Tolkiens dwergen
Het is najaar 1937 wanneer de eerste, bescheiden oplage van J.R.R. Tolkiens The Hobbit in Engeland verschijnt. Wat was ontstaan als een verhaal voor het slapengaan van zijn kinderen was binnen korte tijd uitverkocht en goed ontvangen. Tolkien, toen al ruim tien jaar professor Angelsaksisch te Oxford, vreesde meteen al de hoon van zijn werkgenoten –en had deze allengs volop te verduren– maar mocht in een brief toch melden dat “the Regius Professor of Modern History was recently seen reading The Hobbit” als ware het een klein academisch schandaal.
Zielengoed
Onlangs kocht ik bij een Franse boekhandel op het web voor een zachte prijs een waardevol werk dat mijn verzameling nog jammerlijk ontbeerde: het derde en laatste deel van de Germanische Sprachwissenschaft van Krahe en Meid, de Wortbildungslehre. Met onder andere een tamelijk uitputtende lijst voor- en achtervoegsels is het een kleinood voor woordlievend volk zoals uw schrijver en J.R.R. Tolkien (die een voorloper ervan bezat).
Het is het niet waard
In de Volkskrant van eergisteren waarschuwde de taalkundige Alison Edwards dat het Nederlands binnen enkele tientallen jaren uit het openbare leven zal verdwijnen als wij doorgaan met onze hoge inzet op Engels taalgebruik. Het Engels is nu al de voertaal in meerdere bedrijven en universiteiten, ten gunste van de “internationele gerichtheid”. Menig beleidsmaker wil nog verder gaan en reeds bij jonge kinderen met tweetalig onderwijs beginnen.
Als wij als samenleving werkelijk vloeiend en volledig Engels willen spreken, niet of nauwelijks te onderscheiden van dat van Engelsen en/of Amerikanen, dan zullen wij deze taal volstrekte voorrang moeten geven in ons dagelijkse leven: in het onderwijs, op het werk, in de krant, op de buis, op het web en zelfs in onze huizen. Dat beseft men wel. Lees verder “Het is het niet waard”
Imerix
De bogen van Burnum
Hij is een van de eerste Nederlanders die wij bij naam en afbeelding kennen: Imerix zoon van Servofredus. Tot de Betuwen behoorde hij, de stam wiens uiterst vaardige ruiters lange tijd zonder meer de keur van het Romeinse leger vormden. In het vermaarde legerkamp Burnum, in wat nu Kroatië is, had hij omstreeks 100 na Christus zijn standplaats en zijn laatste rustplaats – daar is zijn grafsteen opgericht en weer gevonden. Hij is afgebeeld met de uitrusting die kenmerkend was voor Germaanse ruiters van zijn tijd: een speer en een langwerpig, zeshoekig schild.
Baduhenna
“O Vrouwe, gun ons zege in uw heilige woud!”
Zulk een verzoek kunnen wij ons voorstellen van de Friezen toen zij in 28 na Christus in opstand kwamen tegen de Romeinen. Hoewel het land der Friezen benoorden de Rijn lag, de stroom die in de Lage Landen de grens van het Rijk vormde, waren zij als bondgenoten ondergeschikt aan de Romeinen. Toen de eisen allengs onredelijk werden maakten de Friezen een vuist en vielen zij het castellum Flevo aan. De Romeinen zonden versterking, waaronder een afdeling ruiters van andere Germaanse stammen, en de Friezen braken hun beleg af en trokken zich terug. De Romeinen volgden hen door het zo lastige drassige land –jachtig dijken en bruggen bouwende– tot in het heilige woud van Baduhenna.
Namen van Nederlandse stammen: Texuandri
Toen de Romeinen rond het begin van onze jaartelling oprukten in de Lage Landen waren deze bewoond door verschillende Germaanse stammen. De namen van deze stammen zijn tot ons gekomen in gelatiniseerde vorm. Maar wat betekenen zij? In een reeks gewijd aan de duiding van deze namen, deze keer: de Texuandri.
Stemmen
Op deze webstede wordt zo nu en dan gewag gemaakt van een zeker gebrek aan aandacht voor onze vaderlandse taal. Nu kunnen we dit, als we ermee instemmen, wijten aan onverschilligheid voor ons literaire en historische verleden. Dat lijkt mij niet geheel onterecht, maar er zijn volgens mij ook krachten in het spel die meer met economische dan met culturele omstandigheden te maken hebben. Lees verder “Stemmen”
Boet
Onlangs zat ik hier in Groningen voor het witte doek. Elysium draaide, een knap gemaakte film met een overdreven verhaal over een akelige toekomst waarin de rijken vanuit een ringvormige ruimtestad genaamd Elysium de armzalige bewoners van een overbevolkte Aarde uitbuiten.
“Kom, boet!” zegt een van de slechteriken –een ruwe Zuid-Afrikaanse huurling genaamd Kruger– op een gegeven ogenblik vals-vriendelijk in het Afrikaans wanneer hij iemand zijn ruimteschip in wenkt. Ik denk: ha, boet, dat moet hetzelfde woord zijn als Gronings buit, een vriendelijk woord voor ‘jongen’. Tegelijkertijd hoor ik ook enkele rijen achter mij iemand zeggen: “haha, buit!” Niet veel later begint de huurling zachtjes Jan Pierewiet zingen.
Alternatief
Voor iemand die gewoon is alternatieven te zoeken voor leenwoorden en hier tot overmaat van ramp ook nog eens regelmatig over schrijft is uitgerekend het leenwoord alternatief een harde noot om te kraken. Te meer omdat dit woord zowel een zelfstandig als een bijvoeglijk naamwoord is. Wat valt hiervoor te bedenken en wat is er reeds bedacht?
Wodan? Woen!
De tere ziel van Taaldacht wordt al jaren geteisterd door de wijdverbreide wanuitspraak van een wisse godennaam. Bij dezen de hoop dat herhaling heil brengt: de naam hoort niet Wodan te luiden, maar Woen. Wij zijn niet de eersten die hierover beginnen. “Het wordt eindelijk eens tijd, dat men de schooljeugd dien naam goed leert uitspreken,” zei de Leidse taalkundige Lammert Allard te Winkel erover in 1865. En ook heden zeggen de goede mensen van het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands: “De inheemse vorm is Oudnederlands wuodan (geschreven uuoden [791-800; CG II-1, 26]) en had in het Middelnederlands klankwettig tot *woeden > *woen moeten leiden (als in boedel > boel).”
Namen van Nederlandse stammen: Tungri
Toen de Romeinen rond het begin van onze jaartelling oprukten in de Lage Landen waren deze bewoond door verschillende Germaanse stammen. De namen van deze stammen zijn tot ons gekomen in gelatiniseerde vorm. Maar wat betekenen zij? In een reeks gewijd aan de duiding van deze namen, deze keer: de Tungri.