Skip to content

Vergeten woorden – V

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Toelichting

V

vaaien zw. -de 1 laken, verwijten • ~ °vijen

vaal1 bn. 1 verschrikkelijk, schrikwekkend, ontzettend • Noors fæl •vaal ‘bleek’, van °velen ‘verschrikken’, in °valen1 ‘verschrikken’

vaal2 m. 1 plank, deel • mog. in °vaald/-vaalt

vaal3 v. 1 vlakte • Zweeds fala • ~ °volm ‘handvlak’, °vlan1/°vlam1 ‘vlak; uitgestrekt’

vaald m. 1 omheinde ruimte, o.a. voor vee 2 schaapskooi • Drents vaalt, Engels fold, Deens fold • hetz. als -vaalt (in mestvaalt), mog. van °vaal2 ‘plank’ + een afl. van weden1 ‘binden’

vaals v. 1 hete as • ~ vaal ‘bleek’

vaam m. zie vadem

vaan1 st. voeg, h. gevagen zie vagen1

vaan2 st. voeg, h. gevagen zie vagen2

vaar1 o. 1 schaap • Noors får, IJslands fjár- • ~ vee, °vagen1 ‘scheren; kaarden; kammen’, vacht, °vas ‘haar’

vaar2 o. 1 tocht 2 schip 3 haven • Noors far, IJslands far, van varen, ~ °vaard/vaart ‘gang’, °varm ‘vervoer’

vaar3 bn. vaarder, -st zie varuw1

vaar4 v. 1 vrees, angst, schrik • in °varen ‘vrezen’, ~ gevaar, °varing ‘plotseling’

vaar5 m. 1 zwijn, varken • gew. Duits Farch, Engels farrow • hetz. als varken (met -ken als verkleiningsuitgang), van °veren2 ‘spitten, graven, wroeten’, °vurg/vore ‘ploeggroef’

vaard v. 1 gang, reis, tocht 2 gedolven watergang 3 voortgang, snelheid • Westvlaams vaard, Duits Fahrt, Noors ferd, IJslands ferð • hetz. als vaart (met oneigenlijke t), in vaardig, van varen, ~ °vaar2 ‘tocht’, °varm ‘vervoer’

vaas v. vazen, vaze 1 rafel van een kledingstuk 2 franje, zoom, boord • ~ vezel, °vees ‘kaf’, °vijzen2 ‘stampen’

vad bn. vader of vadder, -st 1 ordelijk, geordend 2 beheerst, rustig, kalm • ~ °vade1, °vaden1, mog. eig. ‘geweven’ en ~ vaan ‘vlag’, eig. ‘doek, weefsel’ (vgl. scheren ‘ordenen’, maar ook ‘indelen bij het weven’)

vade1 v. 1 orde, ordening, rangschikking, regelmaat 2 toestand, indeling, gesteldheid • verouderd Duits Fat, Fate • van °vad, ~ °vaden1

vade2 v. 1 omheining, hek, haag • verouderd Duits Fade • ofwel ~ °vaden2 ‘voeden’, voeden, °veem1 ‘herder; jongen’, ofwel ~ °vadem, °veden ‘spreiden’

vade3 v. 1 tante aan vaders zijde, vaders zus • ~ vader

vadem m., vaam 1 de uitgestrekte armen 2 omarming, omhelzing, ew. °klachter • Fries fiem, Duits Faden, Engels fathom, Noors famn, favn • hetz. als vadem ‘lengtemaat, afstand van linker- tot rechtervingertoppen bij zijwaarts gestrekte armen’, in °vademen ‘de armen uitstrekken’, ~ °veden ‘spreiden, uitstrekken’, mog. ~ °vade2 ‘omheining’

vademen zw. -de, vamen, vedemen, vemen 1 de armen uitstrekken 2 omarmen 3 met uitgestrekte armen meten • Westvlaams vamen, Fries fiemje, Engels fathom, Noors femne, famne, favne • van °vadem ‘de uitgestrekte armen’, ~ °veden ‘spreiden; vliegen’

vaden1 zw. -de 1 ordenen, rangschikken, regelen • van °vad ‘ordelijk’ of °vade1 ‘orde, rangschikking’

vaden2 zw. -de 1 voeden, onderhouden • ~ voeden, °veem1 ‘herder; jongen’, mog. ~ vader en/of °vade2 ‘omheining’

vag v. vaggen zie vak

vagen1 st. voeg, h. gevagen, vaan1 1 scheren, uitrekken 2 kaarden 3 kammen • ~ °vaar1 ‘schaap’, vacht, °vas ‘hoofdhaar’, vee

vagen2 st. voeg, h. gevagen, vaan2 1 passen • ~ voegen, °vager

vager bn. vagerder, -st 1 mooi, schoon, helder, licht van kleur • Engels fair, Noors fager, IJslands fagur • ~ °vagen2, voegen

vak v. vakken, vag, fak, fag 1 vod, lap 2 slordige vrouw, slons • ~ vaak ‘behoefte aan slaap’, °vaken ‘slaperig worden’ (vgl. slapen naast slap)

vaken zw. -te 1 slaperig worden, slaap krijgen 2 slapen • Engels fag • ~ vaak ‘behoefte aan slaap’, °vag/°vak ‘vod, lap’ (vgl. slapen naast slap)

val bn. 1 te koop • Noors fal, IJslands falur • ~ °velen2 ‘verkopen’

valen zw. -de 1 verschrikken, ontzetten • Noors fæle • van °vaal1 ‘verschrikkelijk’

