Skip to content

Vergeten woorden – E

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Toelichting

E

echel v. zie egel1

echt v. 1 bezit, eigendom, vermogen 2 vermogen, kracht 3 familie, sibbe, bloedlijn, ras • IJslands ætt • ≠ echt ‘huwelijk’, in °vrecht/vracht ‘loon, lading’, van °egen ‘bezitten’

ed- 1 voorvoegsel dat herhaling en wederkering aanduidt • in °edloon, °ednieuw, °ederukken, °edewijt, °edewinden, en met oneigenlijke spelling in etgras, etmaal

ede v. 1 moeder • ~ °edem, wel ~ °edis ‘vrouw van aanzien’, mog. ~ °ijde ‘gang; vlijt’

edem m. 1 schoonzoon • Limburgs eejem, Duits Eidam • ~ °ede

eden zw. -de 1 de eed afnemen, beëdigen • Duits eiden • van eed, ~ °ette ‘beëdigde, gezworene’

eder m. eders, ederen 1 hek, schutting, omheining 2 omheind oord • Westfaals ær (in balkenær), Zwitsers Etter, gew. Engels edder, eder, ether, IJslands jaðar

ederiken zw. -te zie ederukken

ederukken zw. -te, ederiken 1 herkauwen • Antwerps irriken, irken, nirken, gew. Duits itrücken • van °ed- ‘wederom’ + °rukken ‘oprispen’

edewijt o. 1 smaad, hoon • van °ed- ‘wederom’ + °wijt1 ‘straf’

edewinden st. edewond, h., is edewonden 1 ronddraaien, slingeren • van °ed- ‘wederom’ + winden

edis v. edissen 1 vrouw van aanzien, edele vrouw 2 bovennatuurlijke, goddelijke vrouw • wel ~ °ede ‘moeder’, mog. ~ °ijde ‘gang; vlijt’

edlonen zw. -de 1 belonen 2 vergelden • van °edloon

edloon o. 1 beloning 2 vergelding • in °edlonen, van °ed- ‘wederom’ + loon

ednieuw bn. 1 hernieuwd, verkwikt, wederom sterk • van °ed- ‘wederom’ + nieuw

ee1 v. eeën zie eeuw1

ee2 v. eeën, eeuw2 1 wet, zede, gebruik, godsdienst: nood breekt ee nood breekt wet, de oude ee het vóórchristelijke, vooral het oude testament, de nieuwe ee het christendom, het nieuwe testament 2 huwelijk, echt: ter ee verzoeken • Duits Ehe • in °eebraak, °eebreker, °eebreuk, eega, °eehacht/echt, °eelijk, °eenede, °eevast, °eeward/Eward, °eezegger, Erik, Ewoud, wel ~ °eeuw1/°ee1 ‘leven, levenskracht; leeftijd; tijdperk; 100 jaar’, anders mog. eig. ‘wijze, gang, weg’ en ~ °ijen ‘gaan’

eebraak bn. 1 wetbrekend, onzedelijk 2 overspelig • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + °braak1

eebreker m./v. 1 breker van de wet 2 breker van de huwelijkseed, overspelige • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’

eebreuk v. 1 het breken van de wet 2 het breken van de huwelijkseed, overspel • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’

eed m. 1 vuur, lichtend vuur 2 brandstapel, ew. °baal 3 gloed • in °eiden ‘verbranden; harden met vuur’, °eel1 ‘vuur, brand’, ~ °ees ‘vuurhaard’, eest ‘droogoven’, mog. ~ °eer2 ‘metaal’

eedspel o. -spellen, espel 1 de woorden van de eed, het eedformulier, ew. °eedstaf 2 ambt, bediening, waarvoor men bij aanvaarding een eed aflegt 3 rechtsgebied, district • van eed + °spel ‘verkondiging, verhaal’

eedstaf m. -staven 1 de woorden van de eed, het eedformulier, ew. °eedspel 2 afgelegde eed • IJslands eiðstafr • in °eedstaven, van eed + °staf1 ‘schriftteken; stokje’

eedstaven zw. -de 1 de woorden van de eed voorzeggen, ew. °staven • Drents eedstaven, IJslands eiðstafa • van °eedstaf

