Vergeten woorden – A

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Toelichting

a1 v. a’s 1 stromend water, stroom, rivier: hier komt de a tot de zee hier eindigt het, bij de oevers der a • Drents Ao, Fries ie, Duits Ache, gew. Engels ea, Noors å, IJslands á • in Breda, Gouda, ~ °aag ‘zee’, °ager ‘navloed’, °ouw1/°ooi1 ‘land langs water’, ei- in eiland, mog. eig. ‘vlug water’ en ~ °oeg1 ‘vlug’, °ie2 ‘paard’, °egedas/°eidas/hagedis

a2 m. 1 geest, verstand • ~ °achen ‘menen, denken’, acht ‘aandacht’, mog. ~ °agen1/°aan1 ‘scherp zijn, snijden’

a-3 1 voorvoegsel dat ontkenning en afwezigheid maar ook ergheid aanduidt • in °abolg, °amacht, °awaard, °aweg, °awind, °azage

aaf m., ave 1 man 2 echtgenoot • IJslands afi • ~ mog. °avel, °oeven

aag m. 1 zee, wereldzee, het ruime sop, ew. °haf, °waar • IJslands ægir • ~ °a1 ‘stromend water’

aak v. 1 schuld aan moord of doodslag • in °meinaak

aal1 m. 1 heiligdom, gewijde plek: de aal in het bos 2 tempel: een heilige aal • ~ °algen

aal2 o. 1 bier 2 moutdrank met minder hop en zoetere smaak dan bier • Engels ale, Noors øl, IJslands öl • mog. in aalbes, mog. ~ °eluw ‘geelrood, bruingeel’

aal3 m. 1 stroom, uitstroom 2 vaart, vaargeul: diepe alen • Noors ål, Deens ål (in Aalborg/Ålborg) • mog. in Aalburg (Noord-Brabant), Aalsmeer (Noord-Holland), Almere (Flevoland), Alem (ouder Aleheim, Gelderland), van °elen2 ‘drijven’

aal4 v. 1 band, riem, reep • IJslands ól

aald o. zie alood

aalding m. zie aloding

aam1 v., ame 1 natuurlijke waterloop, stroom, rivier • in Amen (Drenthe), van °amen1 ‘gieten, stromen’

aam2 m./v. 1 vonk, ontvlamming, ontbranding, ontsteking 2 inflammatie, ontsteking op het lichaam 3 wondroos, belroos 4 roest, ook van gewassen • Gronings oam, Westfaals åme, Duits Ohm • hetz. als aamt ‘uierzwelling’ (met oneigenlijke t), wel ~ °amer ‘gloeiende kool’, mog. van °emen ‘nemen’ (mits ooit ook ‘vlam vatten, ontsteken, branden’)

aan1 st. oeg, h. geagen zie agen1

aan2 m./v. 1 grootouder, voorouder • Duits Ahn • ouder ane, mog. verbogen vorm van °an ‘ademend, levend, bezield’, bij °anen1 ‘ademen’

aande m. zie ande1

aanden zw. -de zie anden

aanhoud m. 1 oord waar men vertoeft, rust of naar uitwijkt 2 vriendelijke omgang • Drents anhold, Duits Anhalt • van aanhouden

aanvilt m. 1 ijzeren smeedblok • Westfaals ânefilt, Engels anvil • oude nevenvorm van aambeeld/aanbeeld, van aan + afl. van °velten/°felten ‘houwen, slaan’

aap1 v., ape 1 stromend water, stroom, rivier • verbasterd in oordsnamen (voorheen stroomnamen) als Gennep, Velp, Weesp, ~ °aap2, mog. eig. ‘beweeglijke’ en ~ °aps/°asp/esp ‘(ratel)populier’, anders mog. ~ af, oever

aap2 m. 1 zwarte, harige boze geest die in het water op de loer ligt, ew. °nikker/°nekker • hetz. als aap ‘mensachtig dier’ (oneigenlijk), van °aap1 ‘stroom’

aar1 bn. aarder, -st zie aruw

aar2 v. zie are

aar3 m., aren3, arn 1 grote roofvogel: de arn vliegt hoger dan andere vogels • Fries earn, Duits Aar, gew. Engels earn, erne, Noors ørn, IJslands örn • hetz. als arend (met oneigenlijke -d), in adelaar en namen als Arnolf, Arnoud, mog. ~ °aruw/°aar1 ‘snel’, °ardig ‘steil, hoog’

