Het barre geraas

Deze week is weer gebleken: Europa is nog niet af van de Mexicaanse griep, oftewel de varkensgriep, ook wel bekend onder de officiële naam Nieuwe Influenza A (H1N1). Een heuse uitbraak dreigt, en met een mogelijke epidemie zal altijd rekening worden gehouden. Taaldacht biedt helaas niets ter bestrijding of voorkoming van zulk ongeluk, doch mogelijk wel een evenwoord voor epidemie.

De Dikke van Dale geeft voor epidemie de volgende betekenis: ‘(het optreden van een) besmettelijke ziekte die zich zeer snel uitbreidt, om na enige tijd weer geheel of bijna geheel te verdwijnen’. Volgens de Dikke van Dale heeft het ook evenwoorden: landziekte en volksziekte. Maar échte evenwoorden zijn het niet, voor zover er ooit sprake is van échte evenwoorden, waar dan ook. Landziekte is verouderd in de betekenis ‘epidemie’ en wordt tegenwoordig vooral gebezigd voor een ‘ziekte die vooral in een bepaald land, gebied optreedt’. Daarnaast is er volksziekte, dat ook niet echt dezelfde lading heeft als epidemie. Goed, maar wat is dan wel een goed evenwoord?

Lees verder “Het barre geraas”

Negatief vermogen

Enige tijd geleden ried ik u de film Bright Star (2009) aan, het rijkelijk uitgebeelde verhaal van de liefde tussen de jonge Engelse dichter John Keats en de sierlijke Fanny Brawne. We zien hoe zij hem kort na hun eerste ontmoeting zover krijgt om haar in de dichtkunst te onderwijzen:

Fanny Brawne: I still don’t know how to work out a poem.

John Keats: A poem needs understanding through the senses. The point of diving in a lake is not immediately to swim to the shore, but to be in the lake, to luxuriate in the sensation of water. You do not work the lake out. It is an experience beyond thought. Poetry soothes and emboldens the soul to accept mystery.

Fanny Brawne: I love mystery.

(Hieronder als geluidsfragment te horen, gevolgd door zeer heldere muziek uit de film.)

Lees verder “Negatief vermogen”

Op Zaamsoog

De afgelopen week heb ik tussen de bedrijven door een deelse vertaling gewrocht van twee Oudijslandse saga’s, namelijk het Verhaal van koning Heidrik de Wijze (Saga Heiðreks Konungs ins Vitra) en het Verhaal van Pijls-Oord (Örvar-Odds saga). De eerste van deze was een belangrijke bron van inspiratie voor J.R.R. Tolkien, met name door diens rijke beeldspraak.

Tot nog toe heb ik slechts dat deel van elk vertaald dat handelt over het beroemde gevecht op het eiland Zaamsoog (Sámsey) en de aanloop ernaar. Daar streden Helmer (Hjálmarr) en Oord (Oddr) tegen de twaalf zonen van Arngrijm (Arngrímr). De oudste en voornaamste van die twaalf is Angentuw (Angantýr); hij draagt het legendarische zwaard Terving (Tyrfingr), dat zeer dodelijk is, en vervloekt ook. Oord draagt echter een magisch ‘zijden’ hemd waar geen zwaard in kan bijten.

Lees verder “Op Zaamsoog”

Dacht aan het diepe

Hwílum híe gehéton     æt hærg-trafum
wíg-weorþunga     wordum bædon,
þæt him gást-bona     géoce gefremede
wið þéod-þréaum.     Swylc wæs þǽw hyra,
hǽþenra hyht;     helle gemundon
in mód-sefan,     Metod híe ne cúþon,
dǽda Dēmend,     ne wiston híe Drihten God…

Bij wijlen boden zij    in gewijde huizen
eer aan afgoden,     uitten in woorden,
dat hen de zieldoder     hulp zou brengen
tegen het zeer des volks.     Zulks was hun gebruik,
hoop der heidenen;     hel bewaarden zij
in diep gemoed.     De Maker kenden zij niet,
de Dadenrechter,     ze wisten niet van Here God…

(Uit Beowulf, regels 175-81; eigen vertaling.)

