Vergeten woorden – G

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Toelichting

gaaf bn. 1 geefbaar, geschikt om te geven • hetz. als gaaf ‘ongeschonden, mooi’, ~ geven, gave

gaal1 m./v. 1 zanger, zangeres 2 iemand die zingend bezweert, tovenaar, heks • in nachtegaal, van °galen1 ‘roepen; zingen; zingend bezweren’

gaal2 bn. 1 betoverd, behekst 2 waanzinnig, dwaas, dol 3 razend, onstuimig, ruw: er is gaal weer op til • Zaans gaal, Noors gal, galen, IJslands galinn • van °galen1 ‘zingen; zingend bezweren’

gaam1 m./o. zie gadem

gaam2 o. zie gamen

gaar bn. zie garuw

gaarn bn. zie gern

gabben zw. -de zie gappen

gabberen zw. -de zie gappen

gacht v. 1 gang 2 doorgang, ingang, deuropening • Noors gått, IJslands gátt • van °gangen ‘gaan’, ~ gang

gad bn. gader of gadder, -st 1 goed, geschikt • ~ °gaden, goed

gadeling m. 1 (bloed)verwant, familielid • ~ °gaden

gadem m./o. -s, gaam1 1 huis bestaande uit één vertrek, ew. zaal 2 huisje, gebouwtje, winkeltje 3 vertrek, kamer, met name de slaapkamer: te gadem gaan naar bed gaan • Westfaals gam, Duits Gaden (in Berchtesgaden) • van °gaden

gaden st. goed, h. gegaden 1 voegen, schikken 2 behoren bij 3 zich paren met • ~ gade, °gadem/°gaam1, gading, °ged/°gedde, goed, wel ~ °gader

gader m. 1 hek, traliewerk • Limburgs gaar, Duits Gatter • wel van °gaden

gal m. gallen 1 gebrek, onvolmaaktheid, schade: gallen in de akker 2 zere plek • Oostfries galle, gew. Engels gall, IJslands galli • hetz. als gal ‘gezwel bij paarden’ (o.i.v. Latijn galla ‘galappel’)

galen1 st. goel, h. gegalen 1 roepen, kraaien 2 zingen, klinken 3 zingend bezweren, betoveren, beheksen • gew. Engels gale, Noors, gale, IJslands gala • ~ °gaal1, °gaal2, galm, °galster, °gouder, °gollen ‘luid zingen; roepen’, gillen, °oorgoel ‘trots’, °gelve/°gelf/golf, °galven/galpen, wel ~ °glie/°gluw ‘vreugde’, °gloom ‘gejubel’

galen2 zw. -de 1 golven van smart, snijden van kou • Drents galen, gew. Engels geal, gale • mog. hetz. als °galen1 (vgl. snerpen ‘snijdend zeren; schril klinken’)

galen3 zw. -de 1 verlangen, begeren • ~ °gel ‘lust’, mog. ~ °ganen

galm m., gelm 1 bundel, armvol, handvol, met name van hooi, stro of riet • Schiermonnikoogs galm, gew. Engels yelm, yealm, yolm

galster o. 1 toverlied, bezwering 2 tovenarij • verouderd Duits Galster • in °galsteren/°vergalsteren, ~ °galen1, °gouder ‘toverlied’

galsteren zw. -de, vergalsteren 1 betoveren, bezweren • Zwitsers galstere • van °galster

galven zw. -de 1 luidruchtig praten 2 schaterlachen 3 gekscheren 4 piepen • Westvlaams galferen, Twents galven • oude nevenvorm van galpen ‘schreeuwen’, ~ °gelve/°gelf/golf, °gelpen ‘schreeuwen’, °galen

gam v. gammen, gammer2 1 schatting, cijns, belasting: gammer gelden schatting betalen, ew. °gavel, °gilster 2 schat, kostbaarheid, waardevol iets • mog. ~ gave, °gavel ‘gift; schatting’, geven

gamen o., gaam2 1 vermaak, spel, sport 2 streek, lelijke grap • Fries geanne m./v. (in lângeanne), Engels game, gammon (in backgammon), Zwitsers Gammel • in °gamenen, ~ gemelijk

gamenen zw. -de 1 spelen, zich vermaken • van °gamen/°gaam2

gammer1 bn. gammerder, -st 1 sterk, (daad)krachtig, tuchtig, gedisciplineerd

gammer2 v. zie gam

gand m. 1 begerend, verlangend • ~ °ganen ‘gapen, openstaan’, °genen ‘gapen, openstaan’, °ginnen1 ‘(zich) openen’

ganen zw. -de 1 gapen, openstaan 2 begeren, verlangen • Oostfries ganen, gannen, Noors gane, IJslands gana • ~ °gand ‘begerend’, °genen ‘gapen, openstaan’, °ginnen1 ‘(zich) openen’, °goem/°goom3 ‘gehemelte’, °gazen

gangelen zw. -de, gengelen 1 drentelen, slenteren 2 heen en weer gaan • Gronings gangeln, gengeln, gìngeln • van °gangen

gangen st. ging, is gegangen 1 gaan • ~ gang, °geng, °ganger/°genger, °gangelen/°gengelen, niet ~ gaan (wel ermee verhaspeld)

ganger m., genger 1 iemand die gaat, op weg is, ew. reiziger • gew. Engels ganger • in °avondganger, °broodganger, °inganger, °nachtganger, °ommeganger, voetganger, voorganger, °waarganger, ouder genge, van gang of °gangen ‘gaan’, ~ °geng

gant bn. 1 geheel, heel, volledig 2 gaaf, ongeschonden • Duits ganz (ontleend als gans) • in °genten ‘helen’, mog. eig. ‘omvattend’ en ~ °geten ‘bereiken; vatten’, anders mog. eig. ‘volkomen’ van nevenvorm van ge- ‘geheel’ + afl. van °aden1 ‘komen; gaan’

gappen zw. -te, gabben, gabberen 1 gekheid maken, grappen 2 spotten, spottend lachen • in ginnegappen ‘onhebbelijk lachen’, ~ gebbetje ‘grapje’, gapen

garden st. gord, h. gegorden zie gerden

garn bn. zie gern

gars m. garzen zie gers

garten zw. -te zie gerten

garuw bn., gaar 1 gereed, klaar, voorzien • Duits gar, gew. Engels yare, yar • hetz. als gaar ‘voldoende gekookt; afgemat’, mog. van ge- ‘geheel’ + °aruw/°aar1 ‘gereed’, ~ °garwe1/°gerwe2, °garwen/°gerwen

garwe1 v. -n, -s, gerwe1 1 wapenrusting, uitrusting 2 gewaad, kleding • IJslands gervi • van °garuw/°gaar

garwe2 v. -n, -s, gerwe2 1 duizendblad (Achillea millefolium), een eetbaar en geneeskrachtig kruid • Westvlaams gerve, Drents gar, garf (in hazegar, -garf), Engels yarrow • wel in Gerwen (Noord-Brabant), mog. ~ °gers/°gars ‘zevenblad’ of gast (mits eig. ‘eter’)

garwen zw. -de, gerwen 1 gereed maken, uitrusten, voorzien 2 kleden, tooien 3 bereiden van voedsel • Noordhollands gerven, Westvlaams gerven, Noors gjøre, IJslands gera • van ~ °garuw/°gaar ‘gereed’

