De spinnende godin

De godinnennaam Tanfana blijft mijn gemoed beheersen. Ontevreden met de twee duidingen die ik in mijn vorige stuk gaf ben ik andere mogelijkheden gaan overwegen. En zo ben ik op een duiding gekomen die mij aannemelijker voorkomt. Waar ik de naam aanvankelijk voor een afleiding hield, gelijk velen voor mij, houd ik er nu rekening mee dat hij eerder een samenstelling is. Dat verandert de zaak.

Lees verder “De spinnende godin”

Een nieuwe Groninger spelling

De trouwe lezer weet dat ik mij het afgelopen jaar heb verdiept in het Gronings, oftewel het geheel van de Groninger streektalen. Mijn hoop is dat ik uiteindelijk zelf ook vloeiend Gronings zal kunnen. Waarom is dat, afgezien van mijn algemene belangstelling voor taal en talen? Wel, omdat ik in Groningen ben getogen en woon, en omdat mijn wortelen in deze streken liggen – die wil ik niet verloochenen. Doch ook omdat ik heb ontdekt dat ik het Gronings domweg aangenaam en bijzonder vind, zowel in klank als in woordenschat, al bestaan er wat mij betreft mooiere en minder mooie vormen van Gronings.

Lees verder “Een nieuwe Groninger spelling”

Het eeuwige verlangen

“Ik geloof alleen in wat ik zie.”

Geloof is een belangrijk en veelgebezigd woord in het Nederlands. Zo zegt Van Dale dat geloof is: ‘vertrouwen in de waarheid van iets/op God’ en over geloven staat: ‘vast vertrouwen in het bestaan van iets, voor waar houden op gezag van een ander, menen, denken’. (Let op het element van twijfel en onzekerheid). Het hangt vast op het menen, weten dat iets bestaat, denken dat iets is.

Geloven is echter van dezelfde als wortel lief en hangt samen met woorden als loven, belofte, maar niet bruiloft, hoewel dat natuurlijk op klank en betekenis geen probleem is; bruid-gelofte. Zo komen we dus op het al eerder genoemde lief(de), hetgeen een verlangen uitdrukt. Vergelijk dat met verwanten buiten het Germaans: Sanskriet lubhayati ‘hij verlangt’  en Latijn lubet ‘het is hem aangenaam’. Geloven is dus voorzeker geen ‘onzeker aannemen op grond van het gezag van de priester of sjamaan’, maar een ‘verlangen naar iets of iemand (dat/die aangenaam is)’.

Lees verder “Het eeuwige verlangen”

Hel

Het huidige idee van hel is zeer gekleurd door de Westerse cultuur welke op haar beurt lang in het teken heeft gestaan van het Christelijk geloof. Het is in de Bijbel gebruikt als vertaling voor het Hebreeuwse begrip She’ol en het Griekse Ha(i)des, maar ook van het Hebreeuwse Ge Hinnom, dat in het Grieks Gehenna werd. Dit wekt enige bevreemding op, immers zoals al eerder geschreven is Hel wel een ‘dodenrijk’ en een ‘woonplaats der schimmen’, maar niet een ‘strafplaats der verdoemden’.

 

Lees verder “Hel”

Dacht aan het diepe

Hwílum híe gehéton     æt hærg-trafum
wíg-weorþunga     wordum bædon,
þæt him gást-bona     géoce gefremede
wið þéod-þréaum.     Swylc wæs þǽw hyra,
hǽþenra hyht;     helle gemundon
in mód-sefan,     Metod híe ne cúþon,
dǽda Dēmend,     ne wiston híe Drihten God…

Bij wijlen boden zij    in gewijde huizen
eer aan afgoden,     uitten in woorden,
dat hen de zieldoder     hulp zou brengen
tegen het zeer des volks.     Zulks was hun gebruik,
hoop der heidenen;     hel bewaarden zij
in diep gemoed.     De Maker kenden zij niet,
de Dadenrechter,     ze wisten niet van Here God…

(Uit Beowulf, regels 175-81; eigen vertaling.)

Lees verder “Dacht aan het diepe”

Nissen

In en rond de hoeves van Noorwegen leeft de nisse, een wezentje dat goed werk levert voor de dieren van het erf. Om hem hiervoor te bedanken, en om hem te vriend te houden, geeft de boer hem maaltijden. Omdat de nisse vaak in de fjøs (‘stal’) zit wordt hij ook wel fjøsnisse genoemd. In Zweden kent men hem als de tomte en in Nederland is hij te vergelijken met de kabouter in diens oude vorm. De oorspronkelijke betekenis van kabouter is dan ook waarschijnlijk ‘huisvriend, huisgeest’.

Lees verder “Nissen”

Diermund

Franciscus die simpel was als een duve, hi noodde alle creaturen ten love Gods. Ende hi predecte den voghelen, ende si en vloghen niet wech vore dat hijt hen hiet. Ende alse hi predecte, ende de voghele songhen, alse hijt hen verbood, so sweghen si.

Neven sijn celle te Portuncle sat op enen vigheboom altoos een voghel ende sanc. Ende Fransois stac sine hant ute ende riepen ende seide: ‘Suster mijn, come te mi!’ Ende de voghel quam vloechs op sijn hant. Ende hi seide: ‘Suster, singt ende looft onsen Here.’ Ende de voghel begonste te singhenne ende en vloeg niet wech vore dat hijt hem hiet.

(Uit de oudste Middelnederlandse vertaling (ca. 1360) van de Legenda aurea.)

Lees verder “Diermund”