Dacht aan het diepe
Hwílum híe gehéton æt hærg-trafum
wíg-weorþunga wordum bædon,
þæt him gást-bona géoce gefremede
wið þéod-þréaum. Swylc wæs þǽw hyra,
hǽþenra hyht; helle gemundon
in mód-sefan, Metod híe ne cúþon,
dǽda Dēmend, ne wiston híe Drihten God…Bij wijlen boden zij in gewijde huizen
eer aan afgoden, uitten in woorden,
dat hen de zieldoder hulp zou brengen
tegen het zeer des volks. Zulks was hun gebruik,
hoop der heidenen; hel bewaarden zij
in diep gemoed. De Maker kenden zij niet,
de Dadenrechter, ze wisten niet van Here God…
(Uit Beowulf, regels 175-81; eigen vertaling.)
Balrog
And in Utumno he gathered his demons about him, those spirits who first adhered to him in the days of his splendour, and became most like him in his corruption: their hearts were of fire, but they were cloaked in darkness, and terror went before them; they had whips of flame. Balrogs they were named in Middle-earth in later days.
Werkwoordstijl
In een eerdere bijdrage kwam ter sprake dat volgens de filosoof Owen Barfield de taal van vroegere eeuwen getuigt van een minder gefragmenteerd wereldbeeld dan het huidige. Zo waren in het antieke Griekenland nu gescheiden concepten als ‘wind,’ ‘adem,’ en ‘geest’ nog verenigd in het ene woord pneuma. De oude Grieken leefden, in Barfields woorden, nog met ‘original participation:’ ze voelden zich minder afgescheiden van hun omgeving en zagen een onderliggende eenheid waar wij slechts verscheidenheid zien.
Woorden schieten tekort
De verkiezingen zijn weer begonnen. Van Dale vraagt u om het Woord van het Jaar te kiezen, oftewel het ‘beste’ nieuwe woord van 2010, en Genootschap Onze Taal wil uw stem voor het Onze Taal-woord van het jaar, dat wil zeggen het woord dat het meest kenmerkend is voor 2010.
Geen van beide verkiezingen gaat dus om het mooiste nieuwe woord. Niettemin, als ik de kandidaten zo bekijk dan lijkt onze taal er armzalig aan toe te zijn. Er valt nauwelijks een greintje dichterlijkheid te ontdekken. We zouden toch op zijn minst een paar woorden mogen verwachten die evenwel mooi zijn? Het één sluit het ander niet uit. Nou, wel het in hedendaags Nederlands zo te zien. Uiteraard valt het niet mee om een nieuw woord te bedenken dat mooi en dichterlijk is, en de meningen zullen altijd verdeeld zijn, maar wat zegt het over onze tijden als ze door deze woorden worden vertegenwoordigd? Lees en huiver:
Nieuw leven voor Oudnederlands

Vraag een willekeurige Nederlander wat hij weet over Oudnederlands en hij komt waarschijnlijk niet veel verder dan hebban olla vogala… En dat is mits hij “Oudnederlands” niet verstaat als “oud Nederlands”, zoals dat van de Gouden Eeuw. Dat is ook niet gek, want er is nu eenmaal weinig in het Oudnederlands overgeleverd. En tegenwoordig krijgen kinderen hoe dan ook weinig mee van de vaderlandse geschiedenis in de tijd van het Oudnederlands en daarvoor. En dat is jammer, want er valt veel over onze verdere voorouders te vertellen.
Trouw schrift, geheimzinnige taal
Het Nederlands staat bekend als een vrij consistente taal aangaande schrijfwijze. Zo is er grote samenhang tussen wat er op schrift staat en wat er gesproken wordt. Met andere woorden: de letters in ons schrift hebben een vrij vaste klankwaarde. In het Engels is dat wel anders. Neem woorden als rough, through en though. Op schrift lijken ze op elkaar; in uitspraak verschillen ze nogal. Zo’n uiteenloping tussen schrift en spraak komt deels doordat het Engels de laatste eeuwen weinig spellingwijzigingen heeft ondergaan, terwijl de uitspraak wel ingrijpend is veranderd. Het geschreven Nederlands is wat dat betreft, net als bijvoorbeeld het Noors, meer bij de tijd.
Tijding
Het is een rustige week op Taaldacht, zoals u heeft kunnen zien. Toch is er wel wat nieuws. Ten eerste is de lijst met Wichtnamen aanzienlijk aangevuld. Laat hierbij gezegd worden dat er opzettelijk zo min mogelijk namen worden toegevoegd die uitsluitend Scandinavisch lijken te zijn. De oude Scandinavische dichters hebben de oorspronkelijke Germaanse mythologie (voor zover die als één geheel heeft bestaan) nog behoorlijk uitgebreid … Lees verder Tijding
De eed als lotsverkondiging
De eed was van oudsher een belangrijk verschijnsel in alle windstreken. Tegenwoordig is dat anders; vroeger meer dan nu was een mans woord zijn eer. Bij onze Germaanse voorouders was de eed wezenlijk, met name die tussen een krijgsman en zijn heer. De krijgsman beloofde trouw aan zijn heer, voor hem te vechten wanneer dat nodig was, en de heer beloofde daarop zijn krijgsman te onderhouden en hopelijk ook schatten te leveren door veroveringen. Op het toppunt van de Germaanse krijgerscultuur was de trouw aan de heer zelfs belangrijker dan de trouw aan bloedverwanten. Maar ook bondgenootschappen werden met eden bezegeld. Legendarisch is de Rütlischwur uit de late Middeleeuwen, de vestiging van het Zwitserse eedgenootschap door drie hoofdmannen op de bergweide genaamd de Rütli.
Wichtnamen aangeboden
Met genoegen bied ik u mijn Wichtnamen aan, oftewel de ‘namen van wezens en zaken’. Ik heb namelijk de namen van mindere en grotere wezens en zaken uit de Germaanse oudheid in een lijst verwerkt en voorzien van een etymologische duiding. Bovendien heb ik de wezens en zaken bij hun eigenlijke, klankwettige namen genoemd. Dus bijvoorbeeld niet “Wodan”, maar gewoon Woen, dan wel Woedan. En … Lees verder Wichtnamen aangeboden
Muzikaal proza
“Alle kunst streeft ernaar muziek te worden,” volgens het beroemde motto van Walter Pater. Binnen de letterkunde is vooral de dichtkunst veelvuldig met muziek in verband gebracht: zij wordt een zelfde oorsprong toegedicht, en legt net als muziek grote nadruk op ritme en melodie. In de nadagen van de traditionele poëzie is zelfs getracht haar ritme in muziekschrift te noteren (zie bijvoorbeeld Sidney Laniers The Science of English Verse (1880)). Minder bekend is dat ook proza een eigen muzikaliteit heeft, waarover vooral in het begin van de vorige eeuw in het Engels veel geschreven is, bijvoorbeeld in History of English Prose Rhythm door A.C. Clark (1912) en George Saintsbury’s Prose Rhythm in English (1913).
Nissen
In en rond de hoeves van Noorwegen leeft de nisse, een wezentje dat goed werk levert voor de dieren van het erf. Om hem hiervoor te bedanken, en om hem te vriend te houden, geeft de boer hem maaltijden. Omdat de nisse vaak in de fjøs (‘stal’) zit wordt hij ook wel fjøsnisse genoemd. In Zweden kent men hem als de tomte en in Nederland is hij te vergelijken met de kabouter in diens oude vorm. De oorspronkelijke betekenis van kabouter is dan ook waarschijnlijk ‘huisvriend, huisgeest’.