aard1 m. 1 woonplaats, woonstreek, vaderland, land: zijn aard ruimen zijn land verlaten 2 vaste grond, land 3 loskade, marktkade, kademarkt, markt: aard hebben, houden 4 herkomst, afkomst, afstamming, geslacht: aard in het land hebben inheems zijn 5 soort, slag, geslacht 6 wijze van doen • Westvlaams aard, Noordbrabants aard, Duits Art • hetz. als aard ‘wezen, inborst’, ~ °aren ‘zich bevinden, zijn’ (eig. ‘aangekomen zijn, bereikt hebben’), °erend/°arend ‘boodschap’, mog. ~ aarde

aard2 m. 1 ploeging 2 beploegde grond, bouwland 3 gewas dat verbouwd wordt 4 opbrengst, oogst • Kempens aard, gew. Engels earth ‘ploeging’ (≠ earth ‘aarde’) • van °eren1 ‘ploegen’, ~ °aarder, niet ~ aarde

aardbeer v., aardbes 1 wisse rode schijnvrucht (Fragaria) • Gelders-Overijssels eerdbère, eerdbèze, Duits Erdbeere, Noors jordbær, IJslands jarðarber • hetz. als aardbei (met het tweede lid vervangen door bei uit het Frans), van aarde + °beer/bes/bezie

aardbes v. zie aardbeer

aarder m., arder 1 haakploeg • Zweeds årder • van de wortel van °eren1 ‘ploegen’ + °-der1, ~ °aard2

aarn1 m./v., ern 1 uiteinde, met name van dat wat in iets anders sluit, zoals de wortel van de tand in de kaak, de baard en schacht van de sleutel in het slot, de tang van het mes in het heft, de angel van een zeisblad in de steel, enz. • Westvlaams erne, ernte, Fries earn, Gronings oarend • mog. ~ aars

aarn2 v. zie aren2

aarnen zw. -de zie arenen

aarnmaand v. zie arenmaand

aart m. zie art

aat1 m. 1 eten, voedsel, spijs: aat en drank 2 veevoer, voeder 3 wilde haver • Westvlaams aat, Gronings oat, IJslands át • ~ eten, °aat2, aas, al vroeg verhaspeld met °eet ‘wilde haver’

aat2 bn., atig 1 (graag) etend • Westvlaams atig, Westfaals ætig • in °kankatig, °manatig ‘mensenetend’, °vraat ‘eetzuchtig’, ~ eten, °aat1

abolg v. 1 verbolgenheid, boosheid, woede, toorn, gramschap: Gods abolg • in °abolgig, van °a-3 ‘niet; zeer’ + afleiding van °belgen1 ‘zwellen, boos worden’

abolgig bn. 1 verbolgen, boos, woedend, toornig, gram • hetz. als oubollig (verbastering), van °abolg

achen zw. -te 1 denken, menen • ~ acht ‘aandacht’, °a2 ‘geest, verstand’, mog. ~ °agen1/°aan1 ‘scherp zijn, snijden’

achte telw. 1 achtste • achtste is de latere vorm

achtem bn. 1 achterst, laatst: de achteme gelederen • ~ achter, °bachten, met een oud achtervoegsel voor de overtreffende trap, vgl. °hindem ‘achterst’, °innem ‘binnenst’, °medem2 ‘middelst’, °ovem/°oom ‘hoogst’, °vorm ‘voorst’, mog. °wanem

achten zw. -te 1 vervolgen, in de ban doen • van acht ‘ban’

adel o. 1 afkomst, geslacht: van goed adel 2 goede afkomst, goed geslacht • hetz. als adel m. ‘stand van edelen’, ~ edel, °oedel ‘erfgoed, vaderland’, mog. ~ °aden1 ‘komen; gaan’, anders mog. eig. ‘het vaderlijke’ en ~ °ate/°atte ‘vader’

adelboren bn. 1 van edele komaf, van voornaam geslacht • van °adel + (ge)boren

aden1 st. oed, is geaden 1 gaan, komen • ~ °aden2 ‘jaar’, mog. ~ adel ‘(goede) afkomst’, edel, °oedel ‘erfgoed, vaderland’

aden2 o. –s 1 jaar • ~ °aden1 ‘gaan; komen’

ader bn. aderder, -st 1 snel, gauw 2 vroeg • IJslands áður • mog. eig. ‘als de wind’ en ~ adem, niet ~ °aden1 ‘gaan; komen’

age v., akke 1 ekster • Fries akke • ~ ekster, mog. ~ °agel/°egel2/°eggel ‘moeilijk, lastig’