eeg m. 1 slang 2 worm • in °egel1/°echel ‘bloedzuiger’, mog. ~ egel (mits eig. ‘slangeneter’)

eehacht bn. 1 wetgebonden, wettig 2 waarlijk, waarachtig, werkelijk • hetz. als echt ‘werkelijk; huwelijk’ (samentrekking), van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + °hacht1 ‘gebonden’

eek bn., iek 1 eeuwig • ~ °eeuw1/°ee1

eel1 o. 1 vuur, brand • in °eilen ‘branden’, van °eed ‘vuur; brandstapel’

eel2 m., elg, elk 1 eland • Duits Elch, Engels elk, Noors elg, IJslands elgur • oude nevenvormen van eland

eel3 bn. zie eluw

eelijk bn., elijk 1 wettig, volgens de wet, rechtmatig, vooral van echtgenoten gezegd • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’

eem1 m. 1 stoom, damp, warme lucht 2 rook • Noors eim, IJslands eimur

eem2 v., eme 1 natuurlijke waterloop, stroom, rivier, ew. °a, °aam/°ame, °aap, °alm, °elve, °rin/°rinne, °streude, vliet • Drents eem (in beëmen ‘bevloeien’) • in Eemnes, Eemten, ~ °aam1, °amen2 ‘gieten, stromen’

eenboren bn. 1 uniek, enig in zijn soort of generatie • van een + (ge)boren

eendage m. 1 vastgestelde dag, voor bijvoorbeeld een rechtszitting 2 sterfdag

eenede v. 1 echtgenote, gemalin, eega, gade • van °ee ‘wet’ + °-nede

eenhard bn. 1 moedig, standvastig, bestand

eenloop bn. 1 vrijgezel, alleenstaand

eennacht bn. 1 één nacht oud

eenode v., enode 1 woestenij, heide 2 onherbergzaam oord • van een, vgl. °evenode, °heemode, °jegenode

eenwijg o. 1 een-op-een-gevecht, duel • van een + een nevenvorm van °wijg ‘strijd’

eenwoud m. 1 monarch, erfelijk heerser, keizer, koning • van een + °woud2 ‘heerser’

eer1 m. 1 boodschapper, bode, heraut • wel ~ °ijen ‘gaan, zich voortbewegen’, niet ~ °erend/°arend ‘boodschap, opdracht’

eer2 o. 1 metaal in het algemeen 2 koper • Engels ore, IJslands eir • mog. ~ °eed ‘vuur; brandstapel’

eer3 o. zie eruw

eer4 v. 1 (roei)riem • Engels oar, IJslands ár

eerdagen mv. 1 dagen van weleer • IJslands árdagar • van eer ‘vroeg(er)’ + mv. van dag

eern m. zie eren3

eernen zw. -de 1 een boodschap brengen, om een boodschap gaan 2 verkondigen, spreken • Fries earnje, IJslands árna • ~ °eer1

eerwakker bn. 1 vroeg-wakker • van eer ‘vroeg(er)’ + wakker

ees v. ezen 1 vuurhaard 2 smidse • Noors eise, IJslands eisa • ~ °eed ‘vuur; brandstapel’, eest ‘droogoven’

eesten zw. -te 1 eren, eerbiedigen, hoogachten • ~ eer

eet v. 1 wilde haver • Zaans oot, Engels oat • wel eig. ‘korrel, graanvrucht’ en ~ °eit ‘zwelling’, niet ~ eten, wel al vroeg verhaspeld met °aat1 ‘eten; veevoer’

eeuw1 v., ee1 1 leven, levenskracht, tier, fut: eeuw en eg leven en vlijt 2 leven, levensduur, levenstijd, leeftijd 3 tijdperk, zeer lange tijd • Westvlaams eeuwe, Fries ea bw. ‘ooit’, Engels ever bw. ‘ooit; altijd’, Noors æve, IJslands ævi v., æ bw. ‘altijd’, -ær bn. (in langær ‘langdurig’) • hetz. als eeuw ‘100 jaar’, in °eeuwen3 ‘eeuwig’, ~ °eek/°iek ‘eeuwig’, °ie1/°jo ‘altijd; ooit’, jong ‘vol leven’, wel ~ °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’, mog. in °eeuwen2 ‘voeden’

