Een oud woord voor woest drasland

Met vormen als broel, bruul en briel in de Lage Landen en Brühl in Duitsland bestond er vroeger een woord dat verwees naar drassig laagland begroeid met kreupelhout, en ook oeverweiden waar bijvoorbeeld hout verhandeld werd—plekken die later marktpleinen werden. Volgens de gangbare opvatting gaat het woord langs het middeleeuws Latijn terug op Gallisch *brogilos en is dat afgeleid van brogis ‘gebied, land’. Een Keltisch woord dus, waarmee overigens ook de oordnaam Breugel verklaard zij. Doch bij nader inzien ligt de herkomst elders. Lees verder “Een oud woord voor woest drasland”

De Steenpuist

Aanschouw de nieuwste aanwinst van mijn stad: het Forum Groningen. Groots was de loftuiting toen het vorige maand dan eindelijk geopend werd na 14 jaar en een luttele 140 miljoen euro. Het is bedacht als “huiskamer van de stad”, een ruimte voor bezigheden en tentoonstellingen en tevens de nieuwe huisvesting van onder meer de openbare bibliotheek en het fijnere filmtheater. De weerstand onder de bevolking is vanaf het begin groot geweest, maar nu staat het bouwwerk er toch en rijst de vraag: welke bijnaam hebbe dit ding? Lees verder “De Steenpuist”

Herrend met de heerlijke stem

Hij was “de beroemdste zanger uit de Germaanse Oudheid”, een man wiens heldere stem als toonbeeld gold in de landen om de Oostzee en Noordzee tot ver in de heuvels van Beieren. Herrend luidt zijn naam in onze taal, ook wel Harrend, en naar hem is nog vele eeuwen menig man vernoemd in Zuid-Holland en Zeeland, waar hij volgens een van de overgeleverde verhalen gevochten heeft voor zijn oom en heer, op het inmiddels lang verdronken eiland Wulpen. Lees verder “Herrend met de heerlijke stem”

Alvader

In een ver, heidens verleden vereerden onze voorouders *Di̯ḗus ph2tḗr ‘Vader Hemel’, de Hoge God door wien de wereld geschikt wordt en wiens oog niets ontgaat. In latere, Germaanse dagen luidt zijn naam *Tīwaz en wordt hij vooral met recht en oorlog in verband gebracht. Na verder verloop van tijd en taal is hij als Týr bij de Scandinaviërs op de achtergrond geraakt en wordt Óðinn het voornaamst geacht, doch met de nodige hoedanigheden die eigenlijk bij Vader Hemel horen. Eén daarvan ligge besloten in de bijnaam Alfǫðr, die ogenschijnlijk ‘Alvader’ betekent, maar volgens de Amerikaanse geleerde Jackson Crawford ook anders te duiden is. Lees verder “Alvader”

Volk in vroegere dagen

Verreweg de meeste westerlingen belijden thans—al dan niet bewust—een vorm van staatsnationalisme, dat inhoudt dat staatsburgerschap bepaalt tot welk volk iemand behoort. Deze overtuiging deed haar intrede tijdens de bloedige Franse Revolutie vanuit de geest van vooruitgang. Voordien was volk gelijk aan afkomst en konden vorsten over (delen van) verschillende volkeren heersen. Die vorsten waren de nazaten van krijgsheren die in de oudheid macht hadden vergaard ten koste van stambelangen. En uit die eerdere tijd komen de twee Germaanse woorden voor volk: *þeudō en *leudiz. Lees verder “Volk in vroegere dagen”

Zwart goud

Vele, zo niet de meeste talen op Aarde danken gas aan de Vlaamse geleerde J.B. van Helmont, die het in de zeventiende eeuw vereenvoudigde uit chaos. Dat oorspronkelijk Griekse woord werd ruim een eeuw tevoren al door zijn grote Zwitserse voorbeeld Paracelsus gebruikt voor hetzelfde begrip. De vorm van gas maakt evenwel dat het gemakkelijk te verheemduiden is, in dit geval als ware het afkomstig van de wortel van gist, zoals dan ook een tijdje gemeend is. Met olie daarentegen valt niets te beginnen—als duidelijke ontlening blijft het een vlek op het water. Maar wat zouden we anders zelf bedacht kunnen hebben voor dit vettige spul? Lees verder “Zwart goud”