Lees verder “Dacht aan het diepe”

Woorden schieten tekort

De verkiezingen zijn weer begonnen. Van Dale vraagt u om het Woord van het Jaar te kiezen, oftewel het ‘beste’ nieuwe woord van 2010, en Genootschap Onze Taal wil uw stem voor het Onze Taal-woord van het jaar, dat wil zeggen het woord dat het meest kenmerkend is voor 2010.

Geen van beide verkiezingen gaat dus om het mooiste nieuwe woord. Niettemin, als ik de kandidaten zo bekijk dan lijkt onze taal er armzalig aan toe te zijn. Er valt nauwelijks een greintje dichterlijkheid te ontdekken. We zouden toch op zijn minst een paar woorden mogen verwachten die evenwel mooi zijn? Het één sluit het ander niet uit. Nou, wel het in hedendaags Nederlands zo te zien. Uiteraard valt het niet mee om een nieuw woord te bedenken dat mooi en dichterlijk is, en de meningen zullen altijd verdeeld zijn, maar wat zegt het over onze tijden als ze door deze woorden worden vertegenwoordigd? Lees en huiver:

Lees verder “Woorden schieten tekort”

Nieuw leven voor Oudnederlands

Vraag een willekeurige Nederlander wat hij weet over Oudnederlands en hij komt waarschijnlijk niet veel verder dan hebban olla vogala… En dat is mits hij “Oudnederlands” niet verstaat als “oud Nederlands”, zoals dat van de Gouden Eeuw. Dat is ook niet gek, want er is nu eenmaal weinig in het Oudnederlands overgeleverd. En tegenwoordig krijgen kinderen hoe dan ook weinig mee van de vaderlandse geschiedenis in de tijd van het Oudnederlands en daarvoor. En dat is jammer, want er valt veel over onze verdere voorouders te vertellen.

Lees verder “Nieuw leven voor Oudnederlands”

Trouw schrift, geheimzinnige taal

Het Nederlands staat bekend als een vrij consistente taal aangaande schrijfwijze. Zo is er grote samenhang tussen wat er op schrift staat en wat er gesproken wordt. Met andere woorden: de letters in ons schrift hebben een vrij vaste klankwaarde. In het Engels is dat wel anders. Neem woorden als rough, through en though. Op schrift lijken ze op elkaar; in uitspraak verschillen ze nogal. Zo’n uiteenloping tussen schrift en spraak komt deels doordat het Engels de laatste eeuwen weinig spellingwijzigingen heeft ondergaan, terwijl de uitspraak wel ingrijpend is veranderd. Het geschreven Nederlands is wat dat betreft, net als bijvoorbeeld het Noors, meer bij de tijd.

Lees verder “Trouw schrift, geheimzinnige taal”

Tijding

Het is een rustige week op Taaldacht, zoals u heeft kunnen zien. Toch is er wel wat nieuws. Ten eerste is de lijst met Wichtnamen aanzienlijk aangevuld. Laat hierbij gezegd worden dat er opzettelijk zo min mogelijk namen worden toegevoegd die uitsluitend Scandinavisch lijken te zijn. De oude Scandinavische dichters hebben de oorspronkelijke Germaanse mythologie (voor zover die als één geheel heeft bestaan) nog behoorlijk uitgebreid … Lees verder Tijding

De eed als lotsverkondiging

De eed was van oudsher een belangrijk verschijnsel in alle windstreken. Tegenwoordig is dat anders; vroeger meer dan nu was een mans woord zijn eer. Bij onze Germaanse voorouders was de eed wezenlijk, met name die tussen een krijgsman en zijn heer. De krijgsman beloofde trouw aan zijn heer, voor hem te vechten wanneer dat nodig was, en de heer beloofde daarop zijn krijgsman te onderhouden en hopelijk ook schatten te leveren door veroveringen. Op het toppunt van de Germaanse krijgerscultuur was de trouw aan de heer zelfs belangrijker dan de trouw aan bloedverwanten. Maar ook bondgenootschappen werden met eden bezegeld. Legendarisch is de Rütlischwur uit de late Middeleeuwen, de vestiging van het Zwitserse eedgenootschap door drie hoofdmannen op de bergweide genaamd de Rütli.

Lees verder “De eed als lotsverkondiging”