Hijsen

Als bezigheid zal hijsen tamelijk oud zijn, ook in onze streken, maar als woord verschijnt hijsen pas in de vijftiende eeuw op schrift, en wel in verscheidene talen. Het wordt dan vooral in de zeevaarttaal gebruikt. De herkomst van het woord is volgens de wortelkundige woordenboeken echter duister. Bootst het de klanken der zeilen en touwen na, zoals nog wel eens wordt geopperd? Dan is het misschien niet veel ouder dan zijn eerste vermelding. Hier volgt evenwel een tegenvoorstel dat het verwant is aan een welbekend inheems woord en van hoge ouderdom is.

Lees verder “Hijsen”

Sigelhearwan

Toen de Angelsaksen in Brittannië meer dan duizend jaar geleden vele verhalen uit de klassieke en bijbelse wereld opschreven in hun eigen taal, het Oudengels, vertaalden ze doorgaans niet de namen van mensen en volkeren en landen. Hooguit voegden ze ter verduidelijking eigen woorden toe. De Romeinen waren domweg Rómáne dan wel Rómwaran, de Grieken Grécas, de Israëlieten Israélas, de Egyptenaren Egipte, enzovoort. Maar merkwaardig genoeg gebruikten ze uitgerekend voor de Ethiopiërs steevast een volstrekt eigen benaming, namelijk het raadselachtige Sigelhearwan – alsmede latere nevenvormen als Sílhearwan en Sigelwaras.

Lees verder “Sigelhearwan”

Bondig

Waarom geniet het Engels bij Nederlanders zo vaak de voorkeur, in zang en handel en wat niet al, boven de eigen taal? Afgezien van het aanzien en de klanken komt dit misschien doordat het Nederlands doorgaans meer lettergrepen vergt dan het Engels. Alleen al het voltooid deelwoord met zijn ge- maakt het Nederlands betrekkelijk lang: vergelijk geboren met born.

De bondigheid van het Engels komt ook door het alleraardigste achtervoegsel -ed, dat zoveel betekent als ‘beschikkend over, in het bezit van, behept met’, terwijl wij het moeten zien te redden met aanvoegsels als ge–(d/t), be–(d/t) en -ig om datzelfde uit te drukken. Zo zeggen de Engelsen bijvoorbeeld horned waar wij gehoornd zeggen. Zij zeggen bearded en blue-eyed, wij gebaard/bebaard en blauwogig.

Lees verder “Bondig”

De spinnende godin

De godinnennaam Tanfana blijft mijn gemoed beheersen. Ontevreden met de twee duidingen die ik in mijn vorige stuk gaf ben ik andere mogelijkheden gaan overwegen. En zo ben ik op een duiding gekomen die mij aannemelijker voorkomt. Waar ik de naam aanvankelijk voor een afleiding hield, gelijk velen voor mij, houd ik er nu rekening mee dat hij eerder een samenstelling is. Dat verandert de zaak.

Lees verder “De spinnende godin”

De eed als lotsverkondiging

De eed was van oudsher een belangrijk verschijnsel in alle windstreken. Tegenwoordig is dat anders; vroeger meer dan nu was een mans woord zijn eer. Bij onze Germaanse voorouders was de eed wezenlijk, met name die tussen een krijgsman en zijn heer. De krijgsman beloofde trouw aan zijn heer, voor hem te vechten wanneer dat nodig was, en de heer beloofde daarop zijn krijgsman te onderhouden en hopelijk ook schatten te leveren door veroveringen. Op het toppunt van de Germaanse krijgerscultuur was de trouw aan de heer zelfs belangrijker dan de trouw aan bloedverwanten. Maar ook bondgenootschappen werden met eden bezegeld. Legendarisch is de Rütlischwur uit de late Middeleeuwen, de vestiging van het Zwitserse eedgenootschap door drie hoofdmannen op de bergweide genaamd de Rütli.

Lees verder “De eed als lotsverkondiging”

Door en dweer

En ik stond voor een poort hoog en sterk.
En ik dacht: hebt gij immer ‘poort’ geheten? Is dat uw naam?

Wel, in het Middelnederlands bestond naast het vrouwelijke woord (die) dore/duere/dure ‘deur’ ook het onzijdige woord (dat) door ‘deur, poort’. Onze Duitse zustertaal, behoudzaam als zij is, heeft de beide woorden gehouden: naast (die) Tür ‘deur’ vindt men nog (das) Tor ‘poort, doel’.

Lees verder “Door en dweer”

Twee vreemde vogels

Huginn en Muninn zijn de raven van Odin, koning der Noormannengoden, zoals wij lezen in de IJslandse Edda. Zij gaan elke dag uit over de aarde en vertellen hem des avonds weer wat zij vernamen. Er zijn verschillende afbeeldingen gevonden van een krijger te paard met twee vogels bij zich, waarvan er een dan een ring in zijn bek draagt, misschien wel Odins magische ring Draupnir.

Odin zegt over zijn raven:

Huginn ok Muninn fljúga hverjan dag
jörmungrund yfir;
óumk ek Hugin, at hann aftr né komi,
þó sjáumk ek meir of Munin

(Hoege en Moene vliegen iedere dag
Ermegrond over
Vrees ik voor Hoege dat hij weerom niet komt,
doch hetzelfde meer voor Moene).

Lees verder “Twee vreemde vogels”

Doel

Mijn etymologisch woordenboek herleidt doel via ‘zandhoop waarop men schiet’ en ‘schietbaan’ (de Doelen), waarbij zij opmerken dat de betekenis ‘gegraven gat, greppel’ dichtbij ligt, naar Oudhoogduits tuolla ‘klein dal’. Het zou dan een ablautsvorm zijn naast dal.

Nu is doel in het Duits Ziel en bestaat er een speerpunt met de Runen-inscriptie Tilarids waar in het algemeen Doelrijder onder wordt verstaan. Het deel til leidt naar het Oudgermaanse *tila-.  (Vergelijk Gothisch til ‘geschikte gelegenheid, doel’.)

Lees verder “Doel”

Sport

De laatste tijd ben ik aan het verheemduiden. Daarmee bedoel ik dat ik leenwoorden zo duid alsof ze eigenlijk ‘inheems’ zijn. Deze keer is het woord sport aan de beurt. Sport ‘lichamelijke oefening en ontspanning’ is volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (EWN) ontleend aan Engels sport, van een oudere vorm dysporte, dat op diens beurt is ontleend aan Oudfrans desport ‘vermaak, recreatie’, een afleiding van (een voorloper van) déporter ‘afleiden, spelen, (zich) vermaken’.

Lees verder “Sport”

De wilde

Deze week worstel ik mij door een pittig doch uitermate boeiend boek: From Proto-Indo-European to Proto-Germanic van Don Ringe, uit 2006. Hierin wordt beschreven hoe het Oudgermaans is ontstaan uit het Proto-Indo-Europees (PIE), de voorouder van de meeste Europese talen.

Een van de vele belangwekkende dingen in het boek is hoe Ringe het woord beer op een andere wijze duidt dan het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (EWN) dat doet. Het EWN geeft als enige oppering dat beer van een PIE wortel *bher- ‘glanzend, lichtbruin’ komt en merkt daarbij op dat een bijnaam van de beer ook wel bruintje is. Maar volgens Ringe is er weinig bewijs dat zo’n wortel werkelijk heeft bestaan.

Lees verder “De wilde”