De kunst van het noemen

Groot werd hun kennis en hun kunnen; doch groter nog was hun dorst naar meer kennis, en in vele dingen overtroffen zij aldra hun onderwijzers. Zij waren veranderlijk in spraak, want zij hadden grote liefde voor woorden, en zochten immer te vinden namen voeglijker voor alle dingen die zij kenden of zich voorstelden.

(Over de Noldor, Hoge Elven in The Silmarillion van J.R.R. Tolkien.)

Lees verder “De kunst van het noemen”

Somber stafrijm

I suspect that it is a metre which is only suitable to rather sombre subjects.

Met deze woorden typeerde de Engelse dichter W.H. Auden eens de versvorm die de Engelsen alliterative verse noemen en bij ons stafrijm heet. Auden goot zijn lange verhalende gedicht The Age of Anxiety in deze vorm, die hij tot in de details beheerste. Dat het stafrijm hem juist voor zwaarmoedige onderwerpen geschikt leek, heeft ongetwijfeld te maken met haar oorsprong in de verhalenwereld van de Germanen. Met de zware cadans van het stafrijm lijkt iets van de heroïsche somberheid van de Germaanse ziel vervlochten, van de gemoedsstemming die Tolkien zo ontroerde in Oudengelse gedichten als Beowulf; het is de blik die het vallen ziet van de laatste nacht en toch door blijft strijden, de krijger die zijn trotse verzet niet laat breken door tegenstand, hoe onoverwinnelijk ook.

Lees verder “Somber stafrijm”

Sjwa

Om ongemakkelijke misverstanden direct in de kiem te smoren: sjwa beduidt hier niet de manier waarop leipe matties elkaar na een paar tjonkels in de hood begroeten, noch mijn favoriete couscousgerecht bij de plaatselijke Marokkaan. Het gaat om een klank die we gebruiken als we even niets te zeggen weten (uh) maar ook in tal van eenlettergrepige woorden (te, de, me, je, ze, etc.) en voor-/achtervoegsels (ge-, –en, –je, etc.). Van alle klinkers kost het produceren van een sjwa wel het minste moeite; een normaal gebouwd mens hoeft slecht zijn mond ontspannen te openen, de stembanden wat te laten trillen, en uit te ademen.

Lees verder “Sjwa”

Verheven ernst

Tolkien mag zelf dan geen liefhebber van de Nederlandse taal geweest zijn, de eerste vertaling van The Lord of the Rings werd wél in ons land uitgegeven. Bovendien is vertaler Max Schuchart voor zijn werk aan In de Ban van de Ring onderscheiden met de Martinus Nijhoff-prijs. Dat we hem dankbaar mogen zijn voor zijn grote toewijding staat dan ook buiten kijf. Toch heb ikzelf, en velen met mij, me zo nu en dan geërgerd over enkele van zijn keuzes. Het deed me dan ook deugd toen ik vernam van een ‘alternatieve’ vertaling door mevrouw E.J. Mensink-van Warmelo, geschreven in de jaren zeventig en onder meer hier te vinden. Ze heeft dit kolossale werk klaarblijkelijk geheel op eigen initiatief en kosteloos volbracht – wat op zich al bewonderenswaardig is – en het resultaat is allerminst onverdienstelijk.

Lees verder “Verheven ernst”

Voorbij de randen van de wereld

Tijdens het lezen van Tolkiens The Lord of the Rings kwam ik onlangs een uitdrukking tegen waar ik niet overheen kon lezen. Voor wie de boeken kent: ik was Frodo net gevolgd tot de elvenstad Rivendell, alwaar hij betoverd wegdroomt bij de muziek en poëzie van de elven:

Almost it seemed that the words took shape, and visions of far lands and bright things opened out before him; and the firelit hall became like a golden mist above seas of foam that sighed upon the margins of the world.