eeuw2 v. zie ee2

eeuwen1 zw. -de 1 minachten, verachten, versmaden • in °eeuws

eeuwen2 zw. -de 1 te eten geven, voeden, weiden • IJslands æja • ~ °eeuwsel, mog. van °eeuw1/°ee1 ‘leven, levenskracht’

eeuwen3 bn. 1 eeuwig • IJslands ævin- • van °eeuw1/°ee1 ‘leven, levenskracht; leeftijd; tijdperk; 100 jaar’

eeuws bn. 1 veracht, geminacht, versmaad • van °eeuwen1

eeuwsel o. 1 weide in een bos • van °eeuwen2

eevast bn. 1 trouw aan de wet, godsdienstig, religieus, vroom • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + vast

eeward m., eward 1 hoeder van de wet, priester • hetz. als de naam Eward, van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + °ward ‘hoeder’

eezegger m., ezige 1 wetzegger, kenner van de wet • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + een oude afleiding van zeggen

effenen zw. -de, evenen 1 uitvoeren, voltooien, afmaken • Noors evne, emne, IJslands efna • ≠ effenen ‘gelijkmaken’, ~ oefenen of af

efferen bn. zie averen

eg v. eggen 1 scherpe kant, van mes, bijl, zwaard: met oord en eg, ew. snede 2 rand 3 zwaard, ew. °bil, °brand, °heer/°heur, °maak 4 vlijt, ijver: eeuw en eg leven en vlijt • Gronings eg, Duits Ecke, Fries ich, Engels edge, Noors egg, IJslands egg • hetz. als neg (met n- van het lidwoord), in Egbert, °eggesteen, °duneg ‘slaap, zijde van het voorhoofd’, van °agen1 ‘scherp zijn’

egedas v. egedassen, eidas 1 hagedis 2 salamander, watersalamander • Leids eidas, Nederduits egedisse, egedixe, Duits Eidechse, gew. Engels ask • hetz. als hagedis (verbastering o.i.v. °hagetis/heks ‘tovenares’), mog. van oude nevenvorm van °oeg1 ‘vlug’ + een afl. van °dessen2 ‘rennen’

egel1 v., echel 1 bloedzuiger • Twents egel, echel, Duits Egel, Noors igle • van °eeg ‘slang; worm’, mog. ~ egel (mits eig. ‘slangeneter’)

egel2 bn. zie agel

egel3 m. zie eigel

egelen zw. -de, eggelen 1 tot last zijn, schaden • Engels ail, Noors egle • van °agel/°egel2/°eggel ‘moeilijk, lastig’

egen onr. eeg, echt, h. geëcht 1 bezitten, in eigendom hebben • IJslands eiga, Engels owe • ~ eigen, °echt ‘bezit’

eggel bn. zie agel

eggelen zw. -de zie egelen

eggesteen m., egsteen 1 scherpe steen 2 hoeksteen • Twents eggesteen, Duits Eckstein • van °eg ‘scherpe kant’ + steen

egsteen m. zie eggesteen

eidas v. eidassen zie egedas

eiden zw. -de 1 verbranden 2 harden met vuur • van °eed ‘vuur, brand’

eigel m., egel 1 scheut, loot 2 pijl • gew. Zweeds egel, äjel • niet ~ egel ‘stekelig zoogdiertje’

eiken1 zw. -te 1 prikkelen, opwinden 2 irriteren, boos maken • ~ °eiken2, °ekel, niet ~ eikel ‘vervelende man’

eiken2 bn. 1 koppig, halsstarrig, weerspannig • Noors eikjen • ~ °eiken1, °ekel

eil m. 1 kafnaald, ew. °ein, °graan • verouderd Duits Egel, gew. Engels ail • van °agen1 ‘scherp zijn’, ~ aar ‘bloeiwijze’

eild m., eld 1 vuur, brand • Noors ild, IJslands eldur • voltooid deelwoord van °eilen ‘branden’

eilen zw. -de 1 aansteken, in brand zetten, verbranden • Oostfries ellen, ellern • in °eild ‘vuur, brand’, van °eel1 ‘vuur, brand

ein1 v. 1 kafnaald, ew. °eil, °graan • Zeeuws eine, gew. Engels ain • van °agen1 ‘scherp zijn’, ~ aar ‘bloeiwijze’