valend m./v. 1 boze geest, kwade geest: ew. °grijm/°grim, °mas/°massel/°masser, °onhoude, °schoesel, °schrat/°schrad, °spoek • van °valen ‘verschrikken’

valten zw. -te 1 instorten, in(een)vallen, in elkaar zakken • van vallen

vamen zw. -de zie vademen

vanden zw. -de 1 beproeven, onderzoekend nagaan 2 bezoeken, ook van zieken 3 hanteren • Noordhollands vanden • ~ °vannis, vinden, °vonden

vang m./v. 1 vangst, buit 2 gereedschap om mee te vangen • Duits Fang, Engels fang, IJslands fengur • in °gervang, ~ vangen

vannis m. vannissen 1 bezoek 2 onderzoek • ~ °vanden

vant bn. 1 gebogen, krom 2 rank • ~ °vinten ‘spannen; doen hangen’

varen zw. -de, vervaren 1 vrezen, bang zijn 2 vrees aanjagen, verschrikken 3 belagen, overrompelen • Brabants varen, vaoren, Engels fear • ≠ varen ‘voortbewegen’, in vervaarlijk, onvervaard, van °vaar4 ‘vrees, schrik’, ~ gevaar, °varing ‘plotseling’, °veern ‘misdaad’

varing bw. 1 plotseling, onverwacht 2 schielijk, spoedig, gauw, snel • ~ °varen ‘vrezen; vrees aanjagen’, gevaar

varm m. 1 lading, vracht 2 vervoer 3 schip • Noors farm, IJslands farmur • van varen, ~ °vaar2 ‘tocht’, °vaard/vaart ‘gang’

varten st. vort, h. gevorten 1 een scheet laten • Engels fart

varuw1 bn., vaar3 1 gekleurd • ~ °varuw2

varuw2 v., varwe 1 kleur 2 vorm, verschijning • Duits Farbe, Noors farge • hetz. als verf, van °varuw1 ‘gekleurd’

varwe v. zie varuw

vas o. vassen 1 haar, hoofdhaar, lokken, manen • Engels fax, Noors faks, IJslands fax • ~ vacht, °vagen1 ‘scheren; kaarden; kammen’, vee

vaten zw. -te 1 beladen, bepakken, behangen, bekleden, inleggen 2 voorzien van edelstenen en andere opschik, ew. smukken, tooien • verouderd IJslands fæta • ~ vat ‘ton’, vatten ‘pakken’

vaze v. vazen zie vaas

vedder m. 1 oom aan vaders zijde, vaders broer • Twents vedder, Duits Vetter • ~ vader

vede1 m. 1 heer, meester 2 echtgenoot, man

vede2 m. 1 mannelijk geslachtsdeel • mog. hetz. als °vede1 ‘heer’ (vgl. jongeheer), anders mog. ~ vedel ‘strijkinstrument’

vedemen zw. -de zie vademen

veden st. vad, h. geveden 1 spreiden, uitstrekken 2 de vleugels spreiden, vliegen • ~ veder/veer, °vadem ‘de uitgestrekte armen’, °vademen, mog. ~ °vade2 ‘omheining’

vederhaam m. 1 verenkleed, pluimage, vleugels • van veder + °haam/°ham ‘omhulsel, bedekking’

vederik m. vederiken, verk 1 vleugel • wel hetz. als vlerk (verbastering), van veder/veer

vee1 bn. veeër, -st, gevee 1 gehaat 2 hatend, vijandig • ~ vete, mog. ~ vijken ‘bedriegen’

vee2 bn. zie vei

vee3 v. zie veie

veeën zw. -de zie veien

veel1 v. zie veluwe1

veel2 v. zie veluwe2

veel3 bn. zie veluw

veem1 m. 1 herder 2 jongen, jonge man • ~ °veim ‘jonge vrouw’, voeden, °vaden ‘voeden’, mog. ~ vader en/of °vade2 ‘omheining’

veem2 m. 1 schuim • Engels foam, Noors feim

veem3 o. 1 verbond 2 geheime rechtbank voor strafzaken • wel in vennoot, mog. ~ °vijn ‘stapel, hoop’ (mits eig. ‘bundel’)

veer1 m. 1 eik • Duits Ferch • ~ °vore ‘grove den’, wel ~ °veer2 ‘leven’, °vergen1 ‘bergwoud, (bebost) gebergte’

veer2 o. 1 leven, levenskracht: vee en veer bezittingen en leven 2 ziel, geest 3 het leven, de wereld • IJslands fjör • ~ veer3 ‘mens’, wel ~ veer1 ‘eik’

veer3 m. 1 mens, man, persoon • van veer2

veern v., veerne 1 misdaad, wrevel, schuld, zonde • IJslands firn • ~ gevaar, °varen ‘vrezen; vrees aanjagen’

veerne v. zie veern

veernwerk o. 1 slechte daad, gewelddadigheid, zondedaad • van veern + werk

veert bw., verent 1 vorig jaar, verleden jaar • Noors i fjor • van ver- + een verbogen vorm van °wed ‘jaar’

vees v. vezen, veze 1 kaf, huls • ~ °vijzen2 ‘stampen’, vijzel ‘stampvat’, °vaas ‘rafel’

veet1 bn. 1 dik, vet, gezet 2 vruchtbaar, rijk begroeid • Noors feit, fet, IJslands feitur • in °veiten ‘dik maken’, ~ vet

