Òlle vörms
Een van de redenen waarom ik zo geboeid kan raken door de streektalen is omdat deze vaak vormen uit het Oudgermaans hebben bewaard die in de standaardtaal –het Algemeen Beschaafd Nederlands– inmiddels niet of nauwelijks meer voorkomen. Een voorbeeld hiervan zijn de meervoudsvormen in het Gronings.
Hoe verschilt het Groningse meervoud van het Nederlandse? Meer nog dan in het Nederlands krijgen Groningse woorden die –na een stomme e– eindigen op een l, r, m of n een s-meervoud. Zo heeft het Gronings steevast (eerd)appels, waar het Nederlands zowel (aard)appels als (aard)appelen kan hebben. En het Gronings heeft bijvoorbeeld moatregels waar het Nederlands enkel maatregelen kent. Maar het Gronings onderscheidt zich in meervoudsvormen vooral bij woorden die op -rm en -lm eindigen. Vergelijk Gronings in mien aarms met Nederlands in mijn armen, en met Engels in my arms(!). In het noorden woeden störms en geen stormen, en draagt men helms en geen helmen.
Het barre geraas
Deze week is weer gebleken: Europa is nog niet af van de Mexicaanse griep, oftewel de varkensgriep, ook wel bekend onder de officiële naam Nieuwe Influenza A (H1N1). Een heuse uitbraak dreigt, en met een mogelijke epidemie zal altijd rekening worden gehouden. Taaldacht biedt helaas niets ter bestrijding of voorkoming van zulk ongeluk, doch mogelijk wel een evenwoord voor epidemie.
De Dikke van Dale geeft voor epidemie de volgende betekenis: ‘(het optreden van een) besmettelijke ziekte die zich zeer snel uitbreidt, om na enige tijd weer geheel of bijna geheel te verdwijnen’. Volgens de Dikke van Dale heeft het ook evenwoorden: landziekte en volksziekte. Maar échte evenwoorden zijn het niet, voor zover er ooit sprake is van échte evenwoorden, waar dan ook. Landziekte is verouderd in de betekenis ‘epidemie’ en wordt tegenwoordig vooral gebezigd voor een ‘ziekte die vooral in een bepaald land, gebied optreedt’. Daarnaast is er volksziekte, dat ook niet echt dezelfde lading heeft als epidemie. Goed, maar wat is dan wel een goed evenwoord?
Een Nederlandse Inkling?
Op deze blog worden als inspiratiebronnen vaak leden van de zogenaamde Inklings genoemd, waaronder J.R.R. Tolkien, C.S. Lewis en Owen Barfield. In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw zetten zij zich gezamenlijk af tegen de toenmalig
e literaire, filosofische en religieuze opvattingen. Dat een Engelstalig schrijversgezelschap hier als inspiratie dient is vooral te wijten aan het feit dat er, naar mijn weten, in het Nederlandse taalgebied van een vergelijkbare stroming geen sprake is geweest. Toch is er één Nederlandse schrijver wiens leven en werk verrassend veel overeenkomsten vertoont met dat van verschillende Inklings, met name Tolkien en Lewis: Adriaan Roland Holst, de ‘Prins der Nederlandse Dichters’.
Negatief vermogen
Enige tijd geleden ried ik u de film Bright Star (2009) aan, het rijkelijk uitgebeelde verhaal van de liefde tussen de jonge Engelse dichter John Keats en de sierlijke Fanny Brawne. We zien hoe zij hem kort na hun eerste ontmoeting zover krijgt om haar in de dichtkunst te onderwijzen:
Fanny Brawne: I still don’t know how to work out a poem.
John Keats: A poem needs understanding through the senses. The point of diving in a lake is not immediately to swim to the shore, but to be in the lake, to luxuriate in the sensation of water. You do not work the lake out. It is an experience beyond thought. Poetry soothes and emboldens the soul to accept mystery.
Fanny Brawne: I love mystery.
(Hieronder als geluidsfragment te horen, gevolgd door zeer heldere muziek uit de film.)
