Reinwis en Reinbrand

Wie heeft zich als kind tijdens de lange lessen in Nederlandse letterkunde niet verwonderd over de voornaam van de Zwolse schrijver Rhijnvis Feith (1753–1824)? Wat een buitengewoon vreemde naam. Heette hij zo omdat zijn ouders hem zagen als een vis in de Rijn? Was hij soms een goede zwemmer? Of was hij anders vernoemd naar een voorouder met dergelijke (gewenste) eigenschappen?

Lees verder “Reinwis en Reinbrand”

Leer en doem van de Dertiende Ezige

Vergeleken met de Oudengelse en de Oudnoordse overlevering is de Oudfriese overlevering maar bescheiden. De meeste teksten betreffen rechtspraak, en daar schittert het Oudfries in, maar de weinige verhalen en verhandelingen die het uiteindelijk hebben gered verbleken in kunstigheid bij die van de Oudengelse en Oudnoordse overlevering. Er is geen Oudfriese tegenhanger van Béowulf, geen tegenhanger van de Völuspá of van de Heliand; er is hoe dan ook geen Oudfries werk in stafrijm, de oude Germaanse dichtvorm, of enig waar heldendicht.

Maar in de Oudfriese overlevering zijn wel nagalmen te vinden van aloude Germaanse tijden, onder andere in de vorm van zeldzame woorden, weergaven van rechtsgang, en aanwijzingen naar een verloren mythologie.

Lees verder “Leer en doem van de Dertiende Ezige”

Òlle vörms

Een van de redenen waarom ik zo geboeid kan raken door de streektalen is omdat deze vaak vormen uit het Oudgermaans hebben bewaard die in de standaardtaal –het Algemeen Beschaafd Nederlands– inmiddels niet of nauwelijks meer voorkomen. Een voorbeeld hiervan zijn de meervoudsvormen in het Gronings.

Hoe verschilt het Groningse meervoud van het Nederlandse? Meer nog dan in het Nederlands krijgen Groningse woorden die –na een stomme e– eindigen op een l, r, m of n een s-meervoud. Zo heeft het Gronings steevast (eerd)appels, waar het Nederlands zowel (aard)appels als (aard)appelen kan hebben. En het Gronings heeft bijvoorbeeld moatregels waar het Nederlands enkel maatregelen kent. Maar het Gronings onderscheidt zich in meervoudsvormen vooral bij woorden die op -rm en -lm eindigen. Vergelijk Gronings in mien aarms met Nederlands in mijn armen, en met Engels in my arms(!). In het noorden woeden störms en geen stormen, en draagt men helms en geen helmen.

Lees verder “Òlle vörms”

Het barre geraas

Deze week is weer gebleken: Europa is nog niet af van de Mexicaanse griep, oftewel de varkensgriep, ook wel bekend onder de officiële naam Nieuwe Influenza A (H1N1). Een heuse uitbraak dreigt, en met een mogelijke epidemie zal altijd rekening worden gehouden. Taaldacht biedt helaas niets ter bestrijding of voorkoming van zulk ongeluk, doch mogelijk wel een evenwoord voor epidemie.

De Dikke van Dale geeft voor epidemie de volgende betekenis: ‘(het optreden van een) besmettelijke ziekte die zich zeer snel uitbreidt, om na enige tijd weer geheel of bijna geheel te verdwijnen’. Volgens de Dikke van Dale heeft het ook evenwoorden: landziekte en volksziekte. Maar échte evenwoorden zijn het niet, voor zover er ooit sprake is van échte evenwoorden, waar dan ook. Landziekte is verouderd in de betekenis ‘epidemie’ en wordt tegenwoordig vooral gebezigd voor een ‘ziekte die vooral in een bepaald land, gebied optreedt’. Daarnaast is er volksziekte, dat ook niet echt dezelfde lading heeft als epidemie. Goed, maar wat is dan wel een goed evenwoord?

Lees verder “Het barre geraas”

Hel

Het huidige idee van hel is zeer gekleurd door de Westerse cultuur welke op haar beurt lang in het teken heeft gestaan van het Christelijk geloof. Het is in de Bijbel gebruikt als vertaling voor het Hebreeuwse begrip She’ol en het Griekse Ha(i)des, maar ook van het Hebreeuwse Ge Hinnom, dat in het Grieks Gehenna werd. Dit wekt enige bevreemding op, immers zoals al eerder geschreven is Hel wel een ‘dodenrijk’ en een ‘woonplaats der schimmen’, maar niet een ‘strafplaats der verdoemden’.

 

Lees verder “Hel”

Dacht aan het diepe

Hwílum híe gehéton     æt hærg-trafum
wíg-weorþunga     wordum bædon,
þæt him gást-bona     géoce gefremede
wið þéod-þréaum.     Swylc wæs þǽw hyra,
hǽþenra hyht;     helle gemundon
in mód-sefan,     Metod híe ne cúþon,
dǽda Dēmend,     ne wiston híe Drihten God…

Bij wijlen boden zij    in gewijde huizen
eer aan afgoden,     uitten in woorden,
dat hen de zieldoder     hulp zou brengen
tegen het zeer des volks.     Zulks was hun gebruik,
hoop der heidenen;     hel bewaarden zij
in diep gemoed.     De Maker kenden zij niet,
de Dadenrechter,     ze wisten niet van Here God…

(Uit Beowulf, regels 175-81; eigen vertaling.)

Lees verder “Dacht aan het diepe”

De eed als lotsverkondiging

De eed was van oudsher een belangrijk verschijnsel in alle windstreken. Tegenwoordig is dat anders; vroeger meer dan nu was een mans woord zijn eer. Bij onze Germaanse voorouders was de eed wezenlijk, met name die tussen een krijgsman en zijn heer. De krijgsman beloofde trouw aan zijn heer, voor hem te vechten wanneer dat nodig was, en de heer beloofde daarop zijn krijgsman te onderhouden en hopelijk ook schatten te leveren door veroveringen. Op het toppunt van de Germaanse krijgerscultuur was de trouw aan de heer zelfs belangrijker dan de trouw aan bloedverwanten. Maar ook bondgenootschappen werden met eden bezegeld. Legendarisch is de Rütlischwur uit de late Middeleeuwen, de vestiging van het Zwitserse eedgenootschap door drie hoofdmannen op de bergweide genaamd de Rütli.

Lees verder “De eed als lotsverkondiging”

Wichtnamen aangeboden

Met genoegen bied ik u mijn Wichtnamen aan, oftewel de ‘namen van wezens en zaken’. Ik heb namelijk de namen van mindere en grotere wezens en zaken uit de Germaanse oudheid in een lijst verwerkt en voorzien van een etymologische duiding. Bovendien heb ik de wezens en zaken bij hun eigenlijke, klankwettige namen genoemd. Dus bijvoorbeeld niet “Wodan”, maar gewoon Woen, dan wel Woedan. En … Lees verder Wichtnamen aangeboden

Oer

Van alle voorvoegsels straalt oer- de meeste kracht uit, voelt oer- het meest onafhankelijk, alsof het een woord op zichzelf had kunnen zijn. Moet het dan een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord voorstellen, of ontstijgt het dergelijk onderscheid en zouden wij het liefst een welgemeend “oooeeerrr!” uit diepe borst voort rommelen, als ware het de opperste eenwording van woord en daad, een krachtige vanzelfsprekendheid, een oerroep als er ooit een was?

Lees verder “Oer”