Te ontsnappen
Wat rest de ziel die zich alleen en ontheemd en vervreemd voelt in deze nieuwe wereld? Wat noodt de mens die nu genoegen moet nemen met slechts glimpen van zijn ware thuis, die bitterzoete aandenkens? Hoe handelt hij die heimwee heeft naar een tijd en streek die wellicht nooit volledig heeft bestaan, maar nu verder weg lijkt dan ooit? Ergens wacht het op mij, een glooiend land met mals groen gras en stokoude bossen vol beuken en eiken en andere bomen, en gevaarlijke paden, met wanderend wild en warme huizen, en ook volk met wien ik wortels deel. Daar te komen zij de overledene gegund, na de lange slaap, maar ieder die hier nog adem haalt moge de verbeelding bezoeken om –al is het maar voor even– te ontsnappen.
Het nosse woud in
Ze liepen achter elkaar. De ingang naar het pad was als een boog die leidde tot een duistere tunnel, gemaakt door twee grootse bomen die samenleunden, te oud en gewurgd door veil en baardmos om meer dan een paar verzwarte bladeren te dragen. Het pad zelf was smal en wond zich in en uit tussen de stammen. Al gauw was het licht aan de poort als een klein, hel gat ver achter hen, en de stilte was zo diep dat hun voeten voort leken te bonzen terwijl alle bomen over hen leunden en luisterden.
Vertaald uit The Hobbit van J.R.R. Tolkien
De stilte in het woud of elders in het wild kan heerlijk zijn en geheel tot rust stemmen. Maar doodse stilte –als blad niet ruist noch vogel zingt– spelle onheil, als ware er kwaad in aantocht. Het is een opmerkelijke overgang die men wellicht niet even gauw in de gaten heeft. Dus toen ik alweer enige tijd geleden het eigenaardige Groningse woord nosk tegenkwam, met diens betekenis ‘(dood)stil in de natuur’, tuurde ik met zowel argwaan als verwondering en vroeg ik mij af: wat voor een stilte werd er oorspronkelijk bedoeld met dit woord? Was het wel een aangename?
Hijsen
Als bezigheid zal hijsen tamelijk oud zijn, ook in onze streken, maar als woord verschijnt hijsen pas in de vijftiende eeuw op schrift, en wel in verscheidene talen. Het wordt dan vooral in de zeevaarttaal gebruikt. De herkomst van het woord is volgens de wortelkundige woordenboeken echter duister. Bootst het de klanken der zeilen en touwen na, zoals nog wel eens wordt geopperd? Dan is het misschien niet veel ouder dan zijn eerste vermelding. Hier volgt evenwel een tegenvoorstel dat het verwant is aan een welbekend inheems woord en van hoge ouderdom is.
En de immen ijveren voor hun honing
In de vijfde eeuwse graftombe van de heidense Hilderik, koning der Franken, vond men in de zeventiende eeuw onder meer zo’n driehonderd gulden bijen. Als geschenk wisselden deze kleine kostbaarheden vervolgens van edele handen, tot ze allen werden gestolen en omgesmolten, op een luttele twee na, thans te bezichtigen in de Bibliothèque nationale de France. Het is niet meer te achterhalen waarom ze destijds aan Hilderik zijn meegegeven, maar dat het vanouds belangrijke beestjes zijn staat vast. De bij is sinds jaar en dag het zinnebeeld van vlijt en een vlijtige ziel heet een bezige bij.
De kobben en kangers spinnen hun draad
De spinnen onzer tuinen zijn onlangs weer geteld voor Vroege Vogels en net als vorig jaar waren het vooral de kruisspinnen die in het oog sprongen. Bij wijze van spreken! Hier hangt voor een raam een kruisspin van koninklijk aanschijn in haar welgeweven web, wachtend op een lekker maal. Deze diertjes danken hun naam aan de gewoonte draden te spinnen. Spin, in het Oudnederlands nog spinna, betekent letterlijk ‘spinster’. Maar zij waren vroeger ook anders geheten.
