Lytse Brintasêge
Er was eens een boer in Friesland en zijn naam was Brint, zoon van Bronger. Kloek en hardwerkend was hij, maar de winters waren bitter en zijn leven bescheiden. Brint kreeg een zoon en noemde hem Brint, en deze was net als zijn vader, maar had meer geluk en vergaarde grote weelde in zijn leven. Zo goed ging het hem af dat iedereen in de wijde omtrek het huis der Brinta kende. Hun telgen wonnen invloed en land, maar vielen in scherp geschil met de mannen van het huis Jorna, over het recht op enkele lappen grond.
Laat u niet goken
Weinig dieren zijn zo doortrapt als de koekoek. De vrouwtjes, vaak met hulp van de mannetjes, leggen ongezien hun eieren in de nesten van andere (soorten) vogels. Hun jongen komen eerder uit het ei dan die van de ‘pleegouders’ en ze groeien ook nog eens sneller. Vervolgens eisen ze de meeste aandacht om zich goed vol te laten stoppen. De meeste koekoeksjongen volgen bovendien de aangeboren neiging om de echte eieren of jongen uit het nest te werken. Het is allemaal zeer listig en gemeen en het is dan ook geen toeval dat de oudere naam van de koekoek, gook, verwant is aan woorden voor verberging en bedrog.
O dennenboom
Wie een kerstboom in huis haalt kiest meestal voor een fijnspar. Deze kaarsrechte naaldboom wordt al meer dan een eeuw gekweekt in de Lage Landen, maar is van nature beperkt tot de koudere en hogere delen van het Avondland, waaronder Noorwegen, Zweden, Rusland en de Alpen. Het is enkel in de ruimste zin van het woord een den of dennenboom: wel lid van de famílie der dennen, niet van het kleinere geslácht der dennen, dat we vooral kennen van de inheemse, vaak kromme grove den.
Nu wil het dat de naam fijnspar vrij jong is en als samenstelling bovendien wat kleurloos. En dat terwijl onze oosterburen het duizenden jaren oude Fichte gebruiken. Gelukkig bestaat er vanouds een Nederlandse evenknie die wij zo weer op kunnen pikken: vucht. Dit woord duikt in de zestiende eeuw voor het eerst op in Nederlandse geschriften.
Kjelbergen
Of: het bedenken van namen voor in een verhalenwereld
Wee de gekken die het in hun hoofd halen een hele wereld voor hun verhalen te verzinnen, met overtuigende namen voor alle landen, oorden, bergen, wateren en wezens die men erin mag vinden. Meest geslaagd ware nog altijd de oefening van J.R.R. Tolkien. Velen hebben zijn voorbeeld gevolgd, met goede en minder goede vruchten, al zijn er in de Lage Landen bij mijn weten nog maar weinig echte pogingen gewaagd. Daar wil ik al jaren verandering in brengen, getuige de aanwas van aantekeningen en schetsen die mijn laden en harde schijf inmiddels kennen.
Òl nak
Also available in English.
Schapen worden al een tijdje gehouden in de Lage Landen. Het oudste ras van West-Europa, het ranke Drents heideschaap, kwam hier al zesduizend jaar geleden voor, genoegzaam grazend en blatend. Het is echter opmerkelijk dat ons woord voor dit wollebeest niet zo heel oud lijkt te zijn: schaap moet tamelijk laat zijn gevormd bij schaven dan wel scheppen. Het oorspronkelijke woord is ooi, maar dat verwijst sinds vele eeuwen enkel naar het wijfje. Ondertussen is er in het uiterste noorden van ons vasteland, het Hogeland van Groningen, nog een eigenaardig woord voor het schaap te vinden: nak. En dat zou wel eens heel oud kunnen zijn.
Heibel!
Het is even na het jaar 1900 als heibel voor het eerst opduikt in de Nederlandse geschriften. Het woord behoort dan al een tijdje tot de spreektaal en in het bijzonder tot het Bargoens, de zogenaamde dieventaal die gebezigd werd door mensen aan de onderkant van de samenleving. Veel Bargoense woorden waren van Jiddische en uiteindelijk Hebreeuwse herkomst, en sommige daarvan zijn in het algemeen Nederlands terecht gekomen, zoals bajes, gokken, jatten, lef, pleite, smeris, smoes en stiekem. Met recht dan dat woordvorsers denken dat ook heibel in dit rijtje hoort. Toch is er reden tot twijfel, mede vanwege enkele Groningse woorden.
Aan tafel
Hoewel het onze voorouders niet ontbrak aan tafels, waaraan zij met hun gezellen genoten van goede spijzen en minder goede spijzen, hebben zij toch ooit hun eigen woord ervoor opzij geschoven en tafel van de Romeinen overgenomen, dat wil zeggen van Latijn tabula. Maar stel voor spel en vermaak dat het niet ontleend is, hoe zou het zich dan verhouden tot andere inheemse woorden? Hoe kunnen wij dit woord verheemduiden?
Oktoberbloed

Soms is één zin genoeg om je blik op de wereld te verkleuren. Zo’n zeventig jaar geleden wandelde Dylan Thomas door een regenachtige najaarsdag. Onderwijl vormden zich in zijn gedachten de woorden van een van zijn mooiste gedichten. Het was 27 oktober 1944, zijn dertigste verjaardag, en het gedicht werd Poem in October.
Tover
De meeste mensen hebben vast wel eens de wens om te kunnen toveren: om iets uit het niets te laten verschijnen, naar het niets te doen verdwijnen of anderszins in een ogenblik te veranderen. In de verbeelding gaat dit niet zomaar, maar vereist het een keur aan spreuken, drankjes en zwaaien van de staf. Dat het spannend ware spreekt voor zich. De geest duizelt immers van de mogelijkheden en ontdekkingen dat zulks mag brengen. Maar als het bestond zou het ook duistere kanten hebben, en deze wetenschap lijkt besloten in het woord toveren zelf.
Nevenheem
Met weemoed denk ik terug aan de wereld van mijn vroege kinderjaren en de zoete waan waarin ik verkeerde. Liep ik met mijn naasten door de bossen van Drenthe, dan meende ik vaak aan de randen van het land van steden en snelwegen te zijn. Dan dacht ik dat de bossen uitgestrekt waren en dat je na een lange tocht over oude paden, onder kromme takken, terecht zou komen in de wereld van ridders en draken en onmetelijke wouden. Nevenheem noem ik het nu, dit rijk naast het onze. Het is ook als het onze, maar dan zoals het eigenlijk bedoeld is, zonder alle nieuwerwetse onzin.
Eeuwen leven de uwen
Het zijn misschien wel de meest bijzondere bomen van het Avondland, met een belangrijke rol in het wereldbeeld van onze Germaanse voorouders. Ze kunnen duizend jaar oud worden, waarschijnlijk nog veel ouder, hebben het vermogen zich op geweldige wijze te hernieuwen, zijn zeer giftig en bieden het beste hout voor handbogen. Om die laatste reden werden ze in de Late Middeleeuwen op zo’n grote schaal gekapt dat ze nu nog steeds een zeldzame verschijning in het wild zijn. Zozeer verdwenen ze in de Lage Landen uit beeld en bewustzijn, dat ook hun inheemse naam verloren ging en wij hen nu vooral kennen onder de afstandelijke, Latijnse naam taxus, terwijl ze verlaagd zijn tot heggestruik. Het is de hoogste tijd om deze boom in ere te herstellen en de naam te gebruiken die onze voorouders ervoor hadden. Dat is uw. Lees verder “Eeuwen leven de uwen”