garzen st. gors, h. gegorzen zie gerzen

gastenbod o. -boden, gastgebod 1 uitnodiging tot een gastmaal 2 gastmaal, feestmaal • Duits Gastgebot, Noors gjestebud, gjestebod • van gast + (ge)bod ‘uitnodiging’, ~ (ont)bieden

gastgebod o. -geboden zie gastenbod

gat o. gaten 1 doorgang, toegang, poort 2 steeg, straat • Westvlaams gat, Gronings gat, Fries gat, jit, jet, Engels gate, gew. yat • hetz. als gat ‘opening’, ~ °gatuw1/°gate1, °geten/°begeten

gate1 v. zie gatuw1

gate2 v. zie gatuw2

gatuw1 v., gate1 1 weg, straat, pad • Westfaals gâte, Duits Gasse, Noors gate, IJslands gata • ~ °gat, °geten/°begeten ‘bereiken’

gatuw2 v. gate2 1 gebruiksvoorwerp, werktuig, wapen: gatuwen spullen, uitrusting 2 versiersel, ornament • Engels *yate (verholen in heriot), verouderd IJslands götvar mv. • wel van vroeg beklemtoonde vorm van ge- + afl. van °tooien/°touwen ‘doen; maken, bereiden’, vgl. °vratuw/°vrate

gauw v. 1 acht, aandacht, opmerkzaamheid • in °gauweloos, ~ °gauwen1, °gauwelen, mog. eig. ‘vlugheid van geest’ en ~ gauw ‘vlug’

gauwelen zw. -de 1 onbeschaamd en nieuwsgierig rondkijken • Zeeuws gauwelen • ~ °gauw, °gauwen1

gauweloos bn., gauwloos 1 achteloos, slordig, nalatig, ew. °gomeloos/°goomloos • IJslands gálaus • hetz. als Gauweloos, Gauwloos (achternaam), van °gauw

gauwen1 zw. -de 1 gadeslaan, schouwen • IJslands • ~ °gauw, °gauwelen

gauwen2 zw. -de 1 haasten, reppen: gauwt u! • van gauw ‘vlug’

gauwloos bn. zie gauweloos

gavel v. 1 gift 2 schatting, cijns, belasting: gavel staan schatplichtig zijn, ew. °gam/°gammer, °gilster • ~ geven

gaweg m. 1 voetpad, looppad, smalle weg voor voetgangers

gazen zw. -de 1 aangapen 2 kijken, staren • Engels gaze, gew. Zweeds gasa • ~ °gazerig, °ganen

gazerig bn. 1 onnozel, met de mond open • Drents gaozerig • van °gazen

gebade v. 1 vertrouwen

gebedde m./v. 1 bedgenoot, bedgenote 2 echtgenoot, echtgenote • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van bed

geboord v., geboorde 1 het geboren worden 2 geslacht, stand, rang 3 nageslacht • Duits Geburt, Engels birth • oude, meer oorspr. nevenvormen van geboorte, ~ °beren1/baren ‘dragen’

geboorde v. zie geboord

ged o. gedden, gedde 1 verhaal, gedicht, lied 2 rede • gew. Engels yed • ~ °gaden

gedals o. gedalsen 1 leven, beweging, rumoer: een groot gedals maken • van °dalsen/°delsen ‘stampen, druisen, herrie maken’

gedaven st. gedoef, is gedaven zie daven1

gedde o. zie ged

gede1 v., gee 1 verlangen, gebrek 2 belijdenis van het geloof • ~ °gijd, °gijtsen, mog. ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’

gede2 m. zie jede

gedeel m./v. zie gedele

gedele m./v., gedeel 1 deelgenoot 2 medeërfgenaam • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van deel

geden st. gad, h. gegeden zie jeden

gedocht m. zie gedofte

gedochte m. zie gedofte

gedoef bn. gedoever, -st 1 passend 2 gepast • Drents deuve • ~ °daven1, deftig

gedoft m. zie gedofte

gedofte m., gedoft, gedochte, gedocht 1 roeimaat, roeimakker, iemand waarmee een roeibank wordt gedeeld 2 maat, makker • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van doft/docht ‘roeibank’

gedongen bn. 1 volwassen, welgegroeid 2 uitstekend, voornaam, volmaakt • oud voltooid deelwoord van °dijen1/°dingen1 ‘vast worden, verdikken; voorspoedig groeien’

gedui bn. zie geduide

geduide bn., gedui 1 achtzaam, opmerkzaam 2 verstandig, wijs 3 genegen, aardig, minzaam, vriendelijk, welwillend • IJslands þýður • ~ duiden ‘uitleggen’ (eig. ‘verstandig maken’), °die1/°dielijk ‘meegaand, volgzaam’, °diede/°died ‘volk’, °dauw3 ‘zede’, °dwaar ‘meegaand’, °gedwaar, °gedwade/°gedwa/gedwee ‘meegaand’

gedwaar bn. 1 gelijkgestemd, eendrachtig, harmonieus • in °gedwaren, van ge- ‘samen, geheel’ + °dwaar ‘meegaand’

gedwa bn. zie gedwade

gedwade bn., gedwa 1 meegaand, mak, tam • hetz. als gedwee (met gew. klank), ~ °geduide/°gedui ‘achtzaam; genegen’

gedwaren zw. -de 1 in overeenstemming brengen, harmoniseren • van °gedwaar

gee v. zie gede

geef v. zie geve

geek m. zie jeek

geer1 m. 1 speer, spies • gew. Engels gore, gew. Noors geir • in aalgeer/elger, °atgeer ‘werpspeer’, °geervang/°gervang, °navegeer/avegaar en eigennamen als Gerhard, Gerbrand, Gernand, ~ geer ‘spits stuk land’, °gijs/°gijzel ‘loot; pijl’

geer2 v. zie jeer

geervang m., gervang 1 harpoen • van °geer1 ‘speer’ + °vang

geërve m./v. 1 medeërfgenaam 2 erfgenaam • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van erve of erven

geheer bn. geheerder, -st 1 aanzienlijk, roemrijk 2 verheven 3 uitstekend, heerlijk • ~ heer, heerlijk

geherm m./o. zie herm

gehermen zw. -de zie hermen1

gehugd v. zie hugd

gehugdig bn. zie hugdig

gehuur bn. gehuurder, -st zie huur

geigen zw. -de 1 afwijken, zwenken, scheef gaan • Zwitsers geige, geigle, Noors geiga, geia, IJslands geiga • mog. ~ jicht ‘ontsteking in gewricht, meestal grote teen’ (ouder gicht)

geiteling m. 1 merel, zwarte lijster, ew. °ansel/°amsel 2 lijster, ew. °drossel • Drents geiteling, geteling, gieteling, Oostfries geitel, Westfaals gaidling, IJslands geitungr ‘wesp’ (voorheen ‘vogel’) • wel niet ~ geit ‘sikdrager’

gekel m. zie jekel

gel m. 1 lust • ~ °galen3 ‘verlangen’

gelande m. 1 aangrenzende landbezitter: de naaste gelande 2 landgenoot • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van land

gelauwen zw. -de zie lauwen

geld1 bn. 1 onvruchtbaar, van mensen en dieren, ew. °steer 2 onbevrucht: een geld ei 3 niet drachtig, niet zwanger: een gelde koe • Drents gel, Gronings gèl, gew. Engels geld, yeld, Noors gjeld • ~ °gelt, °gout

