Het gedrang der kruiden
Er zijn weinig plekken waar ik liever ben dan daar waar het wild zijn gang kan gaan in mei op vochtige, veie grond, liefst glooiend en hellend, met bomen die ruim het licht doorlaten. Overal gedijt het dicht en groen: met mals gras en zaailingen; met netels en daslook; zevenblad, ereprijs en muur; kleefkruid, speenkruid, fluitenkruid, ga zo maar door. Gelukkig ken ik in mijn omgeving zulk noordelijk oerwoud. Het is een volheid vervat in het woord kruid. Lees verder “Het gedrang der kruiden”
Moeders maand
Te mei raakt Middelgaard weer eindelijk in volle tooi. Alom ontvouwt zich het verste groen onder welkome, lessende regen. Moeder Aarde zingt haar mooiste klanken, de vogels leggen eieren—wie goed luistert hoort meiklokjes beieren. Het schikt dat Moederdag voor ons in deze mooie maand valt: het wil dat moeder en mei wellicht een oorsprong delen. Lees verder “Moeders maand”
Een rover tussen vos en wolf
Niet ver van het gehucht Hongerige Wolf in het oosten van Groningen zag ik twee jaar geleden iets zandgrijs wegschieten langs een akker: te groot voor een kat, te klein voor een wolf. Het kwam destijds niet in me op, maar het had best een goudjakhals kunnen zijn, want die is onlangs op beeld gevangen in het noorden van Groningen. Dit oprukkende dier verdient een betere naam. Lees verder “Een rover tussen vos en wolf”
De een zoals de ander
Door scheiding komt verscheidenheid: een wordt een en ander en vandaar de vele zaken en wezens die er zijn—met verschillen en gelijkenissen. Zulk is de tauw, de ondoorgrondelijke schikking des bestaans. Door scheiding zijn ook tegenhangers, tweelingen en andere evenbeelden mogelijk, een waarheid die vervat zij in enkele oude, onderling verwante woorden en namen, waaronder Latijn geminus, Oudnoords Ymir en Fries Jimme. Lees verder “De een zoals de ander”
Goed taalgebruik is onderdrukking
In de Middeleeuwen had zowat iedereen een eigen spraak en spelling—voor zover die kon schrijven—al nam men voorbeeld aan anderen. Later kwamen er regels en een algemene taal, vanuit voorschrijving van het juiste. Nu houden taalkundigen zich meer bezig met beschrijving van het gangbare, hoewel de meeste mensen waarde blijven hechten aan maatstaven en zoiets als goed taalgebruik. Maar volgens de nieuwste opvattingen is dat onderdrukking. Lees verder “Goed taalgebruik is onderdrukking”
Zelfheid in de nieuwe wereld
Wat maakt wie wij zijn en hoe wij ons onderscheiden van anderen? Wat telt? Wordt dat beslist? En door wie dan? Zou het anders moeten? Net als eerdere zielen in deze wereld—misschien wel meer—is de 21ste-eeuwse mens in de greep van vragen als deze, bewust of niet. Het is het tijdloze vraagstuk van identiteit oftewel zelfheid. Lees verder “Zelfheid in de nieuwe wereld”
Strijd is bittere ernst
In het jaar 1066 kwam de wijkingtijd voorgoed ten einde toen een Noors leger van vele duizenden zielen op Engelse bodem werd verrast en verslagen in wat in eigen taal een orrosta genoemd werd. Dat Oudnoordse woord voor ‘veldslag, strijd’ staat te boek als van onbekende herkomst maar blijkt goed te begrijpen als een evenknie van ons eigen ernst. Lees verder “Strijd is bittere ernst”
Aarden
Wij wezen als het ware welverworteld wanneer wij aarden, gedijend als een boom. En ieders aard is als de grond der daden in het leven. Dan moeten aard en zijn afleiding aarden wel iets met aarde maken hebben. En toch verschillen ze geheel van herkomst, wat aan hun Duitse evenknieën Art en Erde nog te merken is. Laat ons hier dan wroeten in het verleden van met name aard. Lees verder “Aarden”
Adders zijn nadders
Op het Dwingelderveld in Drenthe zijn alweer de eerste mannetjesadders van het jaar verschenen, ontwaakt uit hun winterslaap om te warmen in de zon. In tegenstelling tot die andere twee inheemse slangen—de ringslang en de gladde slang—is de adder giftig en zo nog ietwat gevaarlijk voor zwakkere mensen. De naam is ook bijzonder, want hoort eigenlijk nadder te luiden en is verwant aan naaien. Lees verder “Adders zijn nadders”
Het varen van de ziel
Toen de zendelingen in de Germaanse wereld te werk gingen zochten zij in de volkstaal een woord ter vertaling van het Griekse psūkhḗ en het Latijnse anima voor dat onstoffelijke en onsterfelijke deel van de mens volgens de blijde boodschap. Het werd *saiwalō, de voorloper van ziel, een woord dat kennelijk vrij van al te heidense voorstellingen was. Over de diepere oorsprong is lang getwist, maar nieuwe overwegingen zijn onthullend. Lees verder “Het varen van de ziel”
Onder hoede van de hemelse tweeling
Hoe zou hier heden een heidendom in hoge beschaving eruitgezien hebben, als het herontstaan ware of nooit verdwenen? Licht voorstelbaar zijn vredig omboste hoven van kunstige houten wijhuizen met gulden smuk onder rieten dak—waardige tegenhangers van zulke plechtige doch eenvoudige oorden als Ise Jingū in Japan. En wellicht zou op veel gevels een opvallend beeld prijken: een tweetal gekruiste paardenkoppen. Lees verder “Onder hoede van de hemelse tweeling”