Een eigen spraak

Mensen hebben altijd in meerdere of mindere mate woorden uit andere talen overgenomen. We zijn een beetje als spreeuwen, die er goed in zijn andere vogels na te doen. Maar spreeuwen bewaren ondertussen wel gewoon hun eigen spraak, terwijl de onzen steeds meer op elkaar beginnen te lijken. Weliswaar groeit het verzet tegen het Engels, maar hoe zit het met al dat Grieks, Latijn en Frans in onze taal? Wat hebben we eraan poster te weren omwille van affiche? Hoezo hebben we voor veel zaken geen woord uit eigen borst? Daarom worden op Taaldacht voortaan gangbare, veelal onbetwiste leenwoorden verzameld en voorzien van bestaande of voorgestelde tegenhangers. Lees verder “Een eigen spraak”

Wild en zijn tegendeel

Kon ik twee woorden uit onze taal verbannen, dan zou ik tweemaal natuur kiezen. In het Latijn is het nagenoeg vanzelf ontstaan als nātūra naast onder meer nātus ‘geboren’ en nātiō ‘afkomst, stam, volk’, maar binnen het Nederlands is het een gekunstelde inlassing van elders, geheel niet in de geest van het begrip zelf. En dat terwijl we reeds over onze eigen, diepgewortelde woorden beschikken: de aard in de zin van het aangeborene, en het wild voor al dat zonder menselijk ingrijpen bestaat en gebeurt. Dat tweede woord helpt ons bovendien in het bedenken van een vervanging voor cultuur. Lees verder “Wild en zijn tegendeel”

Verering tussen de bomen

Het is nu nauwelijks voorstelbaar, maar ooit was heel het Avondland rijk aan heilige bossen en gewijde open plekken in wouden. Grieken, Romeinen, Kelten, Germanen, Balten en Slaven, allen vereerden zij goden te midden van de bomen, zoals de Japanners nog immer doen. Dus toen de Engelse zendelingen in de vroege middeleeuwen hun broedervolkeren de Friezen en Saksen kwamen kerstenen, hadden ze die ook weg te houden van sacrīs silvārum quae nimidas vocant, oftewel ‘woudheiligdommen die ze nimidas noemen’. Zo staat het geschreven in een achtste-eeuws lijstje van bijgeloven en heidense gebruiken, de zogenaamde indiculus superstitiōnum et pāgāniārum. Lees verder “Verering tussen de bomen”

Het heilige eiland

Zonderling prijkt het hoge Helgoland boven de baren van de Duitse bocht, verder uit de kust dan de Waddeneilanden. Hoewel gehavend door oorlog, zware stormvloeden en ingrijpende bouw, is het afgelegen oord nog altijd indrukwekkend met zijn witlijnige, rode rotswanden. Heilig was het ooit en wel een kern in de handel van barnsteen, dat gretig werd afgenomen door verre zuiderlingen. Zo hadden de Grieken ook mythologische voorstellingen over een barnsteeneiland bij de monding van een noordwestelijke stroom genaamd Ēridanos, waar de zonnedochters wenen. Lees verder “Het heilige eiland”

Oudheid aan de Noordzee

Het moet een wonderlijke en tegelijk ontnuchterende tocht zijn geweest voor de Griekse ontdekkingsreiziger Pythéas, toen hij ruim 2300 jaar geleden noordwaarts naar de wereld van tin en barnsteen voer, lang voor de mars der Romeinen. Gedreven door nieuwsgierigheid zou hij getrouw beschrijven wat daar nu eigenlijk te vinden was achter de mist van geruchten en sterke verhalen. Brittannië bezocht hij, ook de Orkneyeilanden, en kennelijk zelfs het verre IJsland. Doch voor ons in de Lage Landen telt vooral zijn verwijzing naar de Metuonis, waarschijnlijk de lange kuststreek van Vlaanderen tot de kop van Jutland. Lees verder “Oudheid aan de Noordzee”