veet2 m., vit2 1 uiteinde van een draad of streng 2 streng garen, touw of haar 3 bundel, bosje 4 haarlok 5 uitstekende halm 6 (deel van een) gedicht of lied: vitten zingen • Drents feet, Noors fete, Duits Fitze • ~ °vitten ‘samenbinden’, wel eig. ‘uiteinde’ en ~ voet, °veten

veggen zw. vei of vegde, h. gevegd 1 verheugen, blij maken, behagen, plezieren • ~ °vien1 ‘zich verheugen’

vei bn., vee2 1 bont, kleurrijk

veie v., vee3 1 bontheid, veelkleurigheid • van °vei

veien zw. -de, veeën 1 kleuren, (be)schilderen 2 versieren, smukken • van °vei

veim v., veime 1 jonge vrouw, meid, maagd • Fries faam • van °veem1 ‘herder; jongen’

veime v. zie veim

vein bn. 1 blij, vrolijk, gelukkig • Engels fain, IJslands feginn • in °veinen, ~ °vien1 ‘zich verheugen’

veind m., veinde 1 voetganger 2 voetsoldaat 3 pion in het schaakspel

veinde m. zie veind

veinen zw. -de 1 blij, vrolijk, gelukkig zijn • Engels fawn, IJslands fagna • van °vein

veiten zw. -te 1 vet maken • ~ vet, °veet1 ‘dik’, °vijten ‘zwellen’

vekel bn., fikkel 1 listig, bedrieglijk, misleidend, vals, snood, onbetrouwbaar 2 wispelturig, veranderlijk, onvast • Engels fickle, ~ °vijken ‘bedriegen’, feeks

veken1 bn. 1 listig, bedrieglijk, misleidend, vals, snood, onbetrouwbaar • ~ °vijken ‘bedriegen’, feeks

veken2 o. 1 bedrog, valsheid, arglist, ontrouw • IJslands feikn v. • van °veken1

vekenstaf m. -staven 1 arglistige daad, snood geheim • van °veken2 + staf

velen1 st. val, h. gevolen 1 verschrikken, ontzetten, angst aanjagen • ~ °velm1 ‘verschrikking’, °veluw ‘verschrikkelijk’, °vaal1 ‘verschrikkelijk’

velen2 st. val, h. gevolen 1 verkopen • ~ °val ‘te koop’

velm1 m. 1 verschrikking, schrik, ontzetting • van °velen1 ‘verschrikken’

velm2 m. 1 vel, vlies, film • Engels film • ~ vel

vels m. velzen 1 rots, klip, grote steen • Duits Felsen, Fels, Noors fjell, IJslands fell, fjall

veluw bn., veel3 1 verschrikkelijk, schrikwekkend, ontzettend • van °velen1 ‘verschrikken’

veluwe1 v., veel1 1 wilg • Duits Felbe

veluwe2 v., veel2 1 klimop (Hedera helix), ew. °ijf, °wedewinde • Antwerps vèèl, Brabants veil • wel ~ veel, vol, vullen

vemen zw. -de zie vademen

ven v. vennen 1 al dan niet vochtige weide, weiland, grasland • Westvlaams venne, Noordhollands ven, Gronings ven, venne, Fries finne • in °vennen ‘beweiden’, ofwel ~ ven ‘meertje’, veen ‘moeras’, ofwel daarmee verhaspeld maar eig. van °venen ‘voeden, voederen’

venen st. van, h. gevonen 1 voeden, voederen, voeren • mog. ~ °ven ‘weide’

vengen zw. -de, venken, ontvengen, ontvenken 1 doen branden, aansteken, doen ontbranden, doen ontvlammen 2 in gloed ontsteken, ontbranden, gaan branden, ontvlammen • Fries finge • ~ °vingen/°vinken ‘branden’

venken zw. -te zie vengen

vennen zw. -de 1 beweiden • Noordhollands vennen, Fries finje • van °ven ‘weide’

ver v. 1 vrouwe (in benoeming en aanspraak) • hetz. als vrouw

verbalmonden zw. -de 1 slecht bevoogden, slecht besturen 2 laten vervallen • Gelders verballemonde • van °balmond

verborst bn. 1 kwaad, woedend, razend, toornig • van verborsten

verborsten, zich zw. -te zie borsten, zich

verderven1 st. verdierf, is verdorven zie derven1

verderven2 zw. -de zie derven2

verduimen zw. -de 1 verteren, herkauwen • van °duimen ‘smullen’

veren1 zw. -de 1 met schip of wagen vervoeren, transporteren, overbrengen • Engels ferry, IJslands ferja • ~ veer, varen

veren2 st. voor, h. gevoren 1 spitten, graven, wroeten • ~ °vaar5/varken, °vurg/vore ‘ploeggroef’

verent bw. zie veert

vergalsteren zw. -de 1 betoveren, bezweren • van °galster/°gouder

vergen1 o. 1 bergwoud 2 (bebost) gebergte • wel van °veer1 ‘eik’

vergen2 zw. -de 1 drukken, neerdrukken • IJslands fergja • ≠ vergen ‘eisen, vorderen’

verheren zw. -de 1 met een leger verwoesten, plunderen, platbranden • Gronings heren, Duits verheeren, Engels harry, Noors herje, IJslands herja • van heer ‘leger’

verk m. zie vederik

verkwazen zw. -de zie kwazen

verlijden st. verleed, is verleden 1 voorbijgaan, verstrijken: het is verleden • van ver- + °lijden1 ‘gaan’