Hel
Het huidige idee van hel is zeer gekleurd door de Westerse cultuur welke op haar beurt lang in het teken heeft gestaan van het Christelijk geloof. Het is in de Bijbel gebruikt als vertaling voor het Hebreeuwse begrip She’ol en het Griekse Ha(i)des, maar ook van het Hebreeuwse Ge Hinnom, dat in het Grieks Gehenna werd. Dit wekt enige bevreemding op, immers zoals al eerder geschreven is Hel wel een ‘dodenrijk’ en een ‘woonplaats der schimmen’, maar niet een ‘strafplaats der verdoemden’.
Ruinen
Vanouds kende Mijmer de ruinen
Wijs wezen
De oude bij bron en boom
Dwaler leerde hij
En die onderwees de Dwergendrom
Do leerde hij
En die onderwees het Alvenvolk
Daar was ook Woen,
Welke Ruinenraad kocht,
De Wegtamme en Mantelman
Verkreeg onderricht voor oog
En die gaf het de goden.

Op Zaamsoog
De afgelopen week heb ik tussen de bedrijven door een deelse vertaling gewrocht van twee Oudijslandse saga’s, namelijk het Verhaal van koning Heidrik de Wijze (Saga Heiðreks Konungs ins Vitra) en het Verhaal van Pijls-Oord (Örvar-Odds saga). De eerste van deze was een belangrijke bron van inspiratie voor J.R.R. Tolkien, met name door diens rijke beeldspraak.
Tot nog toe heb ik slechts dat deel van elk vertaald dat handelt over het beroemde gevecht op het eiland Zaamsoog (Sámsey) en de aanloop ernaar. Daar streden Helmer (Hjálmarr) en Oord (Oddr) tegen de twaalf zonen van Arngrijm (Arngrímr). De oudste en voornaamste van die twaalf is Angentuw (Angantýr); hij draagt het legendarische zwaard Terving (Tyrfingr), dat zeer dodelijk is, en vervloekt ook. Oord draagt echter een magisch ‘zijden’ hemd waar geen zwaard in kan bijten.
Woorden naar klanken
Onlangs werd mij gevraagd of ik een evenwoord voor synthesizer wist. Bij zo’n vraag begin ik meestal met een kijk in de geschiedenis en de opbouw van het leenwoord in kwestie en tracht ik een samenstelling of een afleiding te bedenken die zowel in inhoud als klank ‘klopt’ en bruikbaar is. Maar bij synthesizer ging ik terstond op zoek naar een klankwoord.
Dacht aan het diepe
Hwílum híe gehéton æt hærg-trafum
wíg-weorþunga wordum bædon,
þæt him gást-bona géoce gefremede
wið þéod-þréaum. Swylc wæs þǽw hyra,
hǽþenra hyht; helle gemundon
in mód-sefan, Metod híe ne cúþon,
dǽda Dēmend, ne wiston híe Drihten God…Bij wijlen boden zij in gewijde huizen
eer aan afgoden, uitten in woorden,
dat hen de zieldoder hulp zou brengen
tegen het zeer des volks. Zulks was hun gebruik,
hoop der heidenen; hel bewaarden zij
in diep gemoed. De Maker kenden zij niet,
de Dadenrechter, ze wisten niet van Here God…
(Uit Beowulf, regels 175-81; eigen vertaling.)
Balrog
And in Utumno he gathered his demons about him, those spirits who first adhered to him in the days of his splendour, and became most like him in his corruption: their hearts were of fire, but they were cloaked in darkness, and terror went before them; they had whips of flame. Balrogs they were named in Middle-earth in later days.
Werkwoordstijl
In een eerdere bijdrage kwam ter sprake dat volgens de filosoof Owen Barfield de taal van vroegere eeuwen getuigt van een minder gefragmenteerd wereldbeeld dan het huidige. Zo waren in het antieke Griekenland nu gescheiden concepten als ‘wind,’ ‘adem,’ en ‘geest’ nog verenigd in het ene woord pneuma. De oude Grieken leefden, in Barfields woorden, nog met ‘original participation:’ ze voelden zich minder afgescheiden van hun omgeving en zagen een onderliggende eenheid waar wij slechts verscheidenheid zien.