Boreas en Irene

Waar ik dacht dat de zoetgeurende Zefier en witgelokte Boreas zich, vluchtend voor de nieuwe wetenschap, ontgoocheld teruggetrokken hadden in hun grotten, word ik dezer dagen steeds vaker herinnerd aan de oude windgoden. Hun verre dochters roeren zich immers aan de overzijde van de oceaan: enkele jaren na Katrina teistert nu haar meedogenloze zuster Irene de oostkust van de Verenigde Staten, waar ze woedend door de straten stormt en in haar razernij mens en natuur ontwortelt.

Al geloven we in dit nuchtere tijdperk der wetenschap niet meer in bezielde stormen, in onze taal zo niet in onze gedachten leeft nog immer de herinnering aan de vaarne goden van de wind. Zo bestaat het veelgebezigde orkaan Irene oorspronkelijk niet uit één, maar uit twee eigennamen. Orkaan is namelijk in de zestiende eeuw door Spaanse kolonisten aan een plaatselijke Caraïbische godheid ontleend; deze Hunrakan of God-Met-Eén-Been werd vernoemd naar het ‘eenbenige’ sterrenbeeld van de Grote Beer, dat in het orkaanseizoen helder aan de hemel verscheen.

Lees verder “Boreas en Irene”

Hunkerend naar de derde ster

De voetbalinterviews rond de apotheose van het kampioenschap waren scherpzinnig als altijd. Ditmaal viel vooral de grote creativiteit op waarmee spelers, trainers en journalisten het Amsterdamse verlangen naar de ‘derde ster’ typeerden. De supporters hadden er naar gesnakt (De Boer), zelfs gesmacht (De Jong), en spelers voelden de honger van de stad in hun hart (Vertonghen). Verslaggever Joep Schreuder deed er nog een schepje bovenop: de hele dag beweerde hij dat Amsterdam zeven jaar lang naar deze overwinning had gehunkerd. Zijn woordkeuze werd helaas door niemand overgenomen en viel daardoor enigszins uit de toon – al heeft dat wellicht ook met de geschiedenis van het woord te maken.

Lees verder “Hunkerend naar de derde ster”

Dacht aan het diepe

Hwílum híe gehéton     æt hærg-trafum
wíg-weorþunga     wordum bædon,
þæt him gást-bona     géoce gefremede
wið þéod-þréaum.     Swylc wæs þǽw hyra,
hǽþenra hyht;     helle gemundon
in mód-sefan,     Metod híe ne cúþon,
dǽda Dēmend,     ne wiston híe Drihten God…

Bij wijlen boden zij    in gewijde huizen
eer aan afgoden,     uitten in woorden,
dat hen de zieldoder     hulp zou brengen
tegen het zeer des volks.     Zulks was hun gebruik,
hoop der heidenen;     hel bewaarden zij
in diep gemoed.     De Maker kenden zij niet,
de Dadenrechter,     ze wisten niet van Here God…

(Uit Beowulf, regels 175-81; eigen vertaling.)

Lees verder “Dacht aan het diepe”

Mooi

In het Middelnederlands is een vrij bijzonder woord te vinden: vrone (ook wel vroon). Het betekent ‘heerlijk, verrukkelijk, wonderschoon’ en meer nog ‘des Heeren, met betrekking tot God en Christus’. Het is bijzonder omdat het in oorsprong de tweede naamval meervoud is van een zelfstandig naamwoord, te weten Oudgermaans *frawan ‘heer’, verwant aan vrouw. Wat vrone is, ‘heerlijk’, is dus eigenlijk ‘van de heren’.

Ik noem dit woord omdat ik nog zo’n voorbeeld meen te weten van hoe de tweede naamval van een zelfstandig naamwoord in de loop der tijd als een bijvoeglijk naamwoord is opgevat. Ik heb het over mooi. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (EWN) geeft voor dit woord “herkomst onbekend” en vermeldt nog aarzelend de mogelijkheid dat mooi verband houdt met modder, en een betekenisontwikkeling kent van ‘bevochtigd’ naar ‘gewassen, rein’ tot ‘mooi’. Een weinig overtuigende duiding.

Lees verder “Mooi”

Gewestelijke woorden

Een van de wijzen waarop een taal verandert is hoe haar klanken verschuiven in de uitspraak van haar sprekers. Zo is de welbekende Nederlandse tweeklank -ij- voortgekomen uit de oudere, lange eenklank ī van het Oudgermaans. Zegt men tegenwoordig rijmen, wijs en tijd, vroeger zei men rīmen, wīs en tīd. In sommige streektalen, zoals het Gronings, is die oude eenklank nog onveranderd gebleven.

Lees verder “Gewestelijke woorden”