verloornen zw. -de 1 verloren raken, verloren gaan • ~ verliezen

vermaren zw. -de zie maren

vermeken st. vermak, h. vermeken 1 belemmeren, verzwakken • mog. eig. ‘overweldigen, teveel zijn’ en ~ °mekel ‘groot; veel’

vern bn., veurn, voorn 1 oud, oeroud, stammend uit een vorig tijdperk • ~ voor

verren zw. -de 1 ver zijn 2 zich verwijderen 3 verwijderen • van ver

versing m., vrissing 1 jong dier • Duits Frischling, gew. Duits Frisching • van vers/°vris

verst m./v., vrist 1 bestemde tijd, tijdspanne, termijn: een lange verst nemen 2 uitstel, verlenging van tijd: zonder verst onmiddellijk • Duits Frist, Noors frist, IJslands frestur

verstormen zw. -de 1 in heftige beroering brengen 2 in heftige beroering raken • van storm

vertieren zw. -de 1 van aard veranderen 2 veranderen 3 in andere handen brengen, verruilen, verwisselen • in vertier ‘bedrijvigheid; afleiding’, van tieren ‘aarden; gedijen; te keer gaan’ (zelf van °tier2 ‘glans, aard’)

vertijen st. verteeg, h. vertegen zie vertijgen

vertijgen st. verteeg, h. vertegen, vertijen 1 afstand doen van iets, afstand doen van zijn recht op iets: vertijen van zijn land 2 verzaken, verloochenen: van afgoden vertegen 3 zich afwenden van, in de steek laten, aan zijn lot overlaten • Gronings vertijn • van °tijgen/°tijen

vervaren zw. -de zie varen

verwandelen zw. -de zie wandelen

verwanen1 zw. -de 1 al dan niet ten onrechte menen 2 zich boven anderen achten 3 zich overschatten 4 trots zijn • in verwaand, van ver- + wanen ‘ten onrechte menen’ (voorheen algemeen ‘menen’)

verwanen2 zw. -de 1 te niet gaan • van ver- + °wanen ‘afnemen’

verwarden zw. -de 1 doen verworden, schaden, verwoesten, vernietigen • ~ (ver)worden

verweend bn. 1 heerlijk, goddelijk mooi 2 weelderig 3 schitterend, luisterrijk, prachtig • ~ °wenen, °wanem

verwijken st. verweek, h., is verweken 1 de wijk nemen, zich terugtrekken 2 van zijn plaats komen, bewegen

verwloemen zw. -de zie wloemen

verzijken st. verzeek, h. verzeken zie zijken

verzwenden zw. -de zie zwenden

vest1 bn. 1 vast, niet los, stevig • Duits fest • oude nevenvorm van vast, ~ °vest/°veste, vesten, °vestenen, vesting

vest2 v., veste 1 vastheid 2 verdedigingswerk, wal, stadsmuur 3 versterkt huis, burcht 4 versterkte stad, vesting • van °vest1/vast

veste v. zie vest2

vestenen zw. -de 1 stevig vastmaken • van °vest1/vast, ~ °vest2/°veste, vesten, vesting

vet o. veten 1 voetstap, schrede 2 voetspoor • Noors fet, IJslands fet • ~ °veten ‘te voet gaan’, voet

vetel1 m. 1 band, riem 2 boei, kluister, ew. °beinde, °hacht, °helde, °kimmel, °kosp, °rakent • Duits Fessel, IJslands fetill • ~ veter, voet, °veten

vetel2 bn., vetelvoetig 1 (wit)gesokt, met name van paarden • ~ °vetel3, voet, °veten

vetel3 v. 1 kootbeen, met name van paarden • Duits Fessel • in vetlok ‘verdikking aan de achterkant van het onderbeen van paarden’, ~ °vetel2, voet, °veten

vetelvoetig bn. zie vetel2

veten st. vat, h. geveten 1 de voet uitsteken, de voet neerzetten, stappen, treden 2 te voet gaan, lopen 3 neergaan, vallen • Noors fete, IJslands feta • ~ voet, °vet ‘voetstap; voetspoor’, veter, °vetel1 ‘band; boei’, °vetel2 ‘(wit)gesokt’, °vetel3 ‘kootbeen’, wel ~ °veet2/°vit2 ‘uiteinde van een draad of streng’

veun o. 1 vochtigheid, schimmel • gew. Engels fen • ~ vuns, mog. ~ veen dan wel vuil, °vuien ‘stinken, rotten’

veure v. zie vore

veurn bn. zie vern

veze v. zie vees

vezelen zw. -de zie vezen

vezen zw. -de, veziken, vezelen 1 fluisteren 2 in de oren fluisteren, veelal met kwade bedoelingen • ~ °vijzen1

veziken zw. -te zie vezen

vicht v. zie vucht

vichte telw. 1 vijfde • vijfde is de latere vorm, onstaan o.i.v. vijf

vien1 st. vag, h. gevien 1 zich verheugen, blij zijn, vrolijk zijn • ~ °vein, °veggen

vien2 st. vag, h. gevien 1 gaar maken, koken, bakken, braden

vierding m., viering 1 vierde deel, kwart • Engels farthing • van vierde + -ing

viering m. zie vierding

vijen zw. -de 1 haten, vijandig behandelen • in vijand, ~ °vaaien, wel ~ °vijs ‘misnoegd; afkerig’

vijken st. veek, h. geveken 1 bedriegen, misleiden • Engels fike • ~ °vekel ‘listig’, °veken1 ‘listig’, feeks, mog. ~ °vee1 ‘gehaat; hatend’

