Mooie woorden – Oliviers keuze

Al jaren behoort liefde volgens velen tot de mooisten onzer woorden. Maar wat is er mooi aan liefde behalve hetgeen het uitdrukt? Welke schoonheid bezit het woord zelf? Eerder lijkt het niet bijzonder welluidend en vrij gewoon in opbouw. Evenmin schuilt er grote dichterlijkheid achter. Dan heeft dat andere welbeminde woord, desalniettemin, meer recht op roem, al is het nog altijd meer een versteende uitdrukking dan een echt woord.

Vandaar, met uw welnemen en stavelijk gerangschikt, de volgende voorstellen:

Lees verder “Mooie woorden – Oliviers keuze”

Het oude hoge pad

Liefde maakt blind: wie heeft de woorden nooit toegeworpen gekregen door een vriend of familielid? Het is een van de grote leugens uit onze taal. Liefde maakt niet blind. Haat maakt blind. Angst maakt blind. Wanhoop maakt blind. Liefde opent juist de ogen. Wie denkt dat een verliefde verblind wordt door een rooskleurige blik op de werkelijkheid, zou de rake woorden van de Britse dichter Thomas Traherne (1637-1674) ter harte kunnen nemen: ‘When we dote upon the perfections and beauties of some one creature, we do not love that too much, but other things too little. Never was anything in this world loved too much.’

Lees verder “Het oude hoge pad”

Aan de overkant

De Engelsman J. A. Russell schreef in 1939 een bijzonder lezenswaardige en geenszins gedateerde verhandeling over de Nederlandse dichtkunst, getiteld Dutch Poetry and English. Voor iemand die onze letteren met liefde en aandacht beziet, een zeldzaamheid onder Britse critici, maakt hij wel een aantal verbluffend verwoestend opmerkingen over het Nederlands. Op de eerste pagina is het meteen raak:

Dutch is definitely a literature of fluctuating inspirations and minor realizations, in no sense greater than the language (about the uncouthness and terrors of which people on this side of the North Sea seem to be altogether of one mind).

De Nederlandse literatuur kenmerkt zich bovenal door onbestendige inspiratie en beperkte prestaties. Zij stijgt nauwelijke uit boven een taal die ons, aan de overzijde van de Noord-Zee, voorkomt als een onbeschaafde, afschrikwekkende gruwel.

Lees verder “Aan de overkant”

Weerlicht

The difference between the almost right word and the right word is like the difference between the lightning-bug and the lightning.

(Het verschil tussen een passend woord en het perfecte woord is als het verschil tussen een flitspaal en de bliksem.)

Zo schreef de geestelijk vader van Huckleberry Finn, Mark Twain (1835-1919), eens in een wegwijzer voor beginnende schrijvers. In Poetic Diction gebruikt de Britse filosoof Owen Bafield (1898-1997) een al even lumineus zinnebeeld voor de beleving van dichterlijke taal. Een esthetische schok, aldus Barfield, licht plotseling op wanneer we voelen dat ons bewustzijn een verandering ondergaat. Als een bliksemflits verlichten ‘perfecte woorden’ de wereld om ons heen, waarna onze belevenissen rijker zijn en minder gefragmenteerd dan voorheen. Barfield voert zijn betoog aan de hand van gedichten door Engelse schrijvers als Shelley en Wordsworth, maar zijn conclusies, mits juist, zouden evengoed voor Nederlandse dichtkunst op moeten gaan.

Lees verder “Weerlicht”

Gekleurd glas

In zijn strijd tegen taalverloedering zal de schrijver gekleurd glas niet aanzien voor een helder venster. Al spreekt rond hem heel de wereld onbedoeld in zinnebeelden, hijzelf houdt zijn ogen wijd geopend voor de stilzwijgende metaforen die onze blik verkleuren.

Zo schreef de Britse kunstcriticus Walter Pater in zijn Essay on Style (1889). Ook meer dan een eeuw later staan de kranten en  boeken nog vol met argeloos gebruikte beeldspraak, en niet alleen in literatuur, maar ook, of juist, in teksten die pretenderen een nuchtere weergave van de werkelijkheid te geven. Gedachteloos worden metaforen doorgegeven die niet alleen ons denken sturen, maar zelfs – zoals Lakoff en Johnson aantoonden in Metaphors We Live By (1980) – ons handelen kunnen bepalen.

Lees verder “Gekleurd glas”

Verdromen

…zo werd ik vanzelf onzichtbaar, een bleke vlek onder de populieren die daar de zomer verdroomde…

In een van de mooiste zinnen uit zijn Caesarion roept Tommy Wieringa een bijna vergeten woord in herinnering. Het dichterlijke verdromen is helaas geworden tot een zeldzame verschijning in het prozaïsche landschap onzer letteren. Toch hebben we sinds het woord in de zeventiende eeuw onze taal binnenzwierf vele dagen en nachten, maanden, jaargetijden, ja zelfs eeuwen verwijld in innige verdroming.