agel bn., egel2, eggel 1 moeilijk, lastig 2 hatelijk • in °egelen/°eggelen ‘tot last zijn’, mog. ~ °age/°akke ‘ekster’, ekster

agen1 st. oeg, h. geagen, aan1 1 scherp zijn 2 snijden 3 bijten • ~ °eg ‘scherpe kant’, °agen2 ‘kaf’, aar ‘bloeiwijze’, °eil ‘kafnaald’, °ein ‘kafnaald’, mog. ~ °achen ‘denken’, °a2 ‘geest, verstand’, °are/°aar4 ‘esdoorn’, wel niet ~ eg ‘wis landbouwwerktuig’, niet ~ egel

agen2 v. 1 omhulsel van de graankorrels, ew. °heluwe, kaf • Duits Ahne, Engels awn, Noors agn, IJslands ögn • van °agen1 ‘scherp zijn’, ~ aar ‘bloeiwijze’

agen3 st. oeg, h. geagen 1 vrezen, duchten • ~ °oegen ‘verschrikken’, °oeg2 ‘angst’, °eis ‘vrees’, ijselijk

ager m. 1 navloed, kortstondige rijzing van het water tijdens eb • Zeeuws agger, Engels eagre • ~ °a1 ‘stromend water’, °aag ‘zee’

ak1 m. aken 1 leider • van °aken1 ‘drijven, leiden; rijden’

ak2 vw. 1 maar, doch: ak het mocht niet baten

ak3 m. akken 1 lam • mog. Gronings nak ‘schaap’

akel m. 1 leed, smart 2 onrecht, schade 3 hekel, tegenzin • in akelig, wel ~ °aken2 ‘pijn doen’, mog. ~ °aak

aken1 st. oek, h. geaken 1 drijven, aandrijven, voortdrijven, leiden 2 rijden • Noors ake, IJslands aka • ~ °ak1 ‘leider’, akker, mog. ~ °vroeken ‘stoutmoedig’, mog. hetz. als °aken2, mog. ~ °kezen ‘(aan)dragen’

aken2 st. oek, h. geaken 1 pijn doen, deren, zeren 2 pijn lijden: een akend hart • Engels ache • wel ~ akel ‘leed’, mog. ~ °aak, mog. hetz. als °aken1

akke v. zie age

akkerman m. -lui, -lieden 1 boer, landbouwer, landman: de bezige akkerlui • in de achternamen Akkerman, Akkermans

alcht m./v. zie alft

aldiede v. 1 mensheid, wereldbevolking • van al- + °diede/°died2 ‘volk’

alen st. oel, h., is gealen 1 groeien, opgroeien, zich voeden 2 doen groeien, opvoeden, voeden: zij oelen hun kinderen met liefde • Noors ale, IJslands ala • ~ °ellen1 ‘opvoeden’, °elde ‘leeftijd, levenstijd’, °elden1 ‘mensen, mannen’, °elden2 ‘verouderen’, °elder1 ‘(voor)ouder’, °elder2 ‘uier; vrouwenborst’, oud ‘gegroeid, opgevoed’ (voorheen old, ald), °ouder ‘leeftijd’ (voorheen older, alder), wel ~ °ouden ‘boomvrucht’, mog. ~ °alloorn/°elloorn ‘gewone vlier’, °elve1/°elf1 ‘rivier’, °alm1 ‘bron, beek’

alf1 bn. 1 wit, licht • ~ °alf2, alft/elft ‘soort haring’, °elve2/°elf2 ‘larve’, wel ~ °alft/°alcht/°elft/°elcht ‘zwaan’, mog. ~ °alf3/°elf3 ‘mythologisch wezen’

alf2 m. 1 lichte laag onder de vruchtbare aarde, zoals kalksteen, klei, zand • gew. Duits Alben, Zweeds alv, alf • van °alf1

alf3 m. alven, elf3 1 mythologisch wezen, bewonderd en gevreesd om diens wijsheid, schoonheid, rijzigheid, kracht en kunst • Duits Alb, Alp, Engels elf (ontleend als elf ‘fee’), Noors alv, IJslands álfur • hetz. als alf/elf ‘boze geest’ (oneigenlijk), mog. van °alf1 ‘wit’

alft m./v., alcht, elft, elcht 1 zwaan • IJslands álft • wel ~ °alf1 ‘wit, licht’

algen zw. -de 1 beschermen, beschutten, hoeden 2 letten op, zich bekommeren om 3 merken, opmerken • Fries ealgje • ~ °aal1 ‘heiligdom’