Lees verder “Voorbij de randen van de wereld”

Als een hobber verholen

It was on a summer’s day, and he was sitting by the window in the study at Northmoor Road, laboriously marking School Certificate exam papers. Years later he recalled: ‘One of the candidates had mercifully left one of the pages with no writing on it (which is the best thing that can possibly happen to an examiner) and I wrote on it: “In a hole in the ground there lived a hobbit”. Names always generate a story in my mind. Eventually I thought I’d better find out what hobbits were like. But that’s only the beginning.’

(Uit: J.R.R. Tolkien: A Biography, door Humphrey Carpenter)

Lees verder “Als een hobber verholen”

De harp en de camera

Ongetwijfeld het invloedrijkste zinnebeeld voor het Romantische in de literatuur is ontleend aan M.H. Abrams’ The Mirror and the Lamp (1953). Waar eerdere schrijvers zich zagen als een spiegel die zo getrouw mogelijk de werkelijkheid reflecteert, aldus Abrams, wilde de Romanticus juist zijn als een lamp, die een nieuw licht op de wereld schijnt. Veel minder bekend, maar minstens zo verhelderend, zijn de metaforen (of symbolen) die Owen Barfield introduceert in zijn essay “The Harp and the Camera” (1977).

Lees verder “De harp en de camera”

Een Nederlandse Inkling?

Op deze blog worden als inspiratiebronnen vaak leden van de zogenaamde Inklings genoemd, waaronder J.R.R. Tolkien, C.S. Lewis en Owen Barfield. In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw zetten zij zich gezamenlijk af tegen de toenmalige literaire, filosofische en religieuze opvattingen. Dat een Engelstalig schrijversgezelschap hier als inspiratie dient is vooral te wijten aan het feit dat er, naar mijn weten, in het Nederlandse taalgebied van een vergelijkbare stroming geen sprake is geweest. Toch is er één Nederlandse schrijver wiens leven en werk verrassend veel overeenkomsten vertoont met dat van verschillende Inklings, met name Tolkien en Lewis: Adriaan Roland Holst, de ‘Prins der Nederlandse Dichters’.

Lees verder “Een Nederlandse Inkling?”

Op Zaamsoog

De afgelopen week heb ik tussen de bedrijven door een deelse vertaling gewrocht van twee Oudijslandse saga’s, namelijk het Verhaal van koning Heidrik de Wijze (Saga Heiðreks Konungs ins Vitra) en het Verhaal van Pijls-Oord (Örvar-Odds saga). De eerste van deze was een belangrijke bron van inspiratie voor J.R.R. Tolkien, met name door diens rijke beeldspraak.

Tot nog toe heb ik slechts dat deel van elk vertaald dat handelt over het beroemde gevecht op het eiland Zaamsoog (Sámsey) en de aanloop ernaar. Daar streden Helmer (Hjálmarr) en Oord (Oddr) tegen de twaalf zonen van Arngrijm (Arngrímr). De oudste en voornaamste van die twaalf is Angentuw (Angantýr); hij draagt het legendarische zwaard Terving (Tyrfingr), dat zeer dodelijk is, en vervloekt ook. Oord draagt echter een magisch ‘zijden’ hemd waar geen zwaard in kan bijten.

Lees verder “Op Zaamsoog”

Dacht aan het diepe

Hwílum híe gehéton     æt hærg-trafum
wíg-weorþunga     wordum bædon,
þæt him gást-bona     géoce gefremede
wið þéod-þréaum.     Swylc wæs þǽw hyra,
hǽþenra hyht;     helle gemundon
in mód-sefan,     Metod híe ne cúþon,
dǽda Dēmend,     ne wiston híe Drihten God…

Bij wijlen boden zij    in gewijde huizen
eer aan afgoden,     uitten in woorden,
dat hen de zieldoder     hulp zou brengen
tegen het zeer des volks.     Zulks was hun gebruik,
hoop der heidenen;     hel bewaarden zij
in diep gemoed.     De Maker kenden zij niet,
de Dadenrechter,     ze wisten niet van Here God…

(Uit Beowulf, regels 175-81; eigen vertaling.)

Lees verder “Dacht aan het diepe”