geld2 o. 1 betaling, vergoeding 2 beloning, loon 3 belasting, schatting 4 offer aan de goden • hetz. als geld ‘betaalmiddel’ (oneig.), ~ gelden, gilde, °gilster

gelden st. gold, h. gegolden 1 betalen, vergoeden 2 belonen 3 offeren aan de goden • hetz. als gelden ‘opbrengen, van kracht zijn’ (oneig.), in vergelden, ~ °geld2, gilde, °gilster

geleef m. zie geleve

geleve m., geleef 1 broodgenoot 2 makker, metgezel, ew. °gemate/°gemaat • van ge- ‘mede, samen’ + afl. °leef2 ‘brood’

gelf v. gelven zie gelve

gelimp v. zie limp

gelimpen st. gelomp, h. gelompen zie limpen

gelingen st. gelong, is gelongen zie lingen

gelm m. zie galm

geloem bw. 1 rijkelijk, in overvloed, dik: de bloemen bloeien geloem 2 dikwijls, vaak • van loem1 ‘toegeeflijk; zacht; mild; rijkelijk’

gelp1 bn. 1 schreeuwend, brullend 2 piepend, jankend 3 pochend, snoevend, opscheppend 4 pralend, pronkend 5 fel schijnend 6 welig groeiend • Limburgs gelp, gilp, Drents gelp, gew. Duits gelf • van °gelpen

gelp2 m./o. 1 geschreeuw, gebrul 2 gepiep, gejank 3 gepoch, gesnoef, opschepperij 4 praal, pronk 5 pracht, weelde • Drents gelp, Engels yelp, IJslands gjálp • van °gelp1 of °gelpen

gelpen st. gielp, h. gegolpen 1 schreeuwen, brullen 2 piepen, janken 3 pochen, snoeven, opscheppen 4 pralen, pronken 5 fel schijnen • Westfries gilpen, Drents gelpen, gilpen, Gronings gilpen, gew. Duits gelfen, gilfen, Engels yelp • ~ °gelp1, °gelp2, °galven/galpen

gelt v. 1 gesneden vrouwelijk zwijn • Zeeuws gèlt, Sallands gelt • ~ °gout, °geld1

geluw bn. 1 zonkleurig • Westvlaams geluw, geelw, Duits Gelb, Engels yellow • oude nevenvorm van geel

gelve v. gelven, gelfe 1 baar, verheffing van het water • hetz. als golf (oneig., o.i.v. golf ‘zeeboezem’ uit het Grieks), ~ °galven/galpen

gemaak m. zie gemake

gemaat m. zie gemate

gemagen mv. 1 onderlinge verwanten • van maag ‘verwant’, vgl. gebroeders van broeder

gemake m., gemaak 1 helft van een stel 2 wederhelft 3 vriend 4 gelijke • Engels match, Noors make, IJslands maki • hetz. als makker (verbastering), van ge- ‘mede, samen’ + afl. van °maken1 ‘voegen, passen’

gemang1 bn. zie mang1

gemang2 vz. zie mang2

gemate m., gemaat 1 etensgenoot 2 makker, metgezel, ew. °geleve/°geleef • Nederduits mât (ontleend als maat) • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van °mat/°mete/°meet1 ‘eten, voedsel’

gemeed bn. zie gemeid

gemeid bn., gemeed 1 kreupel, gewond 2 gek, dwaas, dom 3 lichtzinnig, speels 4 vrolijk, blij, verheugd • ~ °meiden2 ‘beschadigen, verwonden’

gemet o. gemeten zie met2

gemund v., mund 1 verstand, geest, gedachte(n), geheugen, heugenis, (na)gedachtenis, herinnering: in gemunde hebben denken aan • Engels mind, gew. Noors mynd, IJslands mynd • in °gemundig/°mundig, van °monen/°meunen ‘denken aan, geheugen’, ~ °meun ‘geest, verstand’

gemundig bn., mundig 1 denkend aan, indachtig, geheugend, herinnerend: gemundig van zijn wortels • van °gemund/°mund ‘gedachten, geheugen’

genan m./v. zie genanne

genanne m./v., genan 1 naamgenoot, naamgenote • Zeeuws genan, Rijnlands Genanne • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van naam, ~ °nennen

genen zw. -de 1 gapen, openstaan • Duits gähnen • ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’, °ginnen1 ‘(zich) openen’

geng bn. 1 begaanbaar, veilig 2 gangbaar, in omloop zijnde, geldig 3 gangbaar, gewoon, veel voorkomend, vaak voorkomend • Zaans geng, Oostfaals ginge, genge • in Ginkel (ouder Gengiloe, Utrecht), van °gangen ‘gaan’ (vgl. °feng naast vangen), ~ gang, °ganger/°genger

gengelen zw. -de zie gangelen

genger m. zie ganger

genist v. 1 redding, verlossing 2 genezing, heling • van genezen

genogen onr. genag, genocht, h. genogen 1 reiken, toereiken 2 toereikend zijn, voldoende zijn, genoeg zijn • ~ genoeg, °noegen, na, naar, mog. ~ °uister ‘gretig’

genten zw. -te 1 heel maken, helen, genezen • van °gant ‘(ge)heel’

genucht v. 1 overvloed, toereikendheid • ~ °genogen

gerard o. 1 eten, voedsel 2 maaltijd • mog. ~ °rarn ‘huis’ en/of °rast, rust

gerarn m. zie gerarne

gerarne m. 1 gebuur, nabuur, buurman • Noors granne, IJslands granni • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van °rarn ‘woning’

gerden st. gord, h. gegorden, garden 1 omringen, omsluiten, omvatten • Faeröers gjarða • ~ gorden, gordel, gaard

gereden zw. -de, gereiden 1 in orde brengen, gereedmaken 2 voorbereiden • Noors greie, IJslands greiða • van gereed, ~ °reed

gereiden zw. -de zie gereden

geren1 zw. -de 1 verschrikken, angst aanjagen • ~ geest, °gijzen

geren2 zw. -de zie jeren

gerf v. 1 insnijding, keep, kerf 2 spleet, reet, kier 3 geul, greppel • Kortrijks gerve, Zaans gurf, gerf • wel ~ garf ‘schoof’ (dan eig. ‘gesneden koren’)

gerinnen st. geron, is geronnen 1 stollen, stremmen: geronnen bloed • van ge- ‘samen, geheel’ + °rinnen ‘lopen; vloeien’

gern bn., garn, gaarn 1 gretig, belust, begerig • ~ gaarne, begeren

gers m. gerzen, gars 1 zevenblad (Aegopodium podagraria) • Duits Giersch • mog. ~ °garwe2/°gerwe2 ‘duizendblad’

gerten zw. -te, garten 1 wijken, uit de weg gaan 2 weggaan, van huis gaan, de hort op gaan 3 van huis zijn, drentelen • Westvlaams gerten, garten, Zaans garten, gnarten, jarten, jirten

geruin1 o. 1 raadsel, mysterie • van °ruin ‘fluistering; geheim (beraad)’, ~ °geruine/°geruin2

geruin1 m./v. zie geruine

geruine m., geruin1 1 vertrouweling, raadgever, hartsvriend • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van °ruin ‘fluistering; geheim (beraad)’, ~ °geruin1, °oorruin ‘geheime, vertrouwde raadgever’

