Reinwis en Reinbrand

Wie heeft zich als kind tijdens de lange lessen in Nederlandse letterkunde niet verwonderd over de voornaam van de Zwolse schrijver Rhijnvis Feith (1753–1824)? Wat een buitengewoon vreemde naam. Heette hij zo omdat zijn ouders hem zagen als een vis in de Rijn? Was hij soms een goede zwemmer? Of was hij anders vernoemd naar een voorouder met dergelijke (gewenste) eigenschappen?

Lees verder “Reinwis en Reinbrand”

Kleurrijke boodschappers

Hoewel het begin van de lente nog ver weg lijkt, zijn de eerste krokussen en narcissen alweer verschenen. Behalve hun weelderige kleuren en geuren, brengen de lentebloemen ook de Griekse mythen in herinnering waar hun schone namen aan ontleend zijn: legenden van jongelingen als Narkissos, Krokos en Hyakinthos, die verstrikt raakten in goddelijke aangelegenheden en, eer nog de zomer van hun leven aanbrak, stierven in de schoonheid der jeugd – net als de bloemen waarin ze voortleven. Een heel ander verhaal vertelt de iris, de kleurrijke boodschapper der goden op wier komst we nog enkele maanden moeten wachten.

Lees verder “Kleurrijke boodschappers”

Leer en doem van de Dertiende Ezige

Vergeleken met de Oudengelse en de Oudnoordse overlevering is de Oudfriese overlevering maar bescheiden. De meeste teksten betreffen rechtspraak, en daar schittert het Oudfries in, maar de weinige verhalen en verhandelingen die het uiteindelijk hebben gered verbleken in kunstigheid bij die van de Oudengelse en Oudnoordse overlevering. Er is geen Oudfriese tegenhanger van Béowulf, geen tegenhanger van de Völuspá of van de Heliand; er is hoe dan ook geen Oudfries werk in stafrijm, de oude Germaanse dichtvorm, of enig waar heldendicht.

Maar in de Oudfriese overlevering zijn wel nagalmen te vinden van aloude Germaanse tijden, onder andere in de vorm van zeldzame woorden, weergaven van rechtsgang, en aanwijzingen naar een verloren mythologie.

Lees verder “Leer en doem van de Dertiende Ezige”

Saksemarken, land van de hoge helm en het rode schild

Ák skilu wí úse lond wera mith egge and mith orde and mith thá brúna skelde with thena stápa helm and with thene ráda skeld and with thet unriuchte hêrskipi.

(Ook zullen wij ons land verdedigen met zwaard en met speer en met het bruine schild tegen de hoge helm en tegen het rode schild en tegen de onrechte heerschappij.)

Deze koene belofte vinden wij in een wettelijk stuk uit Middeleeuws Friesland, in de Oudfriese tong. Een opmerkelijk dichterlijke benaming is de hoge helm en het rode schild, waarmee de Saksische ridders worden bedoeld, naar hun wapenrusting. Het waren de Saksen die van jaren her macht zochten te winnen over de Friese landen. Oude vijanden waren zij, zoals naburen vaak plegen te zijn. Het is niet de enige keer dat we deze benaming treffen. Zo lezen we in een ander stuk uit Laat-Middeleeuws Friesland het volgende:

Lees verder “Saksemarken, land van de hoge helm en het rode schild”

Hel

Het huidige idee van hel is zeer gekleurd door de Westerse cultuur welke op haar beurt lang in het teken heeft gestaan van het Christelijk geloof. Het is in de Bijbel gebruikt als vertaling voor het Hebreeuwse begrip She’ol en het Griekse Ha(i)des, maar ook van het Hebreeuwse Ge Hinnom, dat in het Grieks Gehenna werd. Dit wekt enige bevreemding op, immers zoals al eerder geschreven is Hel wel een ‘dodenrijk’ en een ‘woonplaats der schimmen’, maar niet een ‘strafplaats der verdoemden’.

 

Lees verder “Hel”

Dacht aan het diepe

Hwílum híe gehéton     æt hærg-trafum
wíg-weorþunga     wordum bædon,
þæt him gást-bona     géoce gefremede
wið þéod-þréaum.     Swylc wæs þǽw hyra,
hǽþenra hyht;     helle gemundon
in mód-sefan,     Metod híe ne cúþon,
dǽda Dēmend,     ne wiston híe Drihten God…

Bij wijlen boden zij    in gewijde huizen
eer aan afgoden,     uitten in woorden,
dat hen de zieldoder     hulp zou brengen
tegen het zeer des volks.     Zulks was hun gebruik,
hoop der heidenen;     hel bewaarden zij
in diep gemoed.     De Maker kenden zij niet,
de Dadenrechter,     ze wisten niet van Here God…

(Uit Beowulf, regels 175-81; eigen vertaling.)

Lees verder “Dacht aan het diepe”

Wichtnamen aangeboden

Met genoegen bied ik u mijn Wichtnamen aan, oftewel de ‘namen van wezens en zaken’. Ik heb namelijk de namen van mindere en grotere wezens en zaken uit de Germaanse oudheid in een lijst verwerkt en voorzien van een etymologische duiding. Bovendien heb ik de wezens en zaken bij hun eigenlijke, klankwettige namen genoemd. Dus bijvoorbeeld niet “Wodan”, maar gewoon Woen, dan wel Woedan. En … Lees verder Wichtnamen aangeboden

Nissen

In en rond de hoeves van Noorwegen leeft de nisse, een wezentje dat goed werk levert voor de dieren van het erf. Om hem hiervoor te bedanken, en om hem te vriend te houden, geeft de boer hem maaltijden. Omdat de nisse vaak in de fjøs (‘stal’) zit wordt hij ook wel fjøsnisse genoemd. In Zweden kent men hem als de tomte en in Nederland is hij te vergelijken met de kabouter in diens oude vorm. De oorspronkelijke betekenis van kabouter is dan ook waarschijnlijk ‘huisvriend, huisgeest’.

Lees verder “Nissen”

Diermund

Franciscus die simpel was als een duve, hi noodde alle creaturen ten love Gods. Ende hi predecte den voghelen, ende si en vloghen niet wech vore dat hijt hen hiet. Ende alse hi predecte, ende de voghele songhen, alse hijt hen verbood, so sweghen si.

Neven sijn celle te Portuncle sat op enen vigheboom altoos een voghel ende sanc. Ende Fransois stac sine hant ute ende riepen ende seide: ‘Suster mijn, come te mi!’ Ende de voghel quam vloechs op sijn hant. Ende hi seide: ‘Suster, singt ende looft onsen Here.’ Ende de voghel begonste te singhenne ende en vloeg niet wech vore dat hijt hem hiet.

(Uit de oudste Middelnederlandse vertaling (ca. 1360) van de Legenda aurea.)

Lees verder “Diermund”