Het woeden des weders
Er is veel te lieven aan de blauwe hemel van zachte en warme zomerdagen, als er hooguit wat wolken als witte watten in alle rust overvaren. De deuren kunnen open en tot ver in de avond is er gelegenheid tot spel en ontspanning in de buitenlucht. Vader Hemel lacht en het licht straalt neer op het land. En toch, hoe woester de wolken worden, hoe schoner het schouwspel is. Zie het duistere zwerk dreigen en hoor het rommelen in de verte: oerkrachten komen over!
We hebben voor zulke tijden wat woorden gereed, zoals wind, regen, hagel, donder en bliksem, en ook vlaag, bui, onweer en storm. Maar kent u ook schuur, schie, bijze, rijde, unst, hare en beur? Bij dezen een kleine herinnering…
De lange slaap
De dood wordt al sinds mensenheugenis een slaap genoemd, een lange slaap. Sterven kan nog immer ontslapen of inslapen heten en de beminde overledene wordt gewenst zacht te rusten. Het is thans vaak niet meer dan een verbloemende uitdrukking, daar velen niet meer geloven in enig hiernamaals, doch voor wie goede hoop heeft op meer dan duisternis na dit licht is het een zinnige vergelijking. Naar de vermoedens van een wijsgeer als Owen Barfield ware het ooit niet minder dan een vereenzelviging en achtten onze verre voorouders de twee als onlosmakelijk verbonden: de dood is een slaap en de slaap is een dood; ze zijn twee vormen van hetzelfde.
Adel
Adel wordt heden vooral verstaan als een woord voor de oude bevoorrechte stand en allen die daartoe behoren, een tamelijk strak omlijnd en wettelijk begrip. Doch vroeger betekende het meer algemeen ‘goed geslacht, goede afkomst, goede afstamming, goede aard’ en daarvoor eenvoudigweg ‘geslacht, afkomst, afstamming, aard’. In die oude betekenis schuilt het nog in inheemse, Germaanse namen als Albert en Allard/Aaldert, verbasteringen van Adelbert ‘schitterend door zijn afkomst’ en Adelhard ‘sterk door zijn afkomst’.
Van het Duits hebben wij adelaar (met aar als nevenvorm van arend) en het wordt bovendien vermoed dat adel als los woord is uitgestorven hier te lande alvorens het weer aan het Duits werd ontleend alsof het nooit is weggeweest. Hoe dat ook zij, over de uiteindelijke herkomst van adel bestaat nochtans geen enigheid in de wortelkundige woordenboeken. Bij dezen een eigen voorstel voor de herkomst van het woord adel.
Burenspraak
Onlangs heb ik met genoegen het tweede deel gekeken van Bron / Broen (‘De brug’), een pakkende misdaadreeks waarin de Deense Martin Rohde en de Zweedse Saga Norén noodgedwongen samenwerken om ijverige moordenaars op te sporen in het gebied van Kopenhagen en Malmö en op de brug daartussen. Opvallend in deze en dergelijke beeldverhalen: de Denen spreken Deens tegen de Zweden en de Zweden spreken Zweeds tegen de Denen. En dat gaat best goed. Ik vraag me dan ook af waarom wij Nederlanders en Vlamingen er geen gewoonte van maken Nederlands te spreken tegen Duitsers en zij Duits tegen ons.
Oen
Van alle scheldwoorden in onze taal is oen toch wel een van de mildsten. Diens klank is al weinig dreigend, eerder vertederend, maar belangrijker nog: bij oen weten de meeste mensen behalve de lading ‘sufferd, dwaas’ niet waar ze eigenlijk voor worden uitgemaakt. De meeste scheldwoorden hadden immers oorspronkelijk een eigen betekenis voordat ze als scheldwoord gebruikt werden. Wat mag een oen dan wel niet wezen?
Denemarken en andere marken
De Denen zelf noemen hun land Danmark. De Engelsen noemen het Denmark en de Duitsers Dänemark. Waarom spreken wij dan van Denemarken? Hebben wij er soms een meervoud van gemaakt? Of komt het misschien door voorbeeld aan de nabuurnamen Noorwegen en Zweden? Die vraag wierp Gaston Dorren onlangs op.