gervang m. zie geervang

gerwe1 v. -n, -s zie garwe1

gerwe2 v. -n, -s zie garwe2

gerwen zw. -de zie garwen

gerzen st. gors, h. gegorzen, garzen 1 uitsteken, opsteken, overeind staan 2 verstarren 3 huiveren van afschuw, de nekharen recht overeind hebben • Westvlaams kerzelen • ~ garstig ‘ranzig; walgelijk’, °groeien ‘uitsteken’, wel ~ °gorre ‘oude merrie’, mog. ~ °gors ‘gaspeldoorn’

geschap o. geschapen 1 schepping, vorming, schepsel 2 beschikking, verordening: de geschapen het noodlot • van °scheppen ‘maken, vormen; ontwerpen; verordenen’

geschien st. geschag, is geschien zie schien

gesibben zw. -de zie sibben

gespeel m./v. zie gespele

gespele m./v., gespeel 1 speelgenoot, speelmakker 2 vriend, vriendin, gezel, vertrouwde • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van spel

gessen zw. -te zie gissen

gestal m. zie gestalle

gestalle m., gestal 1 medestander 2 makker, maat • Fries stalke (verkleining) • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van °stal ‘stand; plek’ (vgl. °stalbroeder)

gestoem bn., gestoemig 1 stil, kalm, rustig, vredig • Duits gestüm, gestümig • in °ongestoem/°ongestoemig, van °stoem ‘grondslag’

gestoemig bn. zie gestoem

gestuur o. zie stuur2

getaam bn. zie taam1

getal bn. -taller, -st zie tal

geten st. gat, h. gegeten, begeten 1 bereiken 2 verkrijgen, verwerven, gewinnen 3 vatten, pakken, te pakken krijgen • Engels get, beget, IJslands geta • in vergeten, ~ °gatuw1/°gate1 ‘weg’, °gat ‘doorgang’, mog. ~ gissen, °gant ‘geheel’ (mits eig. ‘omvattend’), Gete (stroomnaam)

geteng bn., bw. zie teng

getes1 bn. getesser, getest zie tes1

getes2 o. getessen zie tes2

getessen zw. -te zie tessen

geu m. geuen zie geude

geude m. -n, geu 1 priester • ~ god, mog. ~ °guien1 ‘(aan)roepen’

geumen bn. 1 menselijk 2 mannelijk: geumen en keunen • van °goom2 ‘mens; man’ + °-ijn1/°-en1

geuren zw. -de zie guren

geut m./v. 1 gieting, schenking van vloeistof: een geut water 2 stortbui: hemelse geut 3 waterloop • Antwerps geut, Drents geute, geut, Duits Guss, gew. Engels git • van gieten, ~ goot, °guien2

geve v., geef 1 geschenk, gift • ~ geven, gave, gift

gevaarde m. 1 reisgezel, reisgenoot • Duits Gefährte • van ge- ‘mede, samen’ + afl. van °vaard/vaart ‘reis’

gevee bn., geveeg 1 onderling vijandig, in vete verkerend 2 vijandig jegens 3 vervuld met haat jegens 4 gehaat • van ge- ‘samen’ + °vee1/°veeg1 ‘vijandig’

gevig bn. 1 rijk, weelderig • wel ~ geven (mog. i.v.m. vermogen tot gulheid)

gevoer bn. zie voer2

gevraag bn. zie vraag

gevreinen zw. -de 1 vernemen, horen, leren: gevreinen van grootse daden • IJslands fregna (met verlies van voorvoegsel) • van °vreinen

gevulk o. 1 heerschare, legerschare, legeronderdeel, divisie, troep • ~ °vulken, °volk ‘legerschare’

gewaarden zw. -de zie waarden

gewand o. 1 stof 2 kleding, gewaad, uitrusting 3 gerei, tuig 4 waar, goed • in ingewanden, ~ winden ‘wikkelen’

gewijten st. geweet, is geweten 1 nastreven, achtervolgen 2 gaan 3 weggaan, vertrekken • ~ °wijten ‘zien’, °wijen3 ‘azen’, °weide ‘jacht(gebied)’

gewoud o. 1 macht, beschikking, gezag, heerschappij, soevereiniteit: in Gods gewoud varen een onzekere toekomst tegemoet gaan 2 kracht, sterkte 3 misbruikte kracht • Duits Gewald, wel Fries wâld (in Sânwâlden) • ouder gewold, gewald, oude nevenvorm van geweld, van °wouden/°gewouden

gewouden st. gewield, h. gewouden zie wouden

gezeed bn. 1 een wisse aard hebbende: wel gezeed zijn 2 beschaafd, gemanierd • van zede

gezelnede v. 1 gezellin, echtgenote, gemalin, eega, gade • van gezel + °-nede

gezen st. gas, is gegezen zie jezen

gezinde1 m. 1 reisgezel, reisgenoot 2 gevolgsman, volgeling, dienaar • in °huisgezinde, van ge- ‘mede, samen’ + afl. van °zind ‘weg, tocht’, ≠ gezind ‘geneigd, gestemd’ (van zin)

gezinde2 o. 1 reisgezelschap 2 hofhouding, gevolg van een heer 3 gezelschap • Duits Gesinde • hetz. als gezin (verbastering), van °gezinde1

gezindschap v. 1 gezelschap 2 gevolg van een heer • van °gezinde1

gezweren mv. 1 de wederzijdse schoonvaders van een echtpaar: de gezweren lagen elkaar niet • van °zweer ‘schoonvader’, vgl. gebroeders bij broeder

gicht v. zie jecht

gichten zw. -te zie jechten

gichtig bn. zie jechtig

gieken zw. -te zie jieken

gieker bn. giekerder, -st zie jieker

giel m. 1 muil, opengesperde bek • ~ geul

Giel v. zie Jiel

gien st. gag, h. gegien zie jien

giepen st. goop, is gegopen 1 hol zijn • ~ °gopen

gieven st. goof, h., is gegoven zie guiven

giezen st. goos, h., is gegozen zie guizen

gijd m. 1 hebzucht, gierigheid, gulzigheid, vraatzucht • in °gijtsen, ~ °gede1, mog. ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’

gijg v. 1 luit 2 viool • Duits Geige • ~ gijgen1

gijgen1 zw. -de 1 luit spelen 2 viool spelen • Duits geigen • ~ °gijg

gijgen2 zw. -de 1 de mond open hebben 2 hijgen 3 begeren, verlangen • Vlaams-Brabants gâigen, Westfaals gîgen, Faeröers gíggja • ~ giechelen, °gijnen ‘gapen, openstaan’

gijl o. 1 zever, mondschuim • hetz. als gijl ‘biergist’, in °gijlen ‘aangapen’, ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’

gijlen zw. -de 1 aangapen 2 begeren 3 bedelen • Oostfaals gîlen • van °gijl ‘zever, mondschuim’

gijler m. 1 bedelaar • van °gijlen

gijm v. 1 opening, opensperring • gew. Duits giem, Noors gima, IJslands gíma • ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’

gijnen st. geen, h. gegenen 1 gapen, openstaan • Noors gina, IJslands gína • ~ gijn ‘takel’, °gijgen2 ‘de mond open hebben’, °gijm ‘leegte’, gijpen, °gijl ‘zever, mondschuim’, geil, geeuwen, °gissen/°gessen, °guwen, °ganen ‘gapen, openstaan; begeren’, °ginnen1 ‘(zich) openen’