vijl v. 1 pijl • mog. ~ °fim ‘vlug’, vedel ‘strijkinstrument’

vijn v. 1 stapel, hoop • Utrechts vijn • in °wedevijn ‘houtstapel’, mog. eig. ‘bundel’ en ~ °veem3 ‘verbond’

vijs bn. vijzer, -t 1 misnoegd, gemelijk, stuurs, knorrig 2 afkerig, kieskeurig, moeilijk te voldoen 3 weerzinwekkend, walgelijk • Westvlaams vijs, Fries fiis • hetz. als vies ‘vuil’ (met gew. klinker), wel van °vijen ‘haten’

vijst m., vist 1 buikwind, scheet • van °vijzen1 ‘blazen; een wind laten’

vijt v., fijt 1 vlugge beweging 2 streek, poets, grap • Gronings fiet, Drents fiet, Fries fyt • ~ °vijten2

vijten1 st. veet, is geveten 1 zwellen, dik worden, opzetten • ~ °veet1 ‘dik’, vet, °veiten ‘dik maken’, fijt ‘zwelling van de vinger’ (waarnaast fijk, o.i.v. Latijn fīca ‘vijg’), vei ‘welig, vruchtbaar’

vijten2 st. veet, h. geveten 1 doorstaan, uithouden, verduren 2 levenskrachtig zijn 3 vlug zijn • ~ °vijt ‘vlugge beweging’, °vijter ‘levenskracht, sterke groei’, °vijteren ‘snel gaan’, °vit1 ‘pijnlijke ervaring, beproeving’, °vits ‘schrander; vlug’, fiets, mog. ~ fut

vijter m. 1 levenskracht 2 sterke groei • Gronings fieter, Drents fieter • van °vijten2 ‘doorstaan; levenskrachtig zijn; vlug zijn’, mog. beïnvloed door °vijten1 ‘zwellen’

vijteren zw. -de, fijteren 1 snel gaan, vlug lopen • Gronings fietern, Drents fietern, Fries fiterje • ~ van °vijten2

vijvelder m./v. 1 vlinder • Duits Feifalter, Zweeds fjäril • hetz. als vijfwouter (verbastering),

vijzen1 st. vees, h. gevezen 1 blazen, wegblazen 2 een wind laten, scheten • Noors fise, IJslands físa • hetz. als vijsten (met oneigenlijke t), in °assevijster, ~ veest ‘buikwind’, °vijst/°vist ‘buikwind’, °vezen ‘fluisteren’

vijzen2 st. vees, h. gevezen 1 stampen, vermalen, vermorzelen • ~ vijzel ‘stampvat’, vezel, °vees ‘kaf’, °vaas ‘rafel’

vingerling m./o. 1 vingerbedekking, vinger van een handschoen 2 vingerring, in het bijzonder een zegelring 3 ring in andere, ook overdrachtelijke betekenis

vingen st. vong, h. gevongen, vinken 1 branden • ~ °vengen/°venken ‘doen branden’, vonken, vonk, fonkelen, mog. ~ fikken ‘branden’

vinken st. vonk, h. gevonken zie vingen

vinster bn. vinsterder, -st 1 duister, donker • Duits finster • eig. oude nevenvorm van deemster

vint m. 1 staart • van °vinten

vinten st. vont, h. gevonten 1 spannen 2 doen hangen • ~ °vint ‘staart’, °vant ‘gebogen; rank’, mog. ~ vent

vist m. zie vijst

vit1 o. vitten 1 pijnlijke ervaring, beproeving • Engels fit • ~ °vijten2 ‘doorstaan; levenskrachtig zijn; vlug zijn’

vit2 v. vitten zie veet2

vits bn., fits 1 doorstaan hebbende, beproefd, doorgewinterd, ervaren 2 schrander, slim, sluw, listig 3 vlug, gauw, snel • Fries fits • van °vijten2, ~ fiets

vitten zw. -te 1 samenbinden, samenvoegen 2 voegen, schikken 3 (aan)passen, voorzien van • IJslands fitja • hetz. als fitten ‘pasklaar maken’, ~ °veet2/°vit2

vlaad v. 1 schoonheid, sierlijkheid, pracht 2 reinheid, zuiverheid • wel eig. ‘volheid, weelde’ en van °vlaaien

vlaaien st. vlieuw, h., is gevlaaien 1 zich vullen, vol worden • ~ °vleer ‘meer, niet minder’, veel, vol, vullen, wel ~ °vlaad ‘schoonheid’ (dan eig. ‘volheid, weelde’), niet ~ vla, vlaai

vlaan st. vloeg, h. gevlagen zie vlagen

vlacht v. 1 vlecht, streng, verstrengeling • in Vlagtwedde, van vlechten, ~ vlas

vlagen st. vloeg, h. gevlagen, vlaan 1 villen, ontvellen, de huid afstropen • Westvlaams vlaan, vladen, Engels flay, IJslands flá • ~ °vloe

vlakken zw. -te 1 vlammen schieten, flakkeren • ~ vlaag

vlam1 bn. vlamer of vlammer, -st zie vlan1

vlam2 o. vlamen zie vlan2

vlam3 o./v. vlamen of vlammen zie vlan3

vlan1 bn. vlaner of vlanner, -st, vlam1 1 vlak, even 2 uitgestrekt, wijd • gew. Engels flan • ~ °vlan2/°vlam2 ‘vlakte’, °vloen/°vloem ‘vlakte’, vloer, °volm ‘handvlak’, °vaal3 ‘vlakte’

