Wichtnamen aangeboden

Met genoegen bied ik u mijn Wichtnamen aan, oftewel de ‘namen van wezens en zaken’. Ik heb namelijk de namen van mindere en grotere wezens en zaken uit de Germaanse oudheid in een lijst verwerkt en voorzien van een etymologische duiding. Bovendien heb ik de wezens en zaken bij hun eigenlijke, klankwettige namen genoemd. Dus bijvoorbeeld niet “Wodan”, maar gewoon Woen, dan wel Woedan. En … Lees verder Wichtnamen aangeboden

Nissen

In en rond de hoeves van Noorwegen leeft de nisse, een wezentje dat goed werk levert voor de dieren van het erf. Om hem hiervoor te bedanken, en om hem te vriend te houden, geeft de boer hem maaltijden. Omdat de nisse vaak in de fjøs (‘stal’) zit wordt hij ook wel fjøsnisse genoemd. In Zweden kent men hem als de tomte en in Nederland is hij te vergelijken met de kabouter in diens oude vorm. De oorspronkelijke betekenis van kabouter is dan ook waarschijnlijk ‘huisvriend, huisgeest’.

Lees verder “Nissen”

Oer

Van alle voorvoegsels straalt oer- de meeste kracht uit, voelt oer- het meest onafhankelijk, alsof het een woord op zichzelf had kunnen zijn. Moet het dan een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord voorstellen, of ontstijgt het dergelijk onderscheid en zouden wij het liefst een welgemeend “oooeeerrr!” uit diepe borst voort rommelen, als ware het de opperste eenwording van woord en daad, een krachtige vanzelfsprekendheid, een oerroep als er ooit een was?

Lees verder “Oer”

Mooi

In het Middelnederlands is een vrij bijzonder woord te vinden: vrone (ook wel vroon). Het betekent ‘heerlijk, verrukkelijk, wonderschoon’ en meer nog ‘des Heeren, met betrekking tot God en Christus’. Het is bijzonder omdat het in oorsprong de tweede naamval meervoud is van een zelfstandig naamwoord, te weten Oudgermaans *frawan ‘heer’, verwant aan vrouw. Wat vrone is, ‘heerlijk’, is dus eigenlijk ‘van de heren’.

Ik noem dit woord omdat ik nog zo’n voorbeeld meen te weten van hoe de tweede naamval van een zelfstandig naamwoord in de loop der tijd als een bijvoeglijk naamwoord is opgevat. Ik heb het over mooi. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (EWN) geeft voor dit woord “herkomst onbekend” en vermeldt nog aarzelend de mogelijkheid dat mooi verband houdt met modder, en een betekenisontwikkeling kent van ‘bevochtigd’ naar ‘gewassen, rein’ tot ‘mooi’. Een weinig overtuigende duiding.

Lees verder “Mooi”

Gewestelijke woorden

Een van de wijzen waarop een taal verandert is hoe haar klanken verschuiven in de uitspraak van haar sprekers. Zo is de welbekende Nederlandse tweeklank -ij- voortgekomen uit de oudere, lange eenklank ī van het Oudgermaans. Zegt men tegenwoordig rijmen, wijs en tijd, vroeger zei men rīmen, wīs en tīd. In sommige streektalen, zoals het Gronings, is die oude eenklank nog onveranderd gebleven.

Lees verder “Gewestelijke woorden”

Nagang bij nagalm

De etymologie, anders dan wat velen denken, is niet een stoffig vorsen noch een luchtig tijdverdrijf. Zij is geen bijzaak. Zij raakt de kern van onze wereld, want zij bekommert zich om de ziel van de taal, en de taal die is wezenlijk. De etymologie is als een speurtocht, een nagang des verledens, waarbij geheimen ontbonden worden en de wereld van onze voorouders helderder wordt, beter te vatten, tot een rijkdom opdoemt van verzamelde tijden, daden en plaatsen.

Lees verder “Nagang bij nagalm”

Diermund

Franciscus die simpel was als een duve, hi noodde alle creaturen ten love Gods. Ende hi predecte den voghelen, ende si en vloghen niet wech vore dat hijt hen hiet. Ende alse hi predecte, ende de voghele songhen, alse hijt hen verbood, so sweghen si.

Neven sijn celle te Portuncle sat op enen vigheboom altoos een voghel ende sanc. Ende Fransois stac sine hant ute ende riepen ende seide: ‘Suster mijn, come te mi!’ Ende de voghel quam vloechs op sijn hant. Ende hi seide: ‘Suster, singt ende looft onsen Here.’ Ende de voghel begonste te singhenne ende en vloeg niet wech vore dat hijt hem hiet.

(Uit de oudste Middelnederlandse vertaling (ca. 1360) van de Legenda aurea.)

Lees verder “Diermund”

Kimmedrang

De tijd was daar,    hun tocht begon naar landen lonkend.    Lang ware duur tot stand op grond.    Sterk was de kiel, grauw de hemel,    grim de mannen. Zeilen waren gehesen,    handen bezig; de wolf der baren    boorde sporen door woest water.    Het wijde blauw, ruim onder reizen,    roerde woedend. Wind over dek    drenkte vaarlui, korf kimmedrang … Lees verder Kimmedrang

Mathom

So, though there was still some store of weapons in the Shire, these were used mostly as trophies, hanging above hearths or on walls, or gathered into the museum at Michel Delving. The Mathom-house it was called; for anything that Hobbits had no immediate use for, but were unwilling to throw away, they called a mathom. Their dwellings were apt to become rather crowded with mathoms, and many of the presents that passed from hand to hand were of that sort.

(Uit “Concerning Hobbits” in The Lord of the Rings.)

Lees verder “Mathom”

Door en dweer

En ik stond voor een poort hoog en sterk.
En ik dacht: hebt gij immer ‘poort’ geheten? Is dat uw naam?

Wel, in het Middelnederlands bestond naast het vrouwelijke woord (die) dore/duere/dure ‘deur’ ook het onzijdige woord (dat) door ‘deur, poort’. Onze Duitse zustertaal, behoudzaam als zij is, heeft de beide woorden gehouden: naast (die) Tür ‘deur’ vindt men nog (das) Tor ‘poort, doel’.

Lees verder “Door en dweer”