gijs m. gijzen, gijzel 1 scheut, twijg, loot 2 dunne stok 3 pijl, ew. °arwe/°erwe, °vijl, °vliek 4 telg, afstammeling, kon vroeger als borg voor de vrede door een wedijverend huis worden opgevoed 5 menselijke borg: te gijzel geven, nemen, houden • Duits Geisel, IJslands gísl • hetz. als gijzelaar (verlenging), in voornamen als Gijsbert, Gijsmar en wel in Gijsselte (Drenthe), ~ gesel, °geer1 ‘speer’

gijtsen zw. -te 1 begeren, belust zijn op, met hebzucht verlangen • Duits geizen • van °gijd ‘hebzucht’, ~ °gede1 ‘verlangen’

gijver bn. gijverder, -st 1 hebzuchtig, gierig, gretig, gulzig • gew. Engels givour • mog. ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’

gijzel m. -s zie gijs

gijzen st. gees, is gegezen 1 afgrijzen, in grote angst verkeren • ~ geest, °geren2

gilster o. 1 schatting, belasting, ew. °gam/°gammer, °gavel • ~ °geld2, °gelden, gilde

gim m. gemen 1 winter: dit veulen is een gim oud 2 sneeuw

gimmen1 st. gom, h., is gegommen, gimpen 1 springen, huppelen • Noors gimpa • ~ °gommen/°gompen

gimmen2 zw. zie jemmen

gimpen st. gomp, h., is gegompen zie gimmen1

gin1 bn. ginner, -st 1 open, wijd, weids, uitgestrekt, ruim, groot • in °gin2, van °ginnen1 ‘(zich) openen’

gin2 o. ginnen 1 wijde opening, afgrond, leegte • van °gin1, ~ °ginnen1 ‘(zich) openen’

ginder v. zie jinder

ginnen1 st. gon, h., is gegonnen 1 openen, openmaken 2 zich openen, opensperren • in ontginnen, ~ °gin1, °gin2, °ginnen2 ‘lachen’ (eig. ‘de mond opensperren), °genen ‘gapen, openstaan’, °ganen ‘gapen, openstaan’, °gand ‘begerend’, °gijnen ‘gapen, openstaan’

ginnen2 zw. -de, ginniken 1 lachen, spottend lachen 2 gekheid maken, grappen 3 voor de gek houden, beetnemen, ew. foppen, bedotten • IJslands ginna • eig. ‘de mond opensperren’, in ginnegappen ‘onhebbelijk lachen’, ~ °ginnen1 ‘(zich) openen’

ginniken zw. -te zie ginnen2

gint vnw. 1 dat: gint jaar komend jaar; dit of gint • Westvlaams gint, gunt, Westfaals gint • naast gene ‘die’, ~ ginds, ginder, °beginden ‘voorbij’

gissen zw. -te, gessen 1 snakken, snikken, hikken • Duits gischen, gischten, gew. Engels yesk, yex, yox • ≠ gissen ‘raden’, ~ geeuwen, °gijnen ‘gapen’

gister v. 1 hand, ew. °mond, °volm • mog. ~ gast

git vnw. zie jit

glaai bn. 1 glimmend, glad 2 doorschijnend, doorzichtig 3 opgezet, ontstoken • Gronings glaai, Fries glei, glaai, gew. Noors glæ, IJslands glær • ~ glad, gloeien, glas, °glaar1, °glaar2, °glan

glaar1 bn. glaarder, -st 1 schitterend, glinsteren 2 schitterend, helder, starend, groot, van ogen • in °glaren1, ~ °glaar2, glas, gloeien, °glaai, glad, °glan

glaar2 o. 1 barnsteen 2 hars • ~ °glaar1, glas, gloeien, °glaai, glad, °glan

glan bn. glaner of glanner, -st 1 helder, zacht schijnend, glanzend • Noors glan o. • in Glane (voorheen stroomnaam, Overijssel), ~ glunder, Geleen (ouder Glene, voorheen stroomnaam, Limburg), gloeien, glad, glas, °glaai, °glaar1, °glaar2

gland bn., glend 1 glimmend, glanzend 2 gloeiend 3 heet • Westfries gland, Gronings glìnde, glìnne, glìn • ~ °glinden/°glinten of gloeien

glaren zw. -de 1 schitteren, glinsteren, in verschillende kleuren 2 schitteren, van ogen 3 glazig kijken, staren • Westvlaams glariën, glaren, Engels glare • van °glaar1

glauw bn. 1 goed ziend, scherpziend, voorzichtig, nauwkeurig, wijs 2 goed te zien, duidelijk zichtbaar, helder • Zaans glouw, glooi, Oostfries glau, Noors gløgg, IJslands glöggur • wel ~ °gluimen ‘dreigend kijken’

glede m., glee 1 kiekendief (Circus) 2 wouw (Milvus milvus) 3 buizerd (Buteo buteo) • Drents glee, Fries glee, Engels glede, gew. Deens gleie, IJslands gleða • wel ~ glijden

glee m. zie glede

gleim m. 1 glans, schijnsel, schittering, licht • Engels gleam • ~ °glijmen

glend bn. zie gland

glezen bn. 1 van glas gemaakt, op glas lijkend • oude nevenvorm van glazen, van glas

glie o., gluw 1 vrolijkheid, vrolijk geluid, gezelligheid • Engels glee • ~ °gloom ‘gejubel’, wel ~ °galen ‘roepen; zingen’

glief v., glieven 1 gleuf, kier • Drents glieve, Sallands glieve, IJslands gljúfur m. • ~ gleuf, glop ‘smalle doorgang’

glijmen st. gleem, h. geglemen 1 schijnen, schitteren • gew. Duits gleimen, Noors glima • ~ °gleim

glijten st. gleet, h. gegleten 1 schijnen, glitteren • Duits gleißen • ~ glitteren

glimpen st. glomp, h. geglompen 1 glanzen, blinken: glimpend haar • Westvlaams glimpen • oude nevenvorm van glimmen, ~ glimp

glinden st. glond, h. geglonden, glinten 1 schijnen, schitteren 2 kijken • ~ glunderen, glinsteren, glans, mog. ~ °gland/°glend

glinten st. glont, h. geglonten zie glinden

gloef m./v. zie gloeve

gloem1 bn. 1 troebel, onhelder 2 nevelig, mistig 3 schemerachtig, duister • Oostfaals glaum • ~ °gloem2, °gloemen

gloem2 o. 1 troebelheid, onhelderheid 2 nevel, mist 3 schemer, duisternis • Engels gloom • van °gloem1, ~ °gloemen

gloemen zw. -de 1 vertroebelen, troebel worden, onhelder worden 2 nevelen, misten 3 duisteren, duister worden • van °gloem1 of °gloem2

gloeve m./v., gloef 1 handschoen • Engels glove • van ge- + °loeve ‘handvlak’

gloom m. 1 gejubel, vrolijk geluid • IJslands glaumur • ~ °glie/°gluw ‘vrolijkheid’, wel ~ °galen ‘roepen; zingen’

gluimen zw. -de 1 dreigend zien, staren 2 nijdig, vals zijn (gezegd van honden) • wel ~ °glauw ‘scherpziend’

gluw o. zie glie

gnap bn. gnapper, -st 1 nauw, eng 2 nauwsluitend, welvoeglijk, net 3 aantrekkelijk, mooi, bevallig 4 bekwaam, flink, kloek • Zaans gnap, verouderd Fries gnap, gnep • hetz. als knap (verbastering), wel eig. ge-nap en ~ °noever ‘bekwaam’