ein2 m., einbeer 1 jeneverbes • Drents imbeer, Noors einer

einbeer v. zie ein2

Eindelmeer o. zie Endelmeer

eins v. einzen zie ans3

eint bw. zie ent

eints bn. zie ents

eis m. eizen, eize 1 vrees, angst • in °eiselijk, °eizen, ~ °agen3 ‘vrezen’

eiselijk bn. 1 vreselijk, angstaanjagend • Gelders-Overijssels eiselik • hetz. als ijselijk (verhaspeld met ijs), van °eis/°eize

eit m. 1 zwelling 2 zweer, etterend gezwel 3 abces, ophoping van etter 4 oorsmeer • in °eitel, ~ etter, wel ~ °eet ‘wilde haver’ (dan eig. ‘korrel, graanvrucht’)

eitel m./v. 1 gezwel 2 gal, gezwel op een plant • IJslands eitill • van °eit

eize m. zie eis

eizen zw. -de 1 schrikken, gruwen, bang zijn • Gelders-Overijssels eizen • hetz. als ijzen (verhaspeld met ijs), van °eis/°eize

ekel bn. 1 afschuwelijk, afgrijselijk 2 zenuwachtig bang • Nederduits ekel • ~ °eiken1, °eiken2

eken st. iek, h. geëken 1 eigen maken, toeëigenen 2 aannemen • Westfaals êken • ~ eigen

el bn. 1 ander: iemand el een ander 2 vreemd • Westvlaams el • in °elbeint, elders, °elker, °elle, °ellende, °elwaarts, °elwicht, °elzaat

elbeint m., elbent 1 inwoner van een andere gouw 2 vreemde • van °el ‘ander’ + °beint ‘inwoner van een gouw’

elcht m./v. zie alft

eld m. zie eild

elde v. 1 leeftijd, levenstijd, tijdperk 2 hoge leeftijd, ouderdom • Westvlaams elde, Fries jeld, gew. Engels eld, IJslands öld • in wereld, van oud (ouder old, ald), ~ °alen ‘(doen) groeien’

elden1 mv. 1 mensen, mannen • van oud (ouder old, ald), ~ °alen ‘(doen) groeien’

elden2 zw. -de 1 verouderen, ouder worden 2 oud maken 3 vertragen • van oud (ouder old, ald), ~ °alen ‘(doen) groeien’

elder1 m. -en, -s 1 ouder, voorouder, voorzaat • Duits Eltern mv., Engels elders mv. • oude nevenvorm van ouder, van oud (ouder old, ald), ~ °alen ‘(doen) groeien’

elder2 v. 1 uier 2 vrouwenborst • Westvlaams elder, Zaans elder, gew. Engels elder • ~ °alen ‘voeden, (doen) groeien’

elder3 v. 1 els, elzenboom • Gronings elder (in eldern ‘van elzen’), Engels alder • ~ els, °eluw/°eel3 ‘geelrood; bruingeel’

elen1 st. al, h. geölen 1 roepen, schreeuwen, brullen • Noors jala • ~ °elm1 ‘geroep’, alk ‘zeevogel’, °allen ‘loeien’, °ol ‘hoon’

elen2 st. al, h., is geölen 1 drijven, aandrijven, uitdrijven • ~ °aal3 ‘stroom; vaargeul’, °ellen2 ‘drift, drijfkracht, zielskracht’, °olm1 ‘driftig’, mog. ~ aal ‘priem’, els ‘priem’ (vgl. drevel bij drijven), laan (mits eig. ‘dreef’)

elf m. elven zie alf3

elft m./v. zie alft

elg m. zie eel2

elger bn. 1 bot, van tanden • verouderd Duits elger • in °ilgeren ‘bot worden, van tanden’, ~ °ilg ‘honger’

elijk bn. zie eelijk

elk m. zie eel2

elker bw. 1 anders, verder, bovendien • van °el ‘ander’

elle m./v. 1 mededinger, rivaal, concurrent 2 overspelige • van °el ‘ander’

ellen1 zw. -de 1 voeden, opvoeden, doen groeien • Noors elje • ~ °alen ‘voeden, (doen) groeien’

ellen2 o. 1 drift, drijfkracht, zielskracht, ijver, vastberadenheid, moed • IJslands elja v. • ~ °elen2 ‘drijven’