Lees verder “Verdromen”

Valse noot

Lang heb ik gedacht dat het eigenlijk vreemd is om een enkel woord ‘mooi’ of ‘lelijk’ te vinden. Zijn woorden immers niet als muzieknoten die pas betekenis krijgen wanneer ze samengeweven worden tot zinnen en verhalen als tot melodieën en akkoorden? Maar wellicht gaat dit niet altijd op. Alsof de duvel zelf ermee speelde, werd ik onlangs op één dag driemaal geconfronteerd met een woord waarvan ik dacht dat het reeds lang verbannen was naar een afgelegen, verlaten Elba van de Nederlandse taal. Kennelijk echter is deze kleine banneling even sluw en vindingrijk als ooit de Kleine Keizer was.

Lees verder “Valse noot”

Dan nu het nieuws

Om mijn vermoeden te toetsen dat de Nederlandse taal zich bij uitstek voegt naar de cadans van het stafrijm, heb ik vanmorgen eens een eenvoudig experiment gedaan. Naar het voorbeeld van W.H. Audens Age of Anxiety – in het bijzonder de passage die inzet met ‘Now the news. Night-raids on.’ – stelde ik me de opgave om de hoofdpunten uit de ochtendkranten in deze vorm te gieten. Haar dreunende ritme is namelijk, zoals Audens verzen laten zien, bijzonder geschikt voor de bondigheid van nieuwsberichten. Vooral de mogelijkheid om lidwoorden weg te laten en een ‘telegramstijl’ te hanteren, biedt veel handvatten om de krachtige cadans van Oudengelse of Oudnoorse gedichten te benaderen. In combinatie met het gebruik van enkel de tegenwoordige tijd kun je bovendien een verre nagalm opvangen van het soort apocalyptische en visionaire verzen dat in de Völuspá (onderdeel van de Edda) overgeleverd is. Of mijn experiment geslaagd is laat ik aan de lezer over, maar ikzelf zou ‘s morgens de krant graag openslaan ware zij in deze vorm gesteld – al wordt het wereldgebeuren er bepaald niet vrolijker op.

Lees verder “Dan nu het nieuws”

Nibelungenlied – een bespreking

Wee uw vrije uren in dit najaar, want het Nibelungenlied is opnieuw vertaald; ditmaal door Jaap van Vredendaal, die eerder voor zijn rekening nam de Heliand, het vermaarde Oudsaksische heldendicht over Jezus.

Het Nibelungenlied, voor wie zich nu achter de oren krabt, is een Duits heldendicht dat rond het jaar 1200 door een onbekende is opgeschreven in het Middelhoogduits, de voorloper van het hedendaags Hoogduits. Het bijna tienduizend regels tellende rijmwerk wordt gezien als een van de pronkstukken van het Duitse erfgoed; het is een zeer voornaam voorbeeld van de christelijk ingegeven hoofse letterkunde van de middeleeuwen. Doch evenwel is het een nagalm van de Germaans-heidense houding van genadeloze en volstrekte wraak binnen een reeks van lotswendingen die leiden tot de doem van menig ziel. Het Nibelungenlied eindigt niet met “en zij leefden nog lang en gelukkig.”

Lees verder “Nibelungenlied – een bespreking”

Aranmánoth

Er zijn woorden wier klank en aanschijn mij terstond doen dromen over een land waar metaal en wielen schaars zijn, en plastic en beton niets minder dan het werk van kwade geesten. Ja, het is alsof welluidendheid en geheimzinnigheid niet van deze wereld zijn.

Aranmánoth is niet de naam van een roemrijke burcht in een mythisch en woest land waar koningen om hebben gestreden. Noch is het een duistere, bloed-verzegelde toverspreuk in een gewijde taal uit een heidens verleden, of hoe een vermaard en krachtig strijdros hiet in een groot half-verloren heldendicht. Nee, het is evenmin de naam van een scheerse whisky uit de Schotse Hooglanden.

Lees verder “Aranmánoth”

Het mooie kwijnen

Het was het gezicht van mijn moeders vader, het zijn de bomen in herfst, het zijn de oude boerderijen, de verweerde schuren en door gras verzwolgen paden… Het zijn de handen van herders, de vervallen houten hekken rond de weiden, de omloverde muren, de gammele stoelen van gisteren… Getekend zijn zij door vergankelijkheid — met de jaren en de sleet hebben zij hun schoonheid en eigenheid verworven. Zij schitteren in verwering. Heeft zoiets een naam in onze taal? Is het ooit genoemd? Het heugt mij niet.

Lees verder “Het mooie kwijnen”