De wedewees
In het jaar van Onze Heer 1393 maakt Karel VI van Frankrijk de blits op het bal. De koning, niet geheel onterecht bekend als Karel de Waanzinnige, voert met vijf edelen een bijzonder vermakelijke dans op, want de heren zijn verkleed als wilde bosmannen. Geheel gehuld in pakken van linnen, hars en vlas lijken ze van top tot teen behaard. Zelfs het gezicht is bedekt, en zo weten de toeschouwers niet dat de koning zelf daar huilend als een wolf opgaat in zijn rol. Omdat de pakken zeer brandbaar zijn worden toortsen op afstand gehouden. Doch één toorts komt toch te dichtbij en binnen enkele tellen vatten alle zes dansers vlam. De koning wordt gered door de vijftienjarige hertogin van Berry die schielijk haar grote rok over hem werpt. Een andere danser weet zich te doven in een ton met water, maar voor de overige vier is het gauw te laat: zij worden levend verbrand. Het toch al schamele vertrouwen van het volk in de koning wordt er niet groter op, na dit bal des ardents (‘bal der brandenden’).