gneest m. 1 vonk • Noors gneiste • ~ °gnijzen

gnijden st. gneed, h. gegneden 1 wrijven • Noors gni, gnide • ~ °gnijzen

gnijzen st. gnees, h. gegnezen 1 verbrijzelen, vergruizen 2 knarsetanden 3 de tanden tonen, grijnzen, grinniken 4 mopperen, morren • Drents gniezen, Fries gnize, Noors gnisa, IJslands gnísta • hetz. als kniezen (gew., verbastering), ~ °gnisteren, °gneest, °gnijden

gnisteren zw. -de 1 knetteren • Fries gnisterje, Duits gnistern, knistern (ontleend als knisteren) • ~ °gnijzen

go o. gooien zie gooi

gobbelen zw. -de zie gobben

gobben zw. -de, gobbelen, gobberen 1 stromen, plenzen 2 gutsen, klotsen, heen en weer bewegen, van vloeistof 3 overgeven, braken • Gronings gobben, gobbeln, Drents gobben, IJslands gubba • ~ °guiven

gobberen zw. -de zie gobben

gode v. 1 geroep 2 spot, beschimping • Noors gau, verouderd IJslands gauð • ~ °gooien/°gouwen ‘schreeuwen, roepen’, °guien1 ‘(aan)roepen’

godeweb o. 1 goddelijk weefsel, zeer kostbare stof • van oud mv. van god + web

goedspel o., gospel 1 de blijde boodschap, het evangelie • Engels gospel • van goed + °spel ‘verkondiging, verhaal’

goelen zw. -de 1 groeten 2 sussen, troosten • IJslands gæla • ~ °galen1

goem m., goom3 1 gehemelte, verhemelte 2 tandvlees • Westfaals gômen, Duits Gaumen, Engels gum, IJslands gómur • ~ °ganen ‘gapen, openstaan’

gof m. 1 scheut, guts 2 stoot, duw, zet • Zaans gof • ~ °guiven/°gieven

goken zw. -te 1 misleiden, voor de gek houden, bedriegen, beetnemen, ew. foppen, trullen • van °gook ‘koekoek’ (eig. ‘bedrieger’), ~ goochelen, °guigen

golf o. golven 1 verhoogde houten vloer 2 vak in de schuur voor de berging van koren en hooi • Drents golf, goul, Fries golle, Noors golv, IJslands gólf

gollen zw. -de 1 luid zingen 2 roepen • ~ °galen ‘roepen; zingen’, gillen, mog. ~ °gloom ‘gejubel’, °glie/°gluw ‘vrolijkheid’

gomeloos bn., goomloos 1 achteloos, slordig, nalatig, ew. °gauweloos/°gauwloos • van °goom1

gomen zw. -de 1 de aandacht op iets vestigen, letten op, bezien 2 zorg dragen voor 3 menen, van mening zijn • gew. Duits gaumen, gäumen, Noors gjemme, gjømme, IJslands geyma • van °goom1

gommen zw. -de, gompen 1 springen, huppelen • Zwitsers gumpe, gumpele, gümpele, Zweeds gumpa • ~ °gimmen/°gimpen

gompen zw. -te zie gommen

gond1 v., gonde, gunde 1 strijd, krijg, oorlog, ew. °baduw, °hade, °hilde/°hild • in voornamen als Hildegond, ~ °banen2 ‘doden’, mog. ~ °gond2

gond2 m. 1 zweer, ontsteking • gew. Engels gound • in °gonderave, mog. eig. ‘wond, slag’ en ~ °gond1

gonde v. zie gond1

gonderave v. 1 wis kruipend gewas (Glechoma hederacea), vanouds een middel tegen zwerende wonden • hetz. als hondsdraf, onderhave (verbasteringen), van °gond2 ‘zweer, ontsteking’ + °rave2 ‘rank’

gondvaan m. 1 krijgsvaandel • van °gond1+ vaan

gooi o., go 1 landstreek, gewest • Gronings go (in Gorecht, Fivelgo, Hunsingo), Fries gea, Duits Gau • hetz. als het Gooi (Noord-Holland), nevenvormen van gouw, mog. van ge- + (nevenvormen van) °ouw/°ooi ‘land langs water’

gooien zw. -de, gouwen 1 schreeuwen, roepen 2 huilen, gieren, van de wind • Fries geie, gew. Noors gøy, verouderd IJslands geyja • ~ °gode ‘geroep’, °guien1 ‘(aan)roepen’

gook m. 1 koekoek 2 dwaas • Duits Gauch, Noors gjøk, IJslands gaukur • eig. ‘bedrieger’, ~ °goken ‘misleiden, voor de gek houden’, goochelen, °guigen ‘heimelijk doen; misleiden’

goom1 m./v. 1 acht, aandacht, opmerkzaamheid: goom nemen op iets 2 feestelijk onthaal, gastmaal 3 mening, inzicht: naar mijn goom • Noors gaum, IJslands gaumur • in °gomeloos, °gomen, mog. ~ god (mits eig. ‘het geachte’)

goom2 m. 1 aardling, mens: goden en gomen 2 man • IJslands gumi • in bruidegom, °druchtegoom/°druchtegom, °zezegoom/°zezegom, °geumen, mog. ~ gammel ‘vervallen, oud’ (mits eig. ‘tot de aarde bestemd’ o.i.d.)

goom3 m. zie goem

goomloos bn. zie gomeloos

goor bn. goorder, -st, gorig 1 treurig, verdrietig 2 armzalig • ≠ goor ‘smerig, vies’

gopen v. 1 lege hand 2 de beide handen gekomd samengehouden • ~ °giepen

goren zw. -de zie guren

gorig bn. zie goor

gorre v. 1 oude, versleten merrie, knol: gorre om guil gelijk tegen gelijk • Gents gorre, Fries goarre, Duits Gurre, Gorre • wel ~ °gerzen/°garzen ‘verstarren’

gorren zw. -de 1 rommelen, knorren, snorren, grommen • Duits gurren, gew. Engels gurr, gurl

gors m. 1 gaspeldoorn (Ulex europaeus), een stekelige, licht ontvlambare struik die na brand snel weer groeit, ew. °vurs/°vors • Engels gorse • mog. ~ °gerzen/°garzen ‘uitsteken; verstarren’, dan wel ~ °gorselen/°gorstelen ‘verschroeien’

gorselen zw. -de, gorstelen 1 verschroeien, verbranden, verzengen, uitdrogen • Zaans garstelen, Fries goarselje • mog. ~ °gors ‘gaspeldoorn’

gorstel v. 1 kraakbeen • Engels gristle

gorstelen zw. -de zie gorselen

gospel o. zie goedspel

gosselen zw. -de zie gussen

gouder o. 1 toverlied, bezwering 2 tovenarij • IJslands galdur • ~ °galster ‘toverlied’, °galen1

goudroden bn. 1 met gulden ornamenten versierd • van goud + °roden

goudvinger m. 1 vierde vinger van de hand, ew. °hartvinger, ringvinger

gout m. 1 gesneden mannelijk zwijn • ~ °geld1 ‘onvruchtbaar’, °gelt

gouwen zw. -de zie gooien

gra bn. 1 askleurig • Oostvlaams gra, graad, graat, Westfaals grå, Noors grå, IJslands grár • oude nevenvorm van grauw (vgl. °bla naast blauw), ~ °grauwen/°gruwen, °graken/°grieken

