Hel

Het huidige idee van hel is zeer gekleurd door de Westerse cultuur welke op haar beurt lang in het teken heeft gestaan van het Christelijk geloof. Het is in de Bijbel gebruikt als vertaling voor het Hebreeuwse begrip She’ol en het Griekse Ha(i)des, maar ook van het Hebreeuwse Ge Hinnom, dat in het Grieks Gehenna werd. Dit wekt enige bevreemding op, immers zoals al eerder geschreven is Hel wel een ‘dodenrijk’ en een ‘woonplaats der schimmen’, maar niet een ‘strafplaats der verdoemden’.

 

Lees verder “Hel”

Dacht aan het diepe

Hwílum híe gehéton     æt hærg-trafum
wíg-weorþunga     wordum bædon,
þæt him gást-bona     géoce gefremede
wið þéod-þréaum.     Swylc wæs þǽw hyra,
hǽþenra hyht;     helle gemundon
in mód-sefan,     Metod híe ne cúþon,
dǽda Dēmend,     ne wiston híe Drihten God…

Bij wijlen boden zij    in gewijde huizen
eer aan afgoden,     uitten in woorden,
dat hen de zieldoder     hulp zou brengen
tegen het zeer des volks.     Zulks was hun gebruik,
hoop der heidenen;     hel bewaarden zij
in diep gemoed.     De Maker kenden zij niet,
de Dadenrechter,     ze wisten niet van Here God…

(Uit Beowulf, regels 175-81; eigen vertaling.)

Lees verder “Dacht aan het diepe”

De eed als lotsverkondiging

De eed was van oudsher een belangrijk verschijnsel in alle windstreken. Tegenwoordig is dat anders; vroeger meer dan nu was een mans woord zijn eer. Bij onze Germaanse voorouders was de eed wezenlijk, met name die tussen een krijgsman en zijn heer. De krijgsman beloofde trouw aan zijn heer, voor hem te vechten wanneer dat nodig was, en de heer beloofde daarop zijn krijgsman te onderhouden en hopelijk ook schatten te leveren door veroveringen. Op het toppunt van de Germaanse krijgerscultuur was de trouw aan de heer zelfs belangrijker dan de trouw aan bloedverwanten. Maar ook bondgenootschappen werden met eden bezegeld. Legendarisch is de Rütlischwur uit de late Middeleeuwen, de vestiging van het Zwitserse eedgenootschap door drie hoofdmannen op de bergweide genaamd de Rütli.

Lees verder “De eed als lotsverkondiging”

Wichtnamen aangeboden

Met genoegen bied ik u mijn Wichtnamen aan, oftewel de ‘namen van wezens en zaken’. Ik heb namelijk de namen van mindere en grotere wezens en zaken uit de Germaanse oudheid in een lijst verwerkt en voorzien van een etymologische duiding. Bovendien heb ik de wezens en zaken bij hun eigenlijke, klankwettige namen genoemd. Dus bijvoorbeeld niet “Wodan”, maar gewoon Woen, dan wel Woedan. En … Lees verder Wichtnamen aangeboden

Nissen

In en rond de hoeves van Noorwegen leeft de nisse, een wezentje dat goed werk levert voor de dieren van het erf. Om hem hiervoor te bedanken, en om hem te vriend te houden, geeft de boer hem maaltijden. Omdat de nisse vaak in de fjøs (‘stal’) zit wordt hij ook wel fjøsnisse genoemd. In Zweden kent men hem als de tomte en in Nederland is hij te vergelijken met de kabouter in diens oude vorm. De oorspronkelijke betekenis van kabouter is dan ook waarschijnlijk ‘huisvriend, huisgeest’.

Lees verder “Nissen”

Oer

Van alle voorvoegsels straalt oer- de meeste kracht uit, voelt oer- het meest onafhankelijk, alsof het een woord op zichzelf had kunnen zijn. Moet het dan een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord voorstellen, of ontstijgt het dergelijk onderscheid en zouden wij het liefst een welgemeend “oooeeerrr!” uit diepe borst voort rommelen, als ware het de opperste eenwording van woord en daad, een krachtige vanzelfsprekendheid, een oerroep als er ooit een was?

Lees verder “Oer”

Mooi

In het Middelnederlands is een vrij bijzonder woord te vinden: vrone (ook wel vroon). Het betekent ‘heerlijk, verrukkelijk, wonderschoon’ en meer nog ‘des Heeren, met betrekking tot God en Christus’. Het is bijzonder omdat het in oorsprong de tweede naamval meervoud is van een zelfstandig naamwoord, te weten Oudgermaans *frawan ‘heer’, verwant aan vrouw. Wat vrone is, ‘heerlijk’, is dus eigenlijk ‘van de heren’.

Ik noem dit woord omdat ik nog zo’n voorbeeld meen te weten van hoe de tweede naamval van een zelfstandig naamwoord in de loop der tijd als een bijvoeglijk naamwoord is opgevat. Ik heb het over mooi. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (EWN) geeft voor dit woord “herkomst onbekend” en vermeldt nog aarzelend de mogelijkheid dat mooi verband houdt met modder, en een betekenisontwikkeling kent van ‘bevochtigd’ naar ‘gewassen, rein’ tot ‘mooi’. Een weinig overtuigende duiding.

Lees verder “Mooi”

Gewestelijke woorden

Een van de wijzen waarop een taal verandert is hoe haar klanken verschuiven in de uitspraak van haar sprekers. Zo is de welbekende Nederlandse tweeklank -ij- voortgekomen uit de oudere, lange eenklank ī van het Oudgermaans. Zegt men tegenwoordig rijmen, wijs en tijd, vroeger zei men rīmen, wīs en tīd. In sommige streektalen, zoals het Gronings, is die oude eenklank nog onveranderd gebleven.

Lees verder “Gewestelijke woorden”

De nachtmaar

“Ik had vannacht toch zo’n vreselijke nachtmerrie” hoor ik wel eens hier en daar. Wanneer ik dan navraag doe, blijkt het zonder uitzondering te gaan om een boze of nare droom. Een werkelijke nachtmerrie schijnt nogal zeldzaam te zijn. De nachtmerrie is dan ook eigenlijk een vreselijke nachtbezoeking die bij mannelijke slapers de adem wegneemt door op de borst te gaan zitten. De persoon is klaarwakker, maar kan niet bewegen, noch schreeuwen en dit alles gaat gepaard met een diepe angst. Dat dit niets met zomaar een nare droom te maken heeft, moge duidelijk zijn.

Lees verder “De nachtmaar”