe handelt hij die heimwee heeft naar een tijd en streek die wellicht nooit volledig heeft bestaan, maar nu verder weg lijkt dan ooit? Ergens wacht het op mij, een glooiend land met mals groen gras en stokoude bossen vol beuken en eiken en andere bomen, en gevaarlijke paden, met wanderend wild en warme huizen, en ook volk met wien ik wortels deel. Daar te komen zij de overledene gegund, na de lange slaap, maar ieder die hier nog adem haalt moge de verbeelding bezoeken om –al is het maar voor even– te ontsnappen.

Lees verder “Te ontsnappen”

Burenspraak

Onlangs heb ik met genoegen het tweede deel gekeken van Bron / Broen (‘De brug’), een pakkende misdaadreeks waarin de Deense Martin Rohde en de Zweedse Saga Norén noodgedwongen samenwerken om ijverige moordenaars op te sporen in het gebied van Kopenhagen en Malmö en op de brug daartussen. Opvallend in deze en dergelijke beeldverhalen: de Denen spreken Deens tegen de Zweden en de Zweden spreken Zweeds tegen de Denen. En dat gaat best goed. Ik vraag me dan ook af waarom wij Nederlanders en Vlamingen er geen gewoonte van maken Nederlands te spreken tegen Duitsers en zij Duits tegen ons.

Lees verder “Burenspraak”

Piekeren

Het kasteel van Batavia, geschilderd door Andries Beekman, ca. 1656

Sommige woorden doen zo vertrouwd aan dat we er gemakkelijk vanuit gaan dat ze inheems zijn. Piekeren is zo’n woord. Op het eerste gezicht valt het nauwelijks uit de toon tussen oer-Hollandse werkwoorden als kietelen en kieperen. Maar als we even over de grenzen kijken, vinden we verrassend weinig verwanten. In de ons omringende landen wordt heel wat af gebroed en gerumineerd, maar van piekeren is weinig sprake.

Lees verder “Piekeren”