graad1 m. 1 honger 2 begeerte, gulzigheid, hebzucht • Engels greed • in graag (ouder gradig)

graad2 m. 1 scherpe punt, spitse punt 2 scherpe rand • Westfaals gråd, Duits Grat • ~ °groeien ‘uitsteken’

graafnede v., gravenede 1 gravin • van graaf + °-nede

graan v. 1 kafnaald, ew. °eil, °ein 2 dennennaald, sparrennaald, ew. °bar, °leem 3 borstelig haar, baardhaar, snorhaar: zijn granen opsteken zijn knevels opstrijken 4 graat • Westvlaams granen mv., Duits Granne, Zweeds gran, gew. grän (ontleend als green, in grenen), Noors gran, IJslands grön • ≠ graan ‘koren’ (van Latijn grānum ‘korrel’), ~ °groeien ‘uitsteken’

graat m. 1 gehuil, geween • ~ °graten

grabben zw. -de zie grapen

graft v. 1 gegraven waterloop • Gronings graft • oude, meer oorspr. nevenvorm van gracht, van graven, ~ °grapen/°grappen/°grabben

graken zw. -te, grieken 1 dagen, aanbreken van de dag • hetz. als krieken (verbastering), ~ °graking/°grieking, °grauwen/°gruwen, °gra/grauw

graking v., grieking 1 dageraad, morgenstond, ochtendschemering • van °graken/°grieken

gram bn. gramer of grammer, -st 1 boos, verstoord, toornig, verbolgen, vijandig • Gronings gram, Noors gram, IJslands gramur • ~ grim, °grimmen

gramhugdig bn. 1 geneigd tot vijandigheid • van °gram+ °hugdig

gran bn. granner, -st 1 puntig, scherp 2 nauwkeurig • Oostfries gran, Noors grann, IJslands grannur • ~ °groeien ‘uitsteken’

grand m. 1 grof zand 2 grof meel • Twents grand, Gronings grand, Fries grân o., IJslands grandi • ~ grind, °grinden

granten zw. -te 1 op iets belust zijn • in °granter

granter m. 1 landloper, bedelaar • van °granten

grapen zw. -te, grappen, grabben 1 schrapen 2 vlug pakken, grissen • Gronings groapen, Engels grab, grapple • ~ °grapsen/°graspen, grap, grabbelen, graven, graf, °graft/gracht, greppel, groep ‘stalgoot’, groeve/groef, °grobben, niet ~ grijpen, °grippen (wel erdoor beïnvloed)

grappen zw. -te zie grapen

grapsen zw. -te, graspen 1 vlug pakken, grissen • gew. Duits grapsen, grapschen, Engels grasp, gew. graps, grapse, Noors grapse, grafse • ~ °grapen/°grappen/°grabben

graspen zw. -te zie grapsen

graten st. griet, h. gegraten 1 wenen, huilen 2 rouwen • Noors gråte, IJslands gráta • ~ groeten, °graat

grauwen zw. -de, gruwen 1 dagen, aanbreken van de dag • Antwerps grauwen, Noors gry • ~ °graken/°grieken, °gra/grauw, mog. ~ °guren/°geuren/°goren ‘stralen; kijken’ en/of °groeien ‘uitsteken’

gravenede v. zie graafnede

grede v., gree 1 wijdbeense stand 2 stap • ~ °grijden

gree v. zie grede

greef m. zie greve

gremmen zw. -de 1 boos maken, kwaad maken • ~ grim, gram, °grimmen

grete v. 1 begerigheid, sterk verlangen • ~ gretig

greur m. 1 verschrikking, iets vreselijks 2 angst, grote vrees • ~ °griezen, wel ~ °grouwen/gruwen, °gruizen ‘huiveren’

greve m., greef 1 kreupelhout, struikgewas 2 klein bos • Westfaals graiwe (in Graiwen, ambtelijk Greven), Engels grove, gew. greave, gew. Noors greivlar mv. ‘takken van een gewei’

grevel m., greving 1 das (Meles meles) • Gronings greven, Westfaals griəwel, Oostfaals grêwing, Noors grevling • ~ graven

greving m. zie grevel

grief v. zie grieve

grieken zw. -te zie graken

grieking v. zie graking

griet o. 1 puin, steengruis 2 grof zand 3 strijdperk, krijt • Westvlaams griet, gew. Engels greet, gew. Noors grjot, IJslands grjót • van °grieten ‘vermorzelen, verbrijzelen’, ~ grut, gort

grieten st. groot, h. gegroten 1 vermorzelen, verbrijzelen • ~ °griet, groot, grut, gort, °grom

grieve v., grief 1 kaan, uitgebakken stukje vet • Duits Griebe, Engels greaves mv. • ~ grof

griezen st. groor, h. gegroren 1 bang maken, verschrikken • ~ °greur, wel ~ °grouwen/gruwen, °gruizen ‘huiveren’, niet ~ °grijzen/°grijzelen/griezelen, afgrijzen

grijden st. greed, h. gegreden 1 de benen uiteen zetten, wijdbeens staan 2 een stap zetten, stappen • ~ °grede

grijm m./v., grim 1 vlek, smet 2 roet, zwartsel, smeer 3 zwart gesmeerd gezicht 4 vermomming, mom, masker 5 helm, al dan niet met masker 6 boze geest, kwade geest • Westvlaams grijm, grim, Zaans grim, Twents grim, Gronings grim (in grimd ‘gevlekt’), Engels grime, Deens grime, IJslands gríma • in °grijmen en eigennamen als Grimbert, ≠ grim ‘toorn’, voorlopers zijn uitgeleend aan het Frans en teruggeleend als grimas en grime ‘schmink’, vgl. °mas1/°masser

grijmen zw. -de 1 zwart maken, beroeten 2 knoeien, morsen • Westvlaams grijmen, mog. Drents griemen, Engels grime • van °grijm

grijnen st. green, h. gegrenen 1 flitsen, oplichten 2 snauwen 3 onaangenaam, boosaardig kijken, grijnzen 4 schreeuwen, huilen • Gronings grienen, Zwitsers grīne • ~ grijnzen, °grijzen/°grijzelen/griezelen, mog. ~ gril ‘overmatig licht; fel, wijd open (van ogen)’

grijp m. 1 gier • van grijpen, ~ grip, greep

grijzelen zw. -de zie grijzen

grijzen st. grees, h. gegrezen, grijzelen 1 een lelijk gezicht trekken, van woede, smart of schrik 2 krijsen met een lelijk gezicht 3 huiveren 4 de tanden bloten 5 knarsetanden • Westvlaams grijzelen, krijzelen, Antwerps grijzen, Limburgs grijzen, Gronings griezen, Fries grize, gew. Engels grize, grizzle • hetz. als griezelen (met gew. klinker), in afgrijzen, ~ grijnen, grijnzen, niet ~ °griezen

grim m. grimmen zie grijm

grimmen st. grom, h. gegrommen 1 woeden, tieren, razen • ~ grim, °gram, °gremmen, °grimzen, grommen, °grommel ‘donder; onweer’

grimzen zw. -de 1 woedend zijn, toornen, woeden, razen, wreed optreden • van grim, ~ °grimmen

grind1 m. 1 schurft • Zwitsers Grind • mog. ~ °grinden

grind2 v. 1 omheining, hek • Noors grind, IJslands grind • ~ grendel

grinden st. grond, h. gegronden 1 knarsen, malen, verbrijzelen, vermorzelen • Engels grind • ~ °grand, grind, mog. ~ °grind1