vlan2 o. vlanen, vlam2 1 iets dat vlak en uitgestrekt is 2 vlak land, vlakte 3 watervlakte • Gronings vlam, gew. Engels flan, flam, flams (mv.) • van °vlan1/°vlam1 ‘vlak; uitgestrekt’, wel ~ Vlaanderen, Vlaams, Vlaming

vlan3 o./v. vlanen of vlannen, vlam3 1 plotselinge, heftige beweging, stormloop 2 plotselinge opkomende wind, nevel of mist • Noordhollands vlam, gew. Engels flan, flam, IJslands flan • mog. ~ flansen ‘neersmijten; haastig, zonder zorg tot stand brengen’, flensen ‘hard slaan, krachtige slagen toedienen’

vlat bn. vlater of vlatter, -st, vloet 1 vlak, plat, uitgestrekt • Engels flat, IJslands flatur • ~ °vlet, vla/vlaai

vlee bn. vleeër, -st 1 bedriegelijk, vijandelijk, listig • mog. ~ vleien

vleen m. 1 pijl, werpspies • verouderd Schots flain, flane, verouderd IJslands fleinn

vleer bw. 1 meer, niet minder • IJslands fleiri, Noors flere • van °vlaaien ‘zich vullen, vol worden’

vlessen bn. 1 vlassen, van vlas, als vlas 2 linnen 3 lichtblond • van vlas

vlet o. vletten 1 platte bodem, vloer 2 vertrek, kamer 3 groep kamers, kwartier, verblijf, woning • hetz. als vlet ‘platboomd vaartuig’, van °vlat/°vloet

vliek v. 1 pijl, ew. aruw • ~ vliegen

vliet bn. 1 vlug, snel, haastig • Icelandic fljótur • ~ vlieten

vlijten st. vleet, h. gevleten 1 streven, ijveren 2 wedijveren, vechten • ~ vlijt, mog. ~ °flitteren ‘zich snel en druk heen en weer bewegen’

vlingen st. vlong, h. gevlongen zie flingen

vlinken st. vlonk, h. gevlonken zie flingen

vlochten zw. -te 1 fladderen • ~ vliegen

vloe v. vloeien 1 fragment, stuk 2 rots • ~ vlagen

vloem o. zie vloen

vloen o., vloem 1 vlakte 2 watervlakte • Gronings Floum, Floem, Floen • ~ °vlan1/°vlam1 ‘vlak; uitgestrekt’

vloet bn. zie vlat

vlogen zw. -de 1 laten vliegen • ~ vliegen

vlok m. vlokken 1 menigte, troep, groep • Engels flock, IJslands flokkur • ~ vliegen

vlooi o., vlouw 1 schip, boot, vaartuig • IJslands fley • ~ °vloom ‘stroom’, vloot, vlieten ‘stromen’, vloeien, °vlouwen

vlooien zw. -de zie vlouwen

vloom m. 1 stroom, waterloop 2 overstroming, vloed • Duits Flaum, gew. Engels fleam, Noors flaum • ~ °vlooi ‘schip’, Vlie(land), vloot, vlieten ‘stromen’, vloeien, °vlouwen

vloot1 bn. 1 ondiep, ew. schol • Gronings vloot • ~ vlieten

vloot2 v. 1 room • ~ vlieten

vlouw o. zie vlooi

vlouwen zw. -de, vlooien 1 wassen, spoelen, reinigen • ~ vloeien, °vlooi, °vloom

vo1 bn. 1 weinig, klein, gering • Engels few, Noors , IJslands fár

vo1 v. vooien 1 vrouwelijke vos • ~ vos

voer1 m. 1 jong varken, ew. big • ~ var ‘jonge stier’, vaars ‘jonge koe’

voer2 bn. voerder, -st, gevoer 1 begaanbaar 2 in staat te gaan, gereed • ~ varen

voester o. 1 opvoeding, voeding, het grootbrengen • IJslands fóstur • ~ °voesteren, voeden

voesteren zw. -de 1 opvoeden, voeren, grootbrengen • Westvlaams voesteren, Engels foster, IJslands fóstra • van °voester

vol1 bw. 1 ten volle, geheel en al, zeer • vol

vol2 o. vollen kop, beker

volboren bn. 1 edel, van vlekkeloze afkomst 2 welgeschapen • van vol + (ge)boren

volkwijg o. 1 oorlogvoering • van volk + °wijg

volleest m. zie vollost

vollost m., volleest 1 voltooiing 2 volmaaktheid 3 (geestelijke) kracht 4 hulp (met name van God) • van vol + leest

volm v. 1 handvlak, ew. °brede, °dinder, °lab, °lap, °loeve 2 hand, ew. °gister, °mond • mog. ~ °vaal3, °vlan1/°vlam1 ‘vlak; uitgestrekt’

volwerken onr. volwrocht, h. volwrocht 1 afwerken 2 verwezenlijken 3 voltooien

vond bn. 1 te vinden, vindbaar • in °oodvond, °toorvond, ~ °vonden, vinden

vonden zw. -de 1 zich opmaken, streven 2 gaan • IJslands °funda • ~ vinden, °vanden, °vond, °vonderen, vondel/v(l)onder, °vons

vonderen zw. -de 1 zoekend, voorzichtig, tastend lopen • Drents vondern, gew. Engels founder, Zweeds fundera, gew. fundra • ~ °vonden, vinden

vons bn. vonzer, -st 1 bereid, gereed, gretig, kwiek, willend, ijverig • IJslands fús • in Alfons, °vunzen, ~ vinden, °vonden