ellende o. 1 buitenland, d.w.z. buiten bescherming van eigen wet en verwanten • hetz. als ellende ‘narigheid’, van °el ‘ander; vreemd’ + afl. van land

elm1 m. 1 geroep, herrie, misbaar • gew. Noors jalm, jelm • ~ °elen1 ‘roepen’

elm2 m. zie alm2

elp m., elpendier 1 olifant

elpendier o. zie elp

els bw. 1 anders 2 op een andere wijze/tijd 3 overigens • Engels else • van °el ‘ander’

eluw bn., eel3 1 geelrood, oranje 2 bruingeel • gew. Duits elb • ~ els, °elder3 ‘els’, °alm2/°elm2 ‘iep’, mog. ~ °aal2 ‘bier’

elve1 v. 1 stromend water, stroom, rivier, ew. °a, °aam/°ame, °aap, °alm, °eem/°eme, °rin/°rinne, °streude, vliet 2 stroombed, bedding, ew. °oor • Gronings Elve, Duits Elbe, Zweeds älv, Noors elv, IJslands elfur • mog. ~ °alf1 ‘wit’

elve2 v. 1 larve van een kever • Gelders-Overijssels elve, elft, elfte • ~ °alf1 ‘wit’

elwaarts bw. 1 in een andere richting, naar elders • Westvlaams elwaarts • van °el ‘ander’

elwicht v. 1 bovennatuurlijk wezen, vreemd schepsel, monster • van°el ‘ander’ + wicht

elzaat m. 1 elders gezetene, elders wonende • Duits Elsass • van °el ‘ander’ + °zaat2 ‘gezetene’

eme v. zie eem2

emen st. am, h. geomen 1 nemen, pakken • mog. hetz. als nemen (mits jongere nevenvorm van ge-nemen, hetwelk dan eig. gen-emen, waarbij gen- een nevenvorm van ge-), mog. bij uitbreiding ook ‘vlam vatten, ontsteken, branden’ en ~ °aam2 ‘inflammatie, ontsteking’ en °amer ‘gloeiende kool’

en bw. zie ne

ende o. 1 voorhoofd • IJslands enni • ~ einde ‘afloop’, °ant/ont- ‘tegen(over)’, °ent/°eint ‘eerder, vroeger’, ont ‘tot’, om

Endelmeer o., Eindelmeer 1 de zee die Middenaarde omringt

enode v. zie eenode

ent bw., eint 1 eerder, vroeger eerder, waarschijnlijker 3 liever • Noors enn, IJslands enn • in °ents/°eints ‘oud, van vroeger’, ~ °ant/ont- ‘tegen(over)’, °ende ‘voorhoofd’, einde ‘afloop’, °ont ‘tot’, om

entegen bw. 1 tegemoet • in daarentegen, van een toonloze vorm van aan + tegen

enter vw., anter 1 hetzij, of: enter heet of koud • Duits entweder • van een de + °weder

ents bn., eints 1 oud, van vroeger • van °ent/°eint ‘oud, van vroeger’

erel m. 1 edele, edelman, krijger • Engels earl, Noors jarl, IJslands jarl

eren1 st. ier, h. gearen 1 ploegen • Westvlaams eren, gew. Engels ear • in eergetouw ‘ploeg’, ~ °aard2 ‘ploeging’, °arder ‘haakploeg’, mog. ~ °oer2 ‘rand; oever’ (mits eig. ‘vore, ploegsnede’)

eren2 bn. 1 metalen, van metaal 2 koperen, van koper • Duits ehern • van °eer2

eren3 m., eern 1 vloer, bodem • Duits Eren, Ern • mog. ~ °eruw/°eer3 ‘aarde, grond’, aarde

erend o., arend 1 boodschap, opdracht, missie 2 bezigheid, zaken 3 aanleiding, gelegenheid • Twents eernd, Westfaals êren, æren, Engels errand, IJslands erindi • ~ °aren ‘zich bevinden, zijn’ (eig. ‘gekomen zijn, bereikt hebben’), niet ~ °eer1 ‘boodschapper’

erfnom m. -nomen 1 erfgenaam • van erf + een afl. van nemen, vgl. °hernom ‘krijgsgevangene’

erfward m. 1 hoeder van een erfenis, erfgenaam, bezitter van erfgoed • van erf + °ward ‘hoeder’

