Haastige spoed – Over Tolkiens ‘The Fall of Arthur’

fallofarthur

Onze taal is haastig geworden: soepel en lenig, maar ook leeg van klank en niet zelden vaag en nietszeggend. Zeker in dichtvorm was de taal van onze voorouders langzaam, niet lenig. Zij was diep van klank en van een rijke, bondige zeggingskracht.

Zo sprak J.R.R. Tolkien eens in een lezing over het stafrijm, nu als slotstuk opgenomen in The Fall of Arthur. In het titelgedicht zet Tolkien zijn eigen woorden kracht bij: in gedragen stafrijm vertelt hij hoe de schemer viel over het rijk van koning Arthur.

Lees verder “Haastige spoed – Over Tolkiens ‘The Fall of Arthur’”

Vergeten woorden herzien

Ruim anderhalf jaar geleden gaven wij een lijst uit van vergeten woorden, te weten woorden die ergens tussen het Oudgermaans en het hedendaags Nederlands verloren zijn gegaan. Sommige van deze zijn heel alledaags, sommige hoogst dichterlijk. Voor veel zaken bestonden vroeger twee of meer woorden. Dit hoge aandeel van evenwoorden en de hoe dan ook bijzonder rijke woordenschat konden ontstaan en standhouden ten gevolge van … Lees verder Vergeten woorden herzien

Raag

De aanblik van een gebergte waarvan de besneeuwde toppen zich hoog boven de wolken verheffen, de beschrijving van een razende storm, of de schildering van het rijk van de hel door Milton wekken behagen op, maar gepaard met huivering (…).

Uit:
Opmerkingen over het gevoel van het schone en het verhevene
(1763, vertaling door Ike Kamphof)

Aldus spreekt de Duitse wijsgeer Immanuel Kant in een van zijn vroegere werken. Hij onderscheidt hier het verhevene van het schone. Beide vervoeren ons tot hogere gevoelens, maar het verhevene grijpt ons aan, terwijl het schone ons bekoort. Het verhevene moet altijd groot en eenvormig zijn, het schone kan klein en druk en getooid zijn. In zijn latere werk zou hij hier nog veel verder over uitweiden.

Lees verder “Raag”

Little, nameless, unremembered

Hoewel de onlangs verschenen opening van Peter Jacksons Hobbit-trilogie de nodige Hollywood-clichés bevat, zijn sommige scènes het overdenken waard . Zo spreekt Gandalf de Grijze op zeker moment de volgende woorden:

I’ve found it is the small things, everyday deeds of normal folk, that keep the darkness at bay — simple acts of kindness and love.

Lees verder “Little, nameless, unremembered”

Over hobbits en azalea’s

Op het vorige week gehouden poëziefestival in Rotterdam werd liefhebbers de kans geboden in het bijzijn van een dichter, een vertaler en andere belangstellenden, een aantal gedichten te vertalen. Nou ben ik niet erg vertrouwd met het onherbergzame landschap der moderne poëzie, maar de mogelijkheid om een aantal van deze  bijeenkomsten bij te wonen wilde ik niet mislopen. Vertalen, en in het bijzonder het vertalen van scheppend, dichterlijk taalgebruik, heb ik altijd de beste manier gevonden om mijn beheersing van bron- en doeltaal bij te schaven.

Lees verder “Over hobbits en azalea’s”

Verloren in vertaling

Poëzie is wat verloren gaat bij het vertalen. Dat was althans de mening van de Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963). Het is een veelgehoorde opvatting, en niet zonder reden: meer nog dan prozaschrijvers, spelen dichters voortdurend met de ritmes en bijzondere beelden, gedachten, en subtiele associaties van woorden. Wie kan bijvoorbeeld zonder de dreunende, monotone klank van het woord ‘tomorrow’, Macbeths beroemde klacht ‘Tomorrow, and tomorrow, and tomorrow’ vertalen?

Lees verder “Verloren in vertaling”

Het oude hoge pad

Liefde maakt blind: wie heeft de woorden nooit toegeworpen gekregen door een vriend of familielid? Het is een van de grote leugens uit onze taal. Liefde maakt niet blind. Haat maakt blind. Angst maakt blind. Wanhoop maakt blind. Liefde opent juist de ogen. Wie denkt dat een verliefde verblind wordt door een rooskleurige blik op de werkelijkheid, zou de rake woorden van de Britse dichter Thomas Traherne (1637-1674) ter harte kunnen nemen: ‘When we dote upon the perfections and beauties of some one creature, we do not love that too much, but other things too little. Never was anything in this world loved too much.’

Lees verder “Het oude hoge pad”

Aan de overkant

De Engelsman J. A. Russell schreef in 1939 een bijzonder lezenswaardige en geenszins gedateerde verhandeling over de Nederlandse dichtkunst, getiteld Dutch Poetry and English. Voor iemand die onze letteren met liefde en aandacht beziet, een zeldzaamheid onder Britse critici, maakt hij wel een aantal verbluffend verwoestend opmerkingen over het Nederlands. Op de eerste pagina is het meteen raak:

Dutch is definitely a literature of fluctuating inspirations and minor realizations, in no sense greater than the language (about the uncouthness and terrors of which people on this side of the North Sea seem to be altogether of one mind).

De Nederlandse literatuur kenmerkt zich bovenal door onbestendige inspiratie en beperkte prestaties. Zij stijgt nauwelijke uit boven een taal die ons, aan de overzijde van de Noord-Zee, voorkomt als een onbeschaafde, afschrikwekkende gruwel.

Lees verder “Aan de overkant”