vooien1 zw. -de 1 laten stinken, laten rotten, laten bederven • ~ °vuien ‘stinken, rotten’

vooien2 zw. -de 1 ziften, zeven

vool m. 1 veulen, jong paard • Gronings vool, Duits Fohlen, Engels foal, IJslands foli • ~ veulen

voorachten zw. -te 1 vooraf bedenken, voornemen, plannen

voorder m. zie vorder

voorn1 bn. zie vern

voorn2 bw. 1 vanouds, van oudsher, voorheen, vroeger • van °vern/°veurn/°voorn1 ‘oud’

voorzaat m. 1 voorganger in een ambt, in de regering 2 voorganger in een recht, eigendom of pacht • van voor + °zaat2 ‘gezetene’

vorder m., voorder 1 voorouder, voorvader 1 voorganger • vergelijkende trap van voor

vore v., veure 1 grove den 2 naaldboom • Duits Föhre, Noors furu, IJslands fura • ~ °veer1 ‘eik’

vorm bn. 1 voorst, eerst, vroegst • ~ voor, vorst, °bevoren, vgl. °achtem ‘achterst’, °hindem ‘achterst’, °innem ‘binnenst’, °medem2 ‘middelst’, °oom ‘hoogst’, °wanem ‘meest begeerd’

vors1 m. vorsen 1 kikker • Duits Frosch • in kikvors

vors2 m. vorzen 1 schuim, spat, gespetter 2 waterval • Noors foss, fors, IJslands foss

vors3 v. vorsen 1 onderzoek, vraagstelling • in vorsen ‘onderzoeken’, ~ vraag, °vreinen

vors4 m. vorzen zie vurs

vot v. votten 1 vrouwelijk geslachtsdeel 2 achterwerk, kont 3 scheldnaam voor een vrouw, lichtekooi • Limburgs vot, Duits Fotze • in hondsvot

vou v. zie voude

voude v., vou 1 veld, stuk grond 2 gebied, streek • Engels fold, Noors fold, IJslands fold • ~ veld

vouten st. vielt, h. gevouten zie fouten

vraag bn., gevraag 1 beroemd, vermaard, bekend • ~ °vreinen, vraag

vraam v. 1 voordeel, nut, baat 2 geluk, voorspoed 3 flinkheid, kloekheid, moed • ouder vrame, van °vram1

vraat bn., vratig 1 eetzuchtig • van ver- + °aat2/°atig ‘etend’, ~ vraat ‘eetzucht’, veelvraat, vreten (eigenlijk ver-eten)

vrad bn. vrader of vradder, -st 1 slim, verstandig 2 behendig, vlug 3 kloek, flink, sterk • ~ °vredden, vroed

vrak bn. vraker of vrakker, -st zie vrek

vram1 vz. 1 (weg) van, vandaan 2 voort, voorwaarts, naar voren • Engels from, Noors fram, IJslands fram • ~ °vram2, °vraam, °vramen/°vremmen, vreemd, vroom

vram2 bn. vramer of vrammer, -st 1 voorwaarts, naar voren gaand 2 flink, kloek, dapper • ~ van °vram1 , ~ vroom

vramen zw. -de, vremmen 1 vorderen, vooruitkomen 2 bevorderen, baten, verbeteren 3 uitvoeren, voortbrengen, maken, tot stand brengen, volvoeren, vervullen • Westvlaams vremmen, Engels frame, IJslands fremja • van °vram1

vratig bn. zie vraat

vratuwe v. 1 versiering, ornament, tooi, opsmuk • ~ °tooien/°touwen ‘doen; maken, bereiden’

vredden st. vroed, h. gevraden 1 begrijpen • ~ °vrad, vroed

vredeloos bn. 1 vogelvrij, buiten bescherming van de wet • IJslands friðlauss • van vrede ‘bescherming, veiligheid’ + -loos

vreeuw o. 1 zaad • IJslands fræ, frjó

vreeuwen zw. -de 1 bevruchten 2 vruchtbaar maken • van °vreeuw

vreinen zw. -de 1 vragen, navragen 2 onderzoeken 3 vernemen, horen • ~ vraag, °vraag ‘beroemd’, vergen, °vrik ‘heraut, bode’, °vors3 ‘onderzoek’

vrek bn. vreker of vrekker, -st, vrak gierig, gulzig, belust • Duits frech, Noors frek, frak, IJslands frekur • ~ van °vreken ‘begeren’, ~ vrek ‘gierigaard, gulzigaard’

vreken st. vrak, h. gevreken of gevroken 1 begeren, dorsten, lusten, belust zijn op • ~ °vrek/°vrak ‘gierig, gulzig’, vrek ‘gierigaard, gulzigaard’

vremmen zw. -de zie vramen

vreur m. 1 vorst, vrieskou • Belgisch-Limburgs vreur, IJslands freð- (ouder frer, frør) • van vriezen, ~ °vroren ‘doen (be)vriezen’, °vrost/vorst

vrezen st. vries, h. gevrezen 1 verzoeken, onderzoeken, beproeven, op de proef stellen • ~ vrees, vrezen ‘bang zijn voor’

vrieden st. vrood, h. gevroden 1 schuimen, schuimbekken • ~ °vrod ‘schuim’

vriels1 bn. vrielzer, -st 1 vrij, ongebonden, niet onderworpen • Noors frels, IJslands frjáls • van °vrij ‘eigen, van zichzelf’ + hals

vriels2 m./v., vrielze 1 vrijheid • IJslands frelsi o. • van °vriels1

vrielze m./v. zie vriels

vrij bn. 1 eigen, van zichzelf, als zichzelf, bloedeigen 2 vertrouwd, geliefd, bemind • Westvlaams vrij • hetz. als vrij ‘ongebonden’, in °Vrije, °vrijen, °vrijmaag, °vriels1, ~ °vrijd, vriend, vrede

vrijd bn. 1 mooi, statig, kostbaar • IJslands fríður • in Vrijthof, ~ °vrij

vrijden zw. -de 1 zorgen voor, bewaren 2 versieren, tooien, opsmukken, mooi maken • van °vrijd