erg1 m. zie arg1

erg2 bn. zie arg2

erg3 o. zie arg3

erken bn. 1 rein, heilig, echt, zuiver, puur, volkomen

ermen bn. 1 groots, weids, allesomvattend, verheven, geweldig, machtig • IJslands jörmun- • in Ermelo • mog. eig. ‘wereld-’ en ~ °eruw ‘aarde’, aarde

ern m./v. 1 uiteinde, met name van dat wat in iets anders sluit, zoals de wortel van de tand in de kaak, de baard en schacht van de sleutel in het slot, de tang van het mes in het heft, de angel van een zeisblad in de steel, enz. • Westvlaams erne, ernte, Fries earn, Gronings oarend • wel ~ aars

erp bn. 1 donker (van kleur) 2 bruin 3 zwart • IJslands jarpur • ~ °erpel

erpel m. 1 mannelijke wilde eend, woerd • Westvlaams erpel • van °erp

eruw o., eer3 1 aarde, grond • ~ aarde, mog. ~ °aard1 ‘(vader)land’ en/of °eren3/°eern ‘vloer, bodem’ en/of °ermen ‘groots’ (mits eig. ‘wereld-’)

erving bw. zie arwing

erwe v. zie arwe2

erwing bw. zie arwing

es v. essen 1 vuurhaard, smidse 2 speksteen, zeepsteen, werd bij haarden en ovens gebruikt omdat het goed hitte kan vasthouden en terugstralen • Duits Esse, Noors esje • mog. ~ °oes2 ‘vuil’ (mits eig. ‘roet’)

espel o. -en zie eedspel

espeling m./o. zie esping

esping m./o., espeling 1 sloep, boot • eig. ‘boot van espenhout’, van esp

essen m. 1 loonwerker 2 huurling • van °assen ‘loon’

et vw. 1 maar, echter

ethoe bw. 1 op een of andere wijze • Westvlaams enthoe, ethoe • ~ ettelijk

ette m. 1 beëdigde, gezworene bij een rechterlijk onderzoek, jury-lid 2 rechter • Drents ette • in etstoel, van °eden2 ‘beëdigen’

etten1 zw. -te 1 fel doen zijn, doen bijten 2 aanhitsen, opzetten, stoken, provoceren • IJslands etja • ~ °aten ‘scherp, fel zijn’

etten2 m. 1 reus • Noors jutul, IJslands jötunn • ~ eten

etwaar bw. 1 op een of andere plek, ew. ergens • Westvlaams entwaar, etwaar, Duits etwa • ~ ettelijk

etwat vnw. 1 een of andere zaak, ew. iets • Westvlaams entwat, etwat, Duits etwas • ~ ettelijk

etwie vnw. 1 een of ander mens, ew. iemand • Westvlaams entwie, etwie • ~ ettelijk

eus v. zie euze

euze v., eus 1 afstaande, overhangende rand van een rieten dak, waar het regenwater afdrupt, ew. °kub • Drents eus, euze, euzing, Vlaams euzie, Engels eaves (mv.)  ~ af, over, op, van

euzel v. 1 hete kool, hete as • gew. Duits üsel, gew. Engels easle, izle, Noors usle, IJslands usli • mog. ~ de groep van °oor3 ‘stralend’

evenen zw. -de zie effenen

evennacht v. 1 nacht die even lang als de dag is, begin van lente of herfst, ew. nachtevening, dag-en-nachtevening

evenode v. 1 vlakte • van even, vgl. °eenode, °heemode, °jegenode

ever1 bn. everder, -st 1 onstuimig, heftig, fel 2 scherp, bitter • Zuidhollands ever, ieverig • ~ °ijven ‘levenskrachtig, onvermoeid, vlijtig voortgaan, druk bezig zijn’, niet ~ ever(zwijn)

ever2 m., everes 1 wilde lijsterbes, ew. °kwikboom • Westvlaams haveressche, Noordbrabants haveres, euveres, evenes, effenes, Twents ievereske, Duits Eberesche, verouderd Eberbaum, Aberesche • niet ~ °everen

everen bn. zie averen

everes v. -essen zie ever2

eward m. zie eeward

ezige m. zie eezegger

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Toelichting

Advertenties