aling bw., bn. 1 geheel, volkomen • Drents aling • ~ al

alk m. 1 vuil, viezigheid, modder vuile lucht, stank • in Alkmaar, ~ °alken

alken zw. -te 1 vuil zijn 2 (zich) vies maken • gew. Duits alken, gew. Noors alka • ~ °alk, mog. ~ °il ‘slecht, verdorven’

allen zw. -de 1 loeien, brullen, janken • Fries âlje • ~ °elen1 ‘roepen’

alloorn m. -s, elloorn 1 wisse inheemse heester met geveerd blad en zwarte bessen (Sambucus nigra), ew. °holender, °vlieder/vlier • Oostfries ellhörn, Nederduits alhôren, alhören, elthören, ellôrn, Westfaals àllerte, Engels elder, gew. eldern, ellern, ellarn • mog. van °alen ‘groeien; voeden’ met een achtervoegsel dat ook in °astoorn/esdoorn schuilt

alm1 v. 1 bron, beek • hetz. als Alm (stroomnaam), mog. ~ °oel1 ‘laag, drassig weiland’, °elve1/°elf1 ‘rivier’, °alen ‘groeien; voeden’

alm2 m., elm2 1 iep (Ulmus), ew. °rust, °wijk • Engels elm, Noors alm, IJslands almur • oude nevenvormen van olm, in Almelo, ~ °eluw/°eel3 ‘geelrood; bruingeel’

almand vnw. 1 iedereen • van al + man, met oneigenlijke -d zoals in iemand, niemand

aloding m., aalding 1 erfgenaam • van °alood/°aald + °-ing

alood o., aald 1 vrij erfelijk goed • hetz. als allodium (latinisering), in °aloding/°aalding, van al- + °ood1 ‘weelde; bezit’, vgl. kleinood

altauw bn. 1 in orde, heel, gezond, volmaakt • Wangeroogs elt, mog. Drents elt ‘gelijk, recht, welgeschapen’ (mits langs het Fries) • ~ °tauw ‘orde’

alwit bn. 1 geheel wit, zuiver wit

alwoud m. 1 alheerser, onafhankelijk heerser, in het bijzonder God • van al + °woud1 ‘heersend’

am1 m. ammen 1 buik • ~ naaf, navel, mog. ~ °ommer ‘kind’, Ommen (Overijssel)

am2 bn. amer of ammer, amst 1 rauw, ongekookt, ongebraden

amacht v. 1 onmacht, onvermogen, zwakte 2 bezwijming, flauwte • in amechtig, van °a-3 ‘niet; zeer’ + macht

ame v. zie aam1

ameit v. 1 mier • Gelders-Overijssels emte, empe, Duits Ameise, Engels ant • wel ~ °meiten ‘snijden; houwen’

amen1 st. oem, h., is geamen 1 gieten, stromen • ~ °aam1/°ame, Ameland (ouder Ambulon, Amblum, Ambla), Amer (stroomnaam), Amstel, °eem1/°eme, Eems (stroomnaam), mog. ~ °muien ‘vochtig maken of zijn’

amen2 zw. -de 1 belasten: zich amen zich inspannen 2 lastigvallen, ergeren • IJslands ama, Noors ama

amer v. -s, -en 1 gloeiende houtskool, hete as: levende ameren, ew. °tander 2 gloeiend overblijfsel van een vuur: staren naar de amers 3 vervagende herinnering, gedachte: de ameren van mijn jeugd • Limburgs aomere, Westfaals åmer, àmmer, Engels embers, Noors åmyrje, eimørje • wel ~ °aam2 ‘vonk, ontvlamming, ontsteking’, mog. van °emen ‘nemen’ (mits ooit ook ‘vlam vatten, ontsteken, branden’)

ammer m. 1 gors, geelgors (Emberiza citrinella) • Duits Ammer, Engels (yellow-)hammer • mog. ~ °ansel/°amsel ‘merel’, °ans1 ‘tak’

amper v./m. 1 zuring • Duits Ampfer • ~ amper ‘scherp van smaak, bitter’

amsel v. zie ansel

and vz. zie ant

ande1 m., aande 1 adem, geest, ziel, levenskracht 2 iedere hevige gemoedsberoering: hartstocht, ijver, woede, berouw, smart, enz. • Noors ånde, IJslands önd • in °anden/°aanden, van °anen1 ‘ademen’, ~ °unst ‘storm’