grippen zw. -te 1 pakken, vastpakken, vasthouden • Engels grip • ~ grijpen

gro m. zie grode

grobbelen zw. -de zie grobben

grobben zw. -de, grobbelen 1 schrapen, bijeengrijpen 2 wroeten 3 boenen • Westvlaams grobbelen, Zeeuws grobben, Utrechts grobbelen, Fries grobje, grobbelje, Engels grub, gew. grob, grobble • ~ °grapen/°grappen/°grabben, graven

grode m., gro 1 boezem, borst 2 schoot

groe v. zie groede

groede v., groe 1 ontspruiting, ontkieming 2 groenheid, frisheid 3 groei, wasdom 4 groen buitendijks land, begraasde aanwas • Fries groede, IJslands gróði m., gróður m. • hetz. als Groede (Zeeland), Groet (ouder Groede, Noord-Holland), van °groeien

groeien st. grieuw, h., is gegroeien 1 uitsteken, opsteken, overeind staan: gras grieuw alom 2 ontspruiten, ontkiemen: te lente groeien boom en kruid 3 groen, fris, levenskrachtig zijn • hetz. als groeien ‘groter worden’ (oneig.), ~ °groede/°groe, groen, gras, groeze/groes, graat, °graad2 ‘scherpe punt’, °gran ‘puntig’, °graan ‘kafnaald; dennennaald; baardhaar’, °gerzen/°garzen ‘uitsteken’, mog. ~ °grauwen/°gruwen ‘dagen’, °gurre/°gur ‘klein meisje’

grom o. grommen, grum 1 stofje, vuiltje 2 stof, vuil 3 neerslag, bezinksel, droesem 4 kroost, kinderen, kind: met grom zwanger • Drents grom, grum, Gronings grom, Fries grom, gew. Zweeds gromm, gorm • hetz. als grom ‘visingewanden’, in °grommen ‘zachtjes sneeuwen’, °grommig ‘groezelig’, °grummel ‘kruimel; stofdeeltje’, ~ °grieten ‘vermorzelen’, grut ‘gebroken graan; kroost’

grommel m. 1 donder 2 onweer • Gronings grommel, Drents grommel • ≠ gerommel, in °grommelen, ~ °grimmen ‘woeden, tieren, razen’, grommen

grommelen zw. -de 1 donderen 2 onweren • Gronings grommeln, Drents grommeln, Westfaals grummeln • van °grommel

grommelig bn. zie grommig

grommen zw. -de 1 zachtjes sneeuwen • Drents grommen • van °grom

grommig bn., grommelig 1 groezelig, smerig 2 wazig, troebel 3 onweerachtig, dreigend, vuil • Gronings grommeg, Drents grummelig, grommelig, Westfaals grummelig, Fries grommich, grommelich, gew. Engels grumly, Zweeds grumlig • van °grom, met invloed van °grommel ‘donder; onweer’

groop m. 1 pot 2 ketel

grouwen zw. -de 1 huiveren • Zeeuws grauweren, Fries grouwe, grouje, Duits grauen • oude nevenvorm van gruwen, ~ °gruizen, wel ~ °griezen ‘verschrikken’, °greur

gruizen zw. -de 1 huiveren • Twents groezen, groezeln, Oostfries grûsen, Duits grausen, gew. Engels growze ‘rillen’ • ~ °grouwen/gruwen, wel ~ °griezen ‘verschrikken’, °greur

grum o. grummen zie grom

grummel o., grummetje 1 kruimel 2 stofdeeltje 3 beetje • gew. Engels grummel • van °grom/°grum

grummetje o. zie grummel

gruntelen zw. -de zie grunten

grunten zw. -te, gruntelen 1 knorren 2 grommen • Engels grunt, Duits grunzen

gruwen zw. -de zie grauwen

guf bn. 1 scheutig, vrijgevig 2 kwistig, weelderig, overdadig 3 gulzig • ~ °guiven/°gieven

guien1 zw. -de 1 roepen, aanroepen 2 huilen, gieren, fluiten, met name van de wind • Zaans guien • ~ °gooien/°gouwen ‘schreeuwen, roepen’, °gode ‘geroep’, guiten ‘kraaien (van genot); drenzen; huilen van de wind’, °guis ‘spot’, °guilen ‘huilen’, mog. ~ god (dan eig. ‘het aangeroepene’), °geude/°geu ‘priester’

guien2 zw. -de 1 gieten 2 stromen, gulpen • Drents guien • ~ gieten, °guiven/°gieven, °guizen

guig m., guiger 1 iemand die (of iets dat) zich verbergt, heimelijk doet, misleidt of gekheid maakt • verouderd Deens gyg, gyger, Noors gygr, jyvr, gjøger v., IJslands gýgur v. • ~ °guigen

guigen st. goog, h. gegogen 1 heimelijk doen, zich verbergen, zich verschuilen 2 misleiden, voor de gek houden 3 gekheid maken, spotten • ~ °guig/°guiger, guichelen, goochelen, °gook ‘koekoek’ (eig. ‘bedrieger’), °goken ‘misleiden, voor de gek houden’

guiger m. zie guig

guilen zw. -de 1 huilen, janken, schreeuwen, roepen • Drents goelen, gew. Engels gowl, goul, gool • ~ °guien1 ‘roepen; huilen’, mog. ~ guil ‘knol’ (vroeger o.a. ook ‘hengst’, vgl. °wreen ‘hengst’ bij °wrijnen ‘huilen’)

guis m. 1 hoon, spot 2 opgetrokken neus, minachtend gezicht • ~ verguizen ‘beschimpen’, °guien1 ‘roepen; huilen’

guiven st. goof, h., is gegoven, gieven 1 stromen, vloeien • Noors guve, gjuve • ~ °guf, °gof, °gobben, °guien2 ‘gieten’

guizen st. goos, h., is gegozen, giezen 1 gutsen, stromen 2 hoorbaar stromen 3 regenen • Twents goezn, Gronings goezen, gew. Engels gowze, IJslands gjósa • ~ °gussen, °guien2 ‘gieten’, mog. ~ gul

gunde v. zie gond1

gunder m. zie gunner

gunnaar m. zie gunner

gunner m., gunder, gunnaar 1 iemand die een ander gunstig gezind is of begunstigt 2 vriend, makker, maat • Duits Gönner • van gunnen

gur v. gurren zie gurre

guren zw. -de, geuren, goren 1 stralen, pronken 2 kijken, staren • Noordbrabants geure, Drents geuren, Fries guere • mog. hetz. als guren/geuren ‘lekken, vallen, van koren e.d.’ (mits eig. ‘stralen’), mog. ~ °gra/grauw, °grauwen/°gruwen ‘dagen’

gurre v. gurren, gur 1 klein meisje • Gelders-Overijssels gör, Oostfaals gör, Engels girl (mog. ontleend aan het Nederduits), gew. Zweeds gorre, gurre m. ‘jongen’ • mog. ~ °groeien

gusselen zw. -de zie gussen

gussen zw. -te, gusselen, gosselen 1 gutsen, stromen • Westvlaams gusselen • ~ °guizen

guwen zw. -de 1 gapen, geeuwen 2 aangapen, hunkerend kijken 3 staren • Westvlaams guwen, Fries gouwe • ~ geeuwen, °gijnen ‘gapen’

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Toelichting