Vrije v. 1 de Vrouwe van Liefde, Schoonheid en Vruchtbaarheid, een belangrijke godin in het Germaanse volksgeloof • IJslands Frigg, níet Freyja • in vrijdag, van °vrij ‘eigen; geliefd’, ~ °vrijen ‘liefhebben’

vrijen zw. -de 1 als (bloed)eigene bejegenen 2 liefhebben, beminnen • Duits freien • hetz. als vrijen ‘minnekozen; geslachtelijke gemeenschap hebben’, in vriend, ~ °vrij ‘(bloed)eigen; bemind’, °Vrije, °vrijd, vrede

vrijmaag m. 1 bloedverwant • van °vrij ‘(bloed)eigen; bemind’ + maag ‘verwant’

vrik m. vrikken 1 heraut, bode • ~ °vreinen

vris bn. 1 nieuw, jong 2 koel • Duits frisch (ontleend als fris • oude nevenvorm van vers, in °versing/°vrissing ‘jong dier’

vrissing m. zie versing

vrist v. zie verst

vro1 m. vrooien 1 heer • ~ vrouw/°ver

vro2 bn. vrooier of vroër, -st vrolijk, opgewekt, opgewonden, blij • Duits froh, IJslands frár • in vrolijk, ~ vreugde

vrocht1 bn. zie vrucht1

vrocht2 v. zie vrucht2

vrochten zw. -te zie vruchten

vrod o. 1 schuim • Engels froth • ~ °vrieden ‘schuimen’

vroeken bn. 1 stoutmoedig, vermetel 2 barbaars • Noors frøken, IJslands frækn, frækinn • mog. van ver- + een afleiding van °aken1 ‘rijden’

vroever v. 1 troost, steun 2 vrede

vrooien zw. -de 1 verheugen • ~ °vrauw, vrolijk

vroon1 bn. 1 van de heren, van de goden, heilig 2 heerlijk, verrukkelijk • van °vro1

vroon2 o. 1 domein, heerlijk goed • van °vroon1

vroren zw. -de 1 doen (be)vriezen • van vriezen, ~ °vreur ‘vorst’, °vrost/vorst

vrost m. 1 vorst, vrieskou • Fries froast, Duits Frost, Engels frost, Noors frost, IJslands frost • oude nevenvorm van vorst, van vriezen, ~ °vroren ‘doen (be)vriezen’, °vreur ‘vorst’

vrucht1 bn., vrocht1 1 bevreesd, bang, angstig • in °vruchten ‘vrezen’, °vrucht2 ‘vrees’

vrucht2 v., vrocht2 1 vrees, angst • Duits Furcht, Engels fright • in godsvrucht ‘vroomheid’, °nachtvrucht, van °vrucht1 ‘bevreesd’

vruchten zw. -te, vrochten 1 vrezen, bevreesd zijn • Duits fürchten • van °vrucht1 ‘bevreesd’

vucht v., vicht 1 fijnspar 2 grove den • Duits Fichte

vui m. 1 rot, bederf, schimmel • IJslands fúi, van °vuien

vuid bn. 1 stinkend, rottend, verrot • in vuig (ouder vuidig), van °vuien

vuien zw. -de 1 stinken, rotten, verrotten, bederven • ~ °vui, vuil, °vuid, vuig, °vooien1, voos, mog. ~ °veun, vuns

vuiken st. vook, h. gevoken 1 blazen, stoten (van wind) 2 stoten, stompen • IJslands fjúka • ~ fok, fuik, wel ~ °vunken, vuist

vuister m. 1 vuurhaard, stookplaats • Westvlaams vuister, Drents voester • ~ vuur

vulken zw. -te 1 het in de juiste formatie brengen van krijgers voor de strijd • IJslands fylkja • van volk

vunken zw. -te 1 slaan, stoten, stompen, een klap geven 2 stinken, scheten • Oostvlaams vunken, veunken, gew. Duits funken, fünken, gew. Engels fung, funk • wel ~ °vuiken, vuist

vunzen zw. -de 1 streven 2 haasten 3 aanzetten, aansporen • Oostfries funseln, Noors fusa • van °vons

vuren1 zw. -de 1 ontmannen, castreren, snijden

vuren2 bn. 1 als vuur, vurig, op vuur lijkend • van vuur

vurg v. 1 ploeggroef: de kraaien lopen in de vurgen • Gronings vurg, vurge, Fries fuorge, furge, furch • oude nevenvorm van vore, van °veren2 ‘spitten, graven, wroeten’

vurgen zw. -de 1 ploegen, voren trekken • Gronings vurgen (in aanvurgen), Fries fuorgje • van °vurg/vore ‘ploeggroef’

vurs m. vurzen), vors4 1 gaspeldoorn • Engels furze

vurven zw. -de 1 schoonmaken, reinigen 2 poetsen, polijsten

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Toelichting

Advertenties