ande2 v. -s, -n 1 deurpost 2 deurkozijn 3 portiek, portaal • verouderd IJslands önd, önn • mog. van aan en mog. + een afl. van °aden ‘gaan, komen’

andel m. 1 kweldergras • Gronings Naandel (uit den Andel), Oostfries andel • mog. ~ end, eind, einde ‘rand, plek waar iets ophoudt’

anden zw. -de, aanden 1 iemand in slechte zin beroeren: tergen, zeren, verdrieten, boos maken • Duits ahnden, IJslands anda • van °ande1/°aande

andertieren bn. 1 van een andere aard of soort • van ander + tweede naamval van °tier2 ‘glans; soort; aard’

ane vz. 1 zonder, vrij van: ane vaar zonder vrees, ane mijn dank zonder mijn wil, tegen mijn zin • Limburgs aone, Westfaals åne, Duits ohne, IJslands án

anen1 st. oen, h. geanen 1 ademen, blazen, leven hebben, leven, geest hebben, ziel hebben, bezield zijn • Noors ane • ~ °ande1/°aande ‘adem’, °oen ‘ademend’, °unst ‘storm’, mog. ~ °aan2 ‘voorouder’, mog. ~ °anken2 ‘zuchten, steunen’

anen2 zw. -de 1 vermoeden, een voorgevoel hebben van: niets goeds anen • Gronings oanen, Fries eanje, Duits ahnen • van aan vz.

ang1 bn. 1 nauw, smal • oude nevenvorm van eng, in bang (eig. be-ange bw.), van °angen

ang2 m. 1 punt, stekel: de ang des doods • Antwerps ang, Gronings ang • ~ angel

ang3 m., angel 1 glans van gezondheid, vooral gezegd van vacht, haar • Gronings ang, angel, Fries ang, angel

angel m. zie ang3

angen zw. -de 1 insnoeren, benauwen • ~ °ang1/eng, °anger1, angst, bang (eig. be-ange bw.)

anger1 m. 1 zorg, bezorgdheid, ongerustheid 2 smart, verdriet, leed: harm en anger 3 berouw, spijt • Noors anger, IJslands angur • van °angen

anger2 m. -s, -en 1 veld, weide, beemd: in een groene anger • in Angeren, Angerlo, ~ enk

anger3 m. 1 korenworm • ~ engerling ‘larve van de meikever’, wel ~ °onk3 ‘slang’

ank1 v. 1 enkel, gewricht tussen voet en been • in °anklauw, ~ enkel

ank2 m. 1 boter • gew. Duits Anke, Anken • van °anken1 ‘smeren’

anken1 zw. -te 1 smeren • ~ °ank2 ‘boter’

anken2 zw. -te 1 zuchten, steunen, kreunen, jammeren, klagen 2 ergeren, irriteren • Westfaals anken • mog. ~ °anen1 ‘ademen’

anklauw o. 1 enkel, gewricht tussen voet en been • Zaans anklauw, ankleeuw, gew. Engels ankley, ancley • van °ank1 ‘enkel’ + mog. °lauw2 ‘dij’

ans1 m. anzen 1 tak aan de stam 2 schouder met arm, ew. °boeg 3 balk, spar • gew. Duits Ans, Noors ås, IJslands ás • wel eig. ‘afgehouwen tak’ (vgl. °telg/°telger ‘tak’ bij °telgen ‘afhouwen’) en ~ °ans2, amper ‘scherp, bitter’, maaien, mog. ~ °ansel/°amsel ‘merel’, °ammer ‘gors’, mast ‘scheepsboom’, mast ‘eikels en beukennoten als varkensvoer’, °mistel ‘maretak’

ans2 m. anzen 1 heer, vorst, koning 2 god, godheid, hemelse oergeest: de wil der anzen, ew. °tuw/°tij • Noors ås, IJslands ás • in voornamen als Anselm, Ansgar, wel eig. ‘stamvader’ en ~ °ans1 ‘tak aan de stam’

ans3 v. anzen, eins 1 lus 2 oogvormige opening 3 ringvormig handvat, hengsel 4 oor van een mok • Vlaams eins, einze, heinze, Twents euzen mv., Gronings ouzen mv., Fries oes, Engels noose, gew. oose, neese

ansel v., amsel 1 merel, zwarte lijster, ew. °geiteling • Duits Amsel, Engels oozel, ouzel, ousel • mog. ~ °ans1 ‘tak’, °ammer ‘gors’

anst v. 1 liefde: anst hebben 2 genade, gratie, gunst • Noors åst, IJslands ást • ~ °unnen, gunnen, gunst

ant vz. 1 tegen, weder 2 tegenover 3 voor, in tegenwoordigheid van • hetz. als ont- (verbasterd doordat het onbeklemtoond is), in °anthoofd, °antlaam/alaam, °antloeg, °antwaarde, °antwerp, °antwijlen, °antwlit, antwoord, °antzaat, °antzaker, ~ °ent/°eint ‘eerder, vroeger’, °ende ‘voorhoofd’, einde ‘afloop’,  °ont/°onts ‘tot’, om

anten zw. -te 1 aansporen, ophitsen 2 dwingen, noodzaken • van aan

anter vw. zie enter

anthoofd o. 1 ophoging van de grond 2 dam, waterkering 3 drempel 4 stoep • van °ant ‘tegen’ + hoofd

antlaam m. 1 gereedschap, werktuig: de antlamen van ambachtslui 2 huisraad 3 opschik, opsmuk, tooisel 4 krijgsvoorraad, ammunitie • hetz. als alaam (verbastering), van °ant ‘tegen’ + °laam

antwlit o. -wlitten 1 gezicht, gelaat • Westfaals antliət, Duits Antlitz, Noors andlet, IJslands andlit • van °ant ‘tegen’ + afl. van °wlijten ‘zien’

antloeg bn. 1 geneigd te lachen, vrolijk • van °ant ‘tegen’ + afl. van lachen, ~ °loegen

antwaarde v. 1 aanwezigheid • in °antwaardig, van °ant ‘tegen(over)’ + afl. van worden (voorheen ‘wenden’), vgl. tegenwoordig

antwaardig bn. 1 aanwezig • van °antwaarde

antwerp m. 1 tegen water of vijanden opgeworpen land • in Antwerpen, van °ant ‘tegen’ + afl. van werpen

antwijlen bw. 1 wijlen (en) antwijlen te allen tijde • van °ant ‘tegen’ + een verbogen vorm van wijl

antzaat bn. 1 hatelijk, vijandig • van °ant ‘tegen’ + °zaat2 ‘zittend’

antzaker m. 1 tegenstander, tegenpartij 2 vijand • van °ant ‘tegen’ + afl. van zaken

ape v. zie aap1

apel m. -s, -en 1 sappige ronde boomvrucht • gew. Fries apel • oude nevenvorm van appel, in °apelder/°appelder, mog. ~ vallen

apelder v., appelder, appelter 1 appelboom: een zoete apelder • verouderd Duits Affolter, Apfolter, Afholder • in Apeldoorn (verbasterd mv.), Aperloo (ouder Apelderlo), Appeltern (verbasterd mv.), van °apel/appel + °-der2/°-ter

appelder v. zie apelder

appelgrauw bn. 1 van rossenvacht: grijs met appelvormige vlekken 2 schimmelkleurig • Duits apfelgrau, Noors apalgrå

appelter m. zie apelder

aps v., asp 1 populier, met name ratelpopulier (Populus tremula) • Engels aspen, asp, gew. aps, Noors osp, asp, IJslands ösp • oudere, meer oorspr. nevenvorm van esp, mog. eig. ‘beweeglijke’ en ~ °aap1/°ape ‘stromend water’

ar bn. arder, -st zie er

arder m. zie aarder

ardig bn. 1 steil, hoog 2 rechtop, met de borst vooruit: ardig rees de hengst • IJslands örðugur • ~ rijzen

are v., aar2 1 esdoorn, ew. °astoorn, °mazer 2 gewone esdoorn • Duits Ahorn, gew. Are, Deens ær • in Aarle (eig. Aarlo), Taarlo (eig. te Aarlo), Tynaarlo (eig. te in Aarlo), mog. ~ °agen1 ‘scherp zijn’

aren1 zw. -de 1 zich bevinden, zijn 2 wezen, zijn • Engels are • eig. ‘aangekomen zijn, bereikt hebben’, ~ °aard1 ‘woonplaats; afkomst; wezen’, aarden, °erend/°arend ‘boodschap’, °orren ‘treffen, strijden’, mog. ~ °oer1 ‘herkomst, oorsprong, begin’

aren2 v., aarn2 1 oogsttijd, einde van de zomer, begin van de herfst 2 oogst, opbrengst • Noors onn, IJslands önn • in °arenen/°aarnen ‘oogsten, verdienen’, ~ °assen ‘loon’, °essen ‘loonwerker; huurling’

aren3 m. zie aar3

arend o. zie erend

arenen zw. -de, aarnen 1 oogsten, verdienen 2 verdienen, waard zijn: van iets arenen 3 de kwade vruchten van zijn daden oogsten, boeten: de zonden aarnen • Fries earnje, Oostfries arnen, Engels earn • van °aren2/°aarn2 ‘oogst’

arenmaand v., aarnmaand 1 oogstmaand, augustus • van °aren2/°aarn2 ‘oogst’ + maand

arf m. arven 1 werker 2 werkdier • van °arven

arft v., arveid 1 zwaar werk, gezwoeg • Duits Arbeid, IJslands erfiði • hetz. als arbeid (met onverschoven b), van °arven/°arveien

arg1 m., erg1 1 teelbal • ~ °arg2/°erg2, mog. ~ regen i.v.m. de ‘bevruchting’ van de aarde

arg2 bn., erg2 1 bestegen, besprongen, van merries 2 wulps, wellustig, van vrouwen 3 onmannelijk, verwijfd, schandelijk, laf, van mannen 4 voos, verdorven, verkeerd • Engels eerie, gew. argh, arf, arrow, Noors arg, IJslands argur • hetz. als erg ‘slecht, zeer onaangenaam, betreurenswaardig’, in arglist, argwaan, ~ °arg1/°erg1, °arg3/°erg3

arg3 o., erg3 1 verdorvenheid, slechtheid, kwaad: arg en list 2 kwade bejegening: iemand arg doen 3 schade, leed, smart, pijn: arg hebben gewond zijn • van °arg2/°erg2

armhart m./v. 1 kleinmoedig, ook wel teergevoelig iemand • Zaans armhart, Gronings aarmhaart • in armhartig

arming m., erming 1 armzalig schepsel • van arm + °-ing, vgl. °nijding

arn m. zie aar3

arren zw. -de zie erren

art m., aart 1 erts, ruwe, onbewerkte grondstof, delfstof • Duits Erz (ontleend als erts)

arte v. 1 kwikstaartje • IJslands ört, Zweeds årta

aruw bn., aar1 1 snel, ras, vlug 2 gereed, bereid 3 vrijgevig, gul • IJslands ör • in °arwing, mog. ~ °garuw, mog. ~ °aar3/°aren3/°arn/arend ‘grote roofvogel’, °ardig ‘steil, hoog’

arveid v. zie arft

arveien zw. -de zie arven

arven zw. -de, arveien 1 zwaar werken, zwoegen • Westfaals ârwen, arweggen • ~ °arft/°arveid/arbeid, °arf, °orf

arwe1 v. -n, -s, erwe1 1 pijl: boog en arwe, ew. °gijzel, °vijl, °vliek • Engels arrow, Noors or (in agnor), IJslands ör

arwe2 v. -n, -s, erwe2 1 litteken, verminking 2 akkergrens • Westfaals arwe, Duits Narbe, gew. Arbe, Noors arr, IJslands ör • hetz. als nerf ‘oneffenheid in leer’ (met n- van het lidwoord)

arwing bw., erwing 1 zonder aanleiding, zomaar 2 zonder opbrengst, tevergeefs 3 zonder betaling, zonder loon, gegeven, kosteloos, gratis • van °aruw/°aar2 ‘snel; bereid; vrijgevig’

as m. assen 1 essenboom (Fraxinus excelsior) 2 speer, vanouds van essenhout gemaakt 3 soort klein schip van essenhout • Engels ash, Noors ask, IJslands askur • oude nevenvorm van es, in °asman

asman m. -mannen, -lui, -lieden 1 zeeman, zeerover, later in het bijzonder uit Scandinavië, ew. °wijking • Engels ashman (in Ashmanhaugh) • in Assendelft (ouder Askmannadelf), van °as ‘es; essenhouten schip’ + man, vgl. °wijking

asp v. zie aps

assel v. 1 schouder, ew. °harde • Duits Achsel, Noors aksel, IJslands axla

assen v. 1 loon • ~ °essen ‘loonwerker; huurling’, °aren2 ‘oogst’

assevijs m. zie assevijster

assevijster m., assevijs 1 iemand die op de as in de haard blaast om het vuur aan te wakkeren 2 iemand die altijd voor de haard zit te lummelen 3 iemand die alleen het geringste werk aankan of wil doen • Westvlaams assche(n)vijster, Noors askefis • van as + afl. van °vijzen1/vijsten ‘blazen’

ast m. 1 knoest 2 tak, twijg 3 dwarsbalk van een kruis • Duits Ast • ~ °oest ‘knoest’, wel in °astoorn

astoorn m. -s 1 esdoorn, ew. °are/°aar, °mazer • Antwerps asdoren, Hagelands asdoorn, gew. Duits Asthorn, Astern, Aster • hetz. als esdoorn (verbastering), wel van °ast ‘knoest; tak’ (knoesten geven vooral esdoorns welgelijnd, gevlamd hout, vgl. °mazer), mog. met een achtervoegsel dat ook in °alloorn/°elloorn schuilt

at1 vz. 1 bij, te, in: at heme thuis, at harte in het hart, te moede, at nachte ‘s nachts, at eerste ten eerste, at leste ten leste, ten laatste 2 toe, tot, zo ver als: at het woud • Westfaals ät, et, Engels at, Noors at, åt, å, IJslands • in °atgeer ‘werpspeer’

at2 o. aten 1 felheid, gevecht, strijd: een at van wilde dieren • IJslands at • ~ °aten ‘scherp, fel zijn’

ate m., atte 1 vader, papa • Noordhollands ate, Gronings oate, atte • mog. ~ °adel ‘(goede) afkomst’

atel bn. 1 fel, scherp: atele ogen 2 vreselijk, verschrikkelijk, afgrijselijk • Noors atal, IJslands ötull • ~ °aten ‘scherp, fel zijn’

aten st. oet, h. geaten 1 scherp, fel zijn 2 bijten • ~ °at2 ‘felheid, gevecht’, °atel ‘vreselijk’, °etten1 ‘fel doen zijn’, °taan/tand, °tind ‘punt’, tinne ‘tand in burchtwal’, °tons ‘(hoek)tand’, mog. ~ °tijven ‘puntig zijn’, °tijzen ‘prikken; plukken’, niet ~ eten

atgeer m., atger 1 werpspeer • van °at1 ‘te; toe’ + °geer1 ‘speer’

atger m. zie atgeer

atig bn. zie aat2

atte m. zie ate

auwe v. 1 oma, grootmoeder, voormoeder • ~ °o ‘opa, grootvader, voorvader’

ave m. zie aaf

avel o. 1 inspanning, kracht, sterkte: met al zijn avel • IJslands afl • in °avelen, ~ °oeven ‘uitvoeren’, oefenen, mog. °aaf/°ave ‘man, echtgenoot’

avelen zw. -de 1 zich inspannen, kracht betonen 2 versterken • Noors avle, IJslands afla • van °avel, ~ °aveling

aveling v. 1 versterking, versteviging • Zuidhollands aveling • van °avelen

aven zw. -de 1 afgaan, afnemen: het aaft mij mijn krachten nemen af • ~ af

aver1 bn., bw., vz., vw. 1 later: in avere tijden 2 na, achter: aver deze maand 3 volgens: aver dit boek 4 maar, doch • Antwerps ever, Westfaals awer, Duits aber • in °aver2 ‘telg’, van af, ~ achter (ouder after), van

aver2 m./v. 1 nakomeling, afstammeling, nazaat, telg, kind: van aver tot aver • van °aver1 ‘later; na’

aver3 m. 1 veldesdoorn, Spaanse aak (Acer campestre), ew. °mapel/°mapelder • Deens navr (met n van het lidwoord), gew. Zweeds naver • in °averen, mog. ~ Afferden (Gelderland)

averen bn., everen, efferen 1 veldesdoornen, van veldesdoornhout • Westvlaams effen (in effentrul, verouderd effendoorn), gew. Duits ebern (in Weißebern) • van °aver3

avig bn. 1 verkeerd om 2 niet recht, verkeerd, verdraaid, krom • Westvlaams avig, Westfaals awig, Zweeds avig, IJslands öfugur • van af + een nevenvorm van oog (aangepast aan het achtervoegsel -ig)

avondganger m. 1 iemand die ’s avonds zijn geliefde bezoekt • van avond + °ganger

awaard bn. 1 waardeloos • van °a-3 ‘niet; zeer’ + waard

aweg m. 1 verkeerde of onbegaanbare weg, woeste plek: door weg en aweg • van °a-3 ‘niet; zeer’ + weg

awind m. 1 windstilte • Westvlaams awind • van °a-3 ‘niet; zeer’ + wind

azage v. 1 beuzelpraat, onzinverhaal • van °a-3 ‘niet; zeer’ + °zage ‘verhaal